De Broeders, wier personeel sedert met twee Broeders en twee Zusters
versterkt was, besloten eene kleine plantaadje aan de Cottica te
koopen. De gelden, daartoe benoodigd, moesten zij wel door ijverigen
handenarbeid winnen, maar dit ontmoedigde hen niet, doch andere
moeijelijkheden noodzaakten hen dit station weldra te verlaten.
De keus van de plaats der vestiging was niet gelukkig. De opbrengst
der plantaadje was niet genoegzaam om in hun onderhoud en de
kosten der zending te voorzien, en ook waren zij te ver van de
Indianen verwijderd; daarbij kwamen er--iets wat onder de zending
der Broedergemeente tot de uitzonderingen behoort, oneenigheden,
waardoor het gemeenschappelijk arbeiden verstoord werd. Zekere
kortelings aangekomen zendeling, Regnier, was hiervan de oorzaak.
Omstreeks het jaar 1745 was de Broedergemeente dus genoodzaakt dit
onvruchtbare station op te heffen; de Broeders verlieten Suriname en
begaven zich naar Berbice om de wakkere zendelingen aldaar ter zijde
te staan.
Suriname werd dus verlaten, doch, daar Paramaribo zoo uitnemend
gelegen was voor eene zending onder de negers en tot ondersteuning
van ver afgelegen zendingsposten, hield men de verlaten post in het
oog en hoopte zich daar later weder te vestigen.
Die hoop werd verwezenlijkt. De Broeders in Berbice hadden door den
heftigen tegenstand der blanken het ook aldaar voor dit oogenblik
moeten opgeven den negerslaven van de genade des Heeren te spreken;
ook zij hadden zich daarop tot de Indianen gewend. Na veel strijd
werd hun arbeid gezegend en uitgebreid en ontstond aldaar te Pilgerhut
(Pelgrimshoede) eene gemeente uit Inboorlingen bestaande.
In het laatst van 1747 werd het smeeken der Broeders verhoord; een
honger naar het woord des levens ontwaakte onder de Indianen. In Maart
1748 werd eene oude Indiaansche vrouw als eersteling gedoopt. Tegen
het einde van Junij waren reeds 39 Indianen in de Christelijke kerk
opgenomen; de gemeente nam toe in bloei; vooral toen in 1748 de
uitnemende zendeling Schuman, de Apostel der Arawakken genoemd, tot
hulpe kwam. In 1757 bestond aldaar reeds eene gemeente van 300 zielen.
Men poogde ook nu de zending in Suriname weder aan te vangen. In 1754
begaven zich de reeds genoemde Dähne en zekere Marcus Ralfs naar
Paramaribo, waar zij hun kleedermakers handwerk uitoefenen en als
agenten der zending trachten zouden in de stoffelijke behoeften der
zending te voorzien. Zij zouden de aankoopen doen voor de afgelegen
zendingstations benoodigd; de uit Europa aankomende Broeders ontvangen;
de goede verstandhouding met de koloniale regering trachten te
bevorderen, en verder al datgene te doen wat tot welzijn der zending
strekken kon.
Met veel getrouwheid en ijver waren die Broeders in dezen hunne
kring werkzaam. Wekken die daar te Paramaribo op de kleermakerstafel
gezeten Broeders onze bewondering op, zijn zij ons in zoo velen ter
beschaming; ook de inwoners van Paramaribo lieten langzamerhand hunne
vooroordeelen vallen. De handel en wandel der Broeders getuigden
zoo zeer van een Christelijken geest, dat de laster verstomde, en
terwijl hun kleermakersbedrijf van jaar tot jaar in belangrijkheid
toenam, verheugden zij zich ook over vermeerderd vertrouwen bij de
regering en andere aanzienlijke personen. De voormalige Gouverneur
van Berbice, Lösner, die den arbeid der Broeders van nabij had
gadegeslagen, had zich te Paramaribo met ter woon gevestigd en legde
omtrent hen een gunstig getuigenis af bij den toenmaligen Gouverneur
van der Meer. Na verkenning van het terrein, en na toestemming der
sociëteit te hebben ontvangen, bouwden 5 zendelingen en 8 Indianen,
aan de rivier Saramacca, Saron. De ligging was, om met de Indianen in
aanraking te komen, geschikt, doch tevens zeer ongezond; verscheidene
Broeders vonden hier een vroegtijdigen dood.
Ook hier werd het woord der prediking door den Heer gezegend. Zelfs
de meer woeste Caraïben kwamen aldaar om het woord te hooren, dat
van liefde en vrede en genade getuigt. Reeds bij het einde van 1757
waren er 30 Indianen gevestigd.
Dähne vertrok uit Paramaribo in 1757, om zich aan de Corentijn te
vestigen; terwijl Ralfs alzoo alleen als agent te Paramaribo achter
bleef. Eenige Indianen hielpen Dähne aldaar eene hut bouwen, doch
verlieten hem daarna; slechts een, Christoffel genaamd, bleef nog
eenige maanden bij hem. Toen deze man ziek werd, zeiden doortrekkende
Indiaansche toovenaars tot hem: »Gij zult bij dezen blanke nimmer
gezond worden, want de duivel heeft de magt over hem, en de blanke
zelf zal ziek worden." Christoffel luisterde naar deze woorden, en,
toen hij eenigzins hiertoe in staat was, ging hij weg en liet Dähne
alleen in de wildernis achter, ofschoon vele Indianen hem van tijd
tot tijd kwamen bezoeken, aan wie hij dan het Evangelie verkondigde.
»Ik heb toen," schreef deze waardige man: »met mijn lieven Heiland
alleen huis gehouden, met een vergenoegd en zalig hart gedaan wat ik
kon, en de Heiland troostte mij, door Zijne lieve nabijheid in deze
wildernis zoo krachtig, dat ik regt zalige tijden heb doorgebragt."
Dähne, die hier van alle menschelijke hulp verstoken was,
moest zwaarder arbeid verrigten, dan ooit te voren, en kreeg door
overspanning en ontbering hevige koortsen; doch de Heer verliet zijn
getrouwe dienstknecht niet; Hij beschikte het, dat de zendeling Schuman
hem bezocht en artsenijen medebragt, waardoor Dähne spoedig weder
herstelde. Dähne verkeerde meermalen in levensgevaar: Een tijger
sloop des nachts brullend rondom zijne nederige hut, die uit vier
palen met een dak van palmbladen bestond, onder hetwelk hij zijne
hangmat ophing; hij vreesde den tijger niet; wel nam hij de voorzorg
's nachts een vuur in zijne hut te ontsteken, doch als dit uitging,
bleef hij kalm in zijne hangmat liggen; zijn vertrouwen was op den
Heer en dat werd niet beschaamd.
Op zekeren avond, als hij zich ter ruste wilde begeven, viel een
tamelijk groote slang van een lat van het dak op hem, slingerde zich
twee tot driemaal om zijn hals en hoofd en drong zich immer vaster. »Ik
dacht," zoo verhaalde hij, »dat kon wel mijn dood veroorzaken, en
schreef daarom met krijt deze omstandigheid op de tafel tot narigt
voor de Broeders, opdat zij niet in de waan zouden verkeeren, dat
de Indianen schuld aan mijnen dood hadden" (welk eene liefelijke
teedere bezorgdheid). »Intusschen viel het mij in, om, in vertrouwen
op het woord des Heeren (Marcus 46-18) den slang van mij af te werpen;
ik deed dit daarop met zulk eene kracht, dat iets van mijn vel mede
ging." Het was duister, hij wist niet wat er van den slang geworden
was, doch Dähne legde zich rustig in zijn hangmat neder en de Heer
bewaarde Hem, zoodat hem er niets kwaads van overkwam. Het grootste
gevaar echter dreigde hem van de wilden en gruwzame Caraïben, welke in
November 1757 het voornemen hadden opgevat om hem te vermoorden. Hoe
hij door Gods genade ook nu gered werd, willen wij hem met zijne
eigene woorden laten verhalen:
»Als ik 's middags zou gaan eten kwamen 50 mannen, in hunne Canoes
zittende, aan; zij verlieten die en omringden mijne hut. Eenige van
hen hadden ijzeren bijlen en houwelen, anderen zwaarden en dergelijke
moordtuigen meer bij zich. Ik ging tot hen en verwelkomde hen op
vriendelijke wijze in het Arawakkisch; zij antwoordden mij barsch:
»ik moest Caraïbisch met hen spreken." Intusschen merkte ik op, wie
het bevel voerde. Terwijl zij onder elkander Caraïbisch spraken en
merkten dat ik dit niet verstond, kwam hun tolk voor en vroeg mij
in het Arawakkisch: »Wie heeft u veroorloofd hier te bouwen en te
wonen?" waarop ik antwoordde: »De Gouverneur." »Waarom zijt gij hier
in het land gekomen?" Nu vervoegde ik mij tot het Opperhoofd en zeide
hem met vrijmoedigheid: »Ik heb broeders aan de overzijde der zee,
die gehoord hebben, dat in dit land Indianen wonen, die hun Schepper
niet kennen; deze broeders nu hebben mij hierheen gezonden, omdat
ik eerst de spraak dier Indianen zou leeren en hun dan, wat ook voor
hen het voornaamste is, zou mededeelen. Ook zullen er weldra nog meer
tot datzelfde doel hierkomen."
»Zijt gij een Spanjaard?" »Neen", »of een Franschman?" »Neen." »Zijt
gij dan een Hollander?" »Ik kom wel uit Holland, doch eigenlijk nog
verder. Genoeg zij het; ik ben een dier broederen van de overzijde der
zee, die u liefhebben." »Hebt gij dan niet gehoord, dat de Indianen u
zullen doodslaan?" »Ja, doch ik heb het niet geloofd, en gij zelven
hebt onder uwe Indianen lieden, die bij mij zijn geweest, en weten,
dat ik u lief heb." »Dat is waar, en zij hebben mij gezegd, dat gij
een andere Christen, dan de andere blanken waart." »Nu, als gij dan
weet dat ik u lief heb, hoe zoudt gij mij dan kunnen doodslaan?"
Het opperhoofd hernam lagchende: »Dat is waar ook!" Nu veranderden
allen in hunne gebaarden en de kring ging uiteen. Slechts de aanvoerder
bleef bij mij en vroeg mij vele dingen, die ik hem zoo goed mogelijk
verklaarde, en toen hij hoorde, dat geene andere blanken, dan de
Broeders hier woonden, werd hij vriendelijk, en bij zijn vertrek gaf
hij mij, op mijn verzoek, van zijne levensmiddelen en beloofde mij
weder te komen. »Zoo hielp de Heiland mij genadig van dag tot dag,
zoodat ik bij het einde des jaars groote reden had om Hem te loven
en te danken."
Dähne leefde onder menigerlei nood en ontbeering getroost voort in de
hoop, dat weldra Broeders uit Europa tot zijne hulpe zouden komen,
hetgeen echter eerst in 1759 geschiedde. Intusschen deed hij in
zijne eenzaamheid wat hij kon; hij prees de hem bezoekende Indianen
de zondaarsliefde van Jezus aan, en bekwam van hen levensmiddelen
(cassaves); was bij alle ontbeering vrolijk en zalig in de nabijheid
van zijnen Heiland en genoot eindelijk de vreugde, dat eenige Indianen
zich in zijne nabijheid hutten bouwden, en alzoo brak ook voor Ephraim
(zoo werd die nederzetting genoemd) een tijd van genade aan.
De gemeente te Saron werd voornamelijk door Caraïben bezocht, die met
troepen van 10 tot 20, zelfs in Augustus 1760 met 100 aankwamen, om
zich aldaar te vestigen. Zoo ging het werk Gods verblijdend vooruit,
toen eensklaps eene bedroevende gebeurtenis het verstoorde. De
Caraïben vingen meermalen gevluchte negerslaven op, leverden ze hunnen
heeren over, ten einde de f 60 vanggeld te verdienen. (Vervloekte
slavernij!) De Boschnegers, hierover vertoornd, namen daarop het
besluit Saron te verwoesten, zoodat de Indianen genoodzaakt zouden
zijn dien omtrek te verlaten. Toen in 1761 de Caraïben naar hunne oude
woonplaats waren gegaan, om levensmiddelen te halen, en Saron alzoo
van hare krachtigste mannen ontbloot was, voerden de Boschnegers hun
voornemen uit. Op Zondag den 25sten Januarij, toen de gemeente de
prediking bijwoonde, kwamen de Boschnegers, schoten met geweren en
pijlen en staken het zendingshuis in brand. Allen moesten vlugten en
Saron werd verwoest, waarna de Boschnegers vertrokken [1373]. Twee
Broeders, Schirmer en Cleve, keerden eenigen tijd daarna terug
om te beproeven de verstrooide gemeente van Saron weder bijeen te
verzamelen. Tot hunne bescherming erlangden zij een detachement van
14 soldaten. Honger en krankte volgden en de minst gevaarlijke zieke
moest menigmaal den anderen kranke verplegen, doch kon niets dan
cassave en water hiertoe geven; de Broeders evenwel smaakten, bij
alle droefheid, toch meermalen de groote blijdschap, dat de Indianen
ook bij deze beproevingen zich aan den Heiland vasthielden en Hem nog
stervend beleedden; er kwam hulp uit Europa, een Broeder en Zuster,
doch beiden vonden er spoedig hun graf.
Schirmer en Cleve versaagden niet en Saron kwam omstreeks 1762 weder
in bloei. De Indianen echter leefden in gestadige vrees voor de
aanvallen der oproerige negers, die steeds in den omtrek kruisten;
vele Indianen verlieten deze plaats, en in 1779 moest de zending
aldaar worden opgegeven. In de kleine gemeente te Ephraim brak in
1762 eene hevige koorts uit, en, bij den negeropstand in 1767, moest
ook dit station worden verlaten.
Eene nieuwe nederzetting, Hoop genaamd, werd daarop in 1764 aan de
Corentijn gevestigd en hier scheen in den aanvang de arbeid zeer
gezegend te worden. Na vier jaren stonden er reeds 10 Indiaansche
hutten en Schirmer en Cleve predikten aan 80 tot 100 zielen het
woord der verzoening. Doch in 1766 werd Schirmer en in 1768 Cleve
van hunnen arbeid afgeroepen door den Heer, die hun in de ruste
bragt en het genadeloon aan trouwen arbeid in zijne dienst verbonden
deed genieten. Het overlijden dezer mannen was een zware slag voor
de zending.
Gedurende een geruimen tijd was er te Hoop slechts een arbeider,
Jacob Erdmann Burchhardt; in 1784 kwam er versterking, doch de zending
ging niet vooruit. Zoo stonden de zaken, toen in 1789 Johan Jakob
Gottlob Fischer uit Wurtemberg te Hoop aankwam; hij leerde spoedig
de Arawakkische taal en legde zich bijzonder toe op het onderwijs
der jeugd.
In 1790 werd eene groote school gebouwd; 11 Indianen bouwden nieuwe
huizen, in geregelde orde, en die van appel- en andere vruchtboomen
werden omringd. Kinderen en volwassenen werden tot nuttigen arbeid
opgeleid. Grond ter cultuur van cassave werd aangelegd; velden met
koorn en banannen zag men weldra in hunne volle schoonheid prijken. In
October 1791 werden aan 108 bewoners eenige verordeningen voorgelezen,
waardoor de Heidensche levenswijze zou ophouden en eene geregelde
Christelijke hiervoor in de plaats komen; de Indianen beloofden die
bepalingen te zullen nakomen. Caraïben en Waraauen voegden zich bij
hen, en de geordende gemeente trok zoodanig de aandacht der Indianen in
den omtrek, dat velen genoopt werden zich ook daarheen te begeven. In
1795 trokken 109 Indianen naar Hoop, en onder deze 36 Waraauen, die
zich door bijgeloof, ligtzinnigheid, afkeer van arbeid en diefstal
kenmerkten en der nieuwe gemeente alzoo tot een slecht voorbeeld waren.
De verovering van Berbice in 1796 door de Engelschen maakte het
verkeer moeijelijker en belette de nieuwe kolonisten hunne waren te
verkoopen. Friderici liet echter in 1798 den Indianen toe om voor
hunne bijzondere zaken naar Berbice te gaan. Dat rustig verkeer met
de naburige kolonie, zelfs gedurende den krijg, hield echter op door
eene onvoorzigtigheid van Fischer. Deze namelijk hielp de bemanning van
een gestrand Engelsch schip, die zich voor Noord-Amerikaners uitgaven,
naar Berbice te komen. Hierop ontving hij bevel om met zijne familie
den zendingspost Hoop te verlaten. Hij begaf zich daarop, tot groote
smart der gemeente, naar Noord-Amerika
In 1799 werd het verkeer met Berbice weder toegestaan. Na het vertrek
van Fischer zette Broeder Klüge met zijne nationaal-helpers, met ijver
den arbeid voort; in 1800 kwam Broeder Schulz hem ter hulp, en in 1801
waren te Hoop 208 inwoners, waaronder 169 gedoopten. Echter geraakte
de gemeente door de toenemende neiging der Arawakken tot dronkenschap
en een zwervend leven in verval. In 1808 werden door eenige ligtzinnige
booze jonge lieden de zendingsgebouwen in de asch gelegd. Het grootste
gedeelte der Indianen verliet toen de nederzetting aan de Corentijn;
andere pogingen werden aangewend, om hen hier en daar te verzamelen,
doch in 1815 moest de zending eindelijk onder de Indianen worden
opgegeven, daar de werkzaamheden op de plantaadjes onder de negerslaven
aan de Nickerie al de krachten der Broeders vorderden.
Zoo hield de zending der Broedergemeente onder de Arawakken geheel op,
en die gezegende plaatsen, waar eenmaal Gods lof werd verkondigd,
waar liederen ter Zijner eere weerklonken, zijn thans met digt
bosch bewassen, waaruit men slechts het geschreeuw der papagaaijen
en van andere woudbewoners hoort. In Pilgerhut (Berbice) is geen
pelgrim meer, Saron is niet langer een bloeijenden tuin, Ephraim
draagt geene vruchten en op Hoop--hoopt men niet meer. Echter, zoo
eenmaal de stem van den Archangel de dooden ter opstanding roept en
de klank der laatste bazuin ook in deze wouden wordt gehoord, zullen
ook dáár graven zich openen, uit welke Indianen met hunne leeraren en
leermeesteressen zullen opstaan, die Hem zullen roemen en loven tot
in eeuwigheid, Die zich hunner zielen heeft ontfermd en ten eeuwigen
leven bekwaam gemaakt.
En in den tijd? Wij herhalen het vroeger gezegde. Na de afschaffing
der slavernij zal het verkeer van de Indianen met de Europeanen
worden bevorderd;--dan ook is het te wenschen, dat de Indianen zullen
deelen in het genot der beschaving, en vooral in de vertroostingen
der Christelijke godsdienst. Moge het Evangelie der genade hun dan op
nieuw worden verkondigd en moge de wandel der belijders van Christus
een zoodanige zijn, dat die arme onkundige heidenen niet geërgerd,
maar gesticht en voor den Heer gewonnen worden. Daartoe verleene den
Heer zijne genade, daartoe schenke Hij zijne kracht, de zegenende
invloeden des Heiligen Geestes.