Ten einde de administratie geregeld te kunnen houden, vroeg John Bent
tijdig de rekeningen op, om ze te kunnen verifieeren, enz.
»De ontvanger en bestierder verzoekt de administrateuren der
onderscheidene plantagiën en andere eigendommen, onder des Konings
commissie, zoo goed te zijn van de rekeningen van hunne onderscheidene
administratiën op te maken, tot den 31sten dezer, behelzende de
generale, provisie en commissierekeningen, welke op ieder derzelve
schuldig is en tot derzelfden datum, en die zoo spoedig mogelijk
ten dezen comptoire over te geven, ten einde de noodige schikkingen
omtrent dezelve kunnen gemaakt worden [1101]."
Dat men in alles nog al nalatig bleef de orders van Bent op te volgen,
blijkt ook uit de volgende annonce:
»Zeer weinig acht geslagen zijnde op de vorige advertissementen van den
ontvanger en bestierder, ten opzichten van zijn officieele opeisching
van obligatiën ten zijnen comptoire leggende, in plaats van betaling
in geld, behoorende aan diegeenen waarover zijne commissie zich
strekt, zoo zal ten eersten een lijst van de voornaamste Nalatigen
opgemaakt worden en aan Zijn Excellentie den Heer Gouverneur ter
zijner beslissing wegens dezelven worden toegezonden, en de namen van
dusdanige personen zullen publiek gemaakt worden, indien dezelve nog
langer voorgeven onwetende te zijn aan de vorderingen, dewelke dit
comptoir ten hunnen laste heeft [1102]."
Bonham leefde eenigen tijd in de verbeelding, dat de oppositie
tegen Bents commissie gebroken was. Met welgevallen schreef hij
den 25 September 1813 aan Earl Bathurst, dat nu alle tegenstand had
opgehouden en als een goed gevolg van den invloed van Bent berigtte
hij, dat verscheidene personen, die hunne slaven zeer wreed behandelden
door Bent waren bewogen geworden, om een beter systeem aan te nemen;
en hij had dan ook de hoop, dat hierdoor niet slechts die ongelukkige
schepselen, maar de geheele kolonie zoude worden gebaat [1103]. Bonham
vergiste zich echter zeer. De onwil omtrent Bents commissie bleef in
Suriname bestaan; omdat men echter begreep, dat protesten die aan
Bonham gedaan werden, weinig zouden teweeg brengen, hield men zich
eenigen tijd stil, doch intrigueerde zoo veel te meer in stilte.
De kolonisten zochten sommige Engelsche kooplieden tot bevordering
hunner belangen over te halen en dit gelukte hun.
De laatstgenoemden ondersteunden het verzet der Surinaners bij de
Britsche regering, ter opschorting of opheffing van Bents commissie,
die, volgens eene petitie door 40 administrateurs onderteekend,
zoo nadeelig voor de kolonie was, dat--indien Bents commissie in
haar geheel werd uitgevoerd, de kolonie zoude worden geruïneerd. Men
trachtte deze bewering te staven, door aan te voeren: 1o. dat door
Bent overal eerst in te moeten kennen, vele vertragingen werden
veroorzaakt, ja de handen als gebonden waren; 2o. dat de aan Bent
verleende magt veel te groot was, en 3o. dat de slaven, die vrijheid
hadden, om zich op Bent te kunnen beroepen, daardoor het vereischte
ontzag voor hunne meesters uit het oog verloren. Verder beklaagde
men zich in diezelfde petitie over de gestrenge maatregelen door den
Gouverneur genomen tegen Vlier en de Rives, waarbij hij tevens de
wetten der kolonie had verkracht [1104].
Tegenover dit ongunstig getuigenis van Surinaamsche administrateurs
staat dat der door de Regering benoemde commissarissen Fagel en Penn,
in een brief dato 29 November 1813 aan George Hamilton, Esq. omtrent
Bents commissie afgelegd.
Deze heeren toch verklaarden, dat hun uit de ontvangen stukken en
statistieke opgaven enz. duidelijk bleek, dat John Bent met ijver en
naauwgezetheid zijn pligt vervulde. De door hem ingeleverde staten
waren in behoorlijke orde en muntten door naauwkeurigheid uit. Men
verkreeg ook daardoor een goed overzigt over den toestand der cultuur,
enz.
De suiker-plantaadjes bleven zich goed staande houden, doch de
koffij-plantaadjes vervielen, vooral was het lot der slaven op de
laatsten zeer beklagenswaardig, want zij werden er geheel verwaarloosd.
Fagel en Penn stelden het Britsch Gouvernement voor, om in plaats
van de magt van Bent te bekorten, die te vermeerderen, en zoo verre
uit te breiden, dat hij beter in staat zou zijn de mishandelingen der
slaven en hunne verwaarloozing tegen te gaan. Reeds nu had zijn invloed
gunstig gewerkt op de slaven zelf; gevlugte slaven waren door zijne
bemiddeling vrijwillig terug gekomen; doch hij had veel te strijden
tegen den onwil der Directeuren, die hem meermalen in zijne goede
voornemens belemmerden. Genoemde commissarissen verzochten het Britsch
Gouvernement, om geen acht te slaan op de klagten der Londensche
kooplieden te dezer zake. Dezen toch ontleenden hunne informatiën van
administrateuren en directeuren in Suriname, welke zeer den vroegeren
verwarden toestand, waarbij zij alleen belang hadden, terug wenschten
[1105].
Had de oppositie in Suriname schijnbaar eenigen tijd gerust; weldra
verhief zij zich tot eene onrustbarende hoogte. Het volgende geval
was hiertoe de voornaamste aanleiding:
De balansen en de gelden, behoorende aan twee boedels, namelijk van de
overledene F. Gomarus groot f 170,784:10--3 en van P. Bloeddoorn groot
f 27.000 berustten onder het bestuur der weeskamer. Bent vermeende dat
deze balansen en gelden mede onder zijn bestier moesten worden gebragt;
hij schreef er Bonham over, die zijne overtuiging deelde en daarom aan
het bestuur der weeskamer schreef, om die balansen en gelden aan Bent
over te dragen. Bonham wachtte vier maanden te vergeefs op antwoord;
den 3den Januarij 1814 rigtte hij zich op nieuw per missive tot bedoeld
bestuur en eischtte de overgave van papieren en gelden aan John Bent.
Het bestuur der weeskamer was van gevoelen, dat die overgave, door
hen niet kon geschieden, zonder eene finale kwijting en decharge van
de erfgenamen, aan wie het vervolgens te beslissen stond, of zij de
gelden al of niet aan Bent wilden overgeven, zoodat bestuurderen der
weeskamer niet aan het verlangen van den Gouverneur konden voldoen,
daar zij niet tegen hunnen eed en tegen de wetten der kolonie
vermogten te handelen. Bonham antwoordde kortelijk, dat hij met hunne
redenering niets te maken had, maar dat hij begeerde gehoorzaamd
te worden. De leden van het bestuur der weeskamer bleven echter
bij hunne weigering volharden. Die weigering was onderteekend door
C. G. Veldwijk, Raad-Fiscaal, J. Lolkens, 2de fiscaal, A. Melville,
Raad-Boekhouder-Generaal en verder door M. J. Schüster, D. Rochetan
en H. L. Pierre Gentil.
Bonham zag hierin eene opzettelijk wederstreven van zijne bevelen
en was daarom zeer vertoornd. Hij ontsloeg onmiddellijk den
boekhouder-generaal Melville en den 2de fiscaal Lolkens. In de
plaats van Melville benoemde hij M. van der Tanck, de betrekking
van 2de fiscaal bleef voorloopig onvervuld. Hij had gewenscht om
den raad-fiscaal Veldwijck te gelijk te ontslaan, maar kon niet zoo
dadelijk een voor dit ambt geschikt persoon vinden. Toen echter eenige
dagen later Schüster, een regtsgeleerde, die wel de weigering mede
had onderteekend, doch later zijn spijt over deze daad in een brief
aan Bonham te kennen gaf, dacht Bonham deze zwarigheid opgelost te
zien, en ook Veldwijck werd ontslagen en Schüster voorloopig als
raad-fiscaal aangesteld [1106].
De strenge maatregelen troffen echter geen doel.
De uit hunne ambten ontslagen fiscalen en de boekhouder-generaal waren
ook wel vroeger tegen de commissie van Bent geweest; doch tijdens zij
hunne ambten bekleedden waren zij meer gebonden. Nu echter wierpen
zij zich in de armen der ontevreden partij. Ook bij het hof, dat
zich een tijd lang stil had gehouden verhief zich de oppositiegeest
tegen de gestrenge maatregelen van het Gouvernement. Bonham liet
zich echter door niets afschrikken; hij belegde eene buitengewone
vergadering van het hof, die ook door personen, tot zijnen staf
behoorende, werd bijgewoond; hier, in eene korte en bondige rede,
hield hij allen hun pligt voor, om de bevelen van den Souverein en
diens vertegenwoordiger in de kolonie te gehoorzamen; terwijl hij
hun, die hierin nalatig bleven, met ontzetting uit hunne betrekking
bedreigde. Men begreep dat Bonham woord zou houden en de bedreiging
volvoeren, zoodat het hof, ofschoon gedwongen, toegaf [1107].
Veldwijk diende een rekwest bij Bonham in, welke hem antwoordde, dat
hij op zijne bekwaamheid niets had aan te merken; dat hij evenwel
ontevreden was over zijn gedrag op den 31sten Mei 1810, op welken
dag hij, in plaats van het Hof met den Gouverneur te verlaten, was
achter gebleven, zeker niet met goede oogmerken, en dat hij sedert
dien tijd dikwijls over gebrek aan ijver en waakzaamheid door hem
(Bonham) was berispt geworden; doch dat de eigenlijke reden voor zijn
ontslag was: zijne weigering in de kwaliteit van weesmeester om de
bevelen van den Gouverneur te gehoorzamen. Bonham kon dus niet op
zijn genomen besluit terug komen, maar aan Veldwijk stond het vrij
zich deswegens tot het Britsch Gouvernement te wenden [1108].
Daar Bonham niet toegaf, wendden zich de afgezette ambtenaren per
rekwest tot Lord Bathurst. In deze rekwesten verdedigden zij hun
gedrag omtrent de zaak der weeskamer en beklaagden zich over hun door
Bonham willekeurig gegeven ontslag [1109]. D. J. Wernink, Hollandsch
predikant te Londen, en Steenbergen, koopman, vroeger te Amsterdam
thans mede in Londen woonachtig, ondersteunden deze verzoekschriften
bij de Britsche regering.
Behalve genoemde petitiën kwamen op nieuw twee rekwesten tegen
Bents commissie, uit Suriname, bij het Britsch Gouvernement in. De
hoofdinhoud der rekwesten was: dat men de Britsche regering verzocht,
om zoo zij de maatregelen omtrent de verhypothekeerde plantaadjes
volstrekt wenschte door te zetten, het beheer aan eene commissie en
niet aan een enkel persoon op te dragen. Een dezer rekwesten was
door vier, het andere door vier en tachtig personen onderteekend
[1110]. Het Britsch Gouvernement leende ten deele gehoor aan deze
klagten en aan Bonham werd bevolen, dat hij de gemoederen niet door
noodelooze gestrengheid nog meer moest verbitteren, maar integendeel
trachten moest om ze door inschikkelijkheid tot verzoening te brengen.
In Europa waren intusschen belangrijke gebeurtenissen voorgevallen:
Napoleon was genoodzaakt geworden Frankrijk's troon te verlaten
en zich met de souvereiniteit van het eiland Elba te vergenoegen;
de volkeren, die een zoo geruimen tijd onder het juk des Franschen
heerschers hadden gezucht, erlangden hunne vrijheid weder en ook
Nederland herkreeg zijn volksbestaan.
Deze groote gebeurtenissen oefenden mede invloed uit op de verdere
handelwijze der Britsche regering in Suriname.
Daar de Britsche regering begreep, dat haar bewind over Suriname
waarschijnlijk van korten duur zou wezen, wilde zij een maatregel,
dien zij voornamelijk in het belang der crediteuren had genomen,
doch die zoo veel tegenkanting in de kolonie ondervond, niet langer
doorzetten, en zij besloot de commissie van Bent op te heffen.
Bonham gaf bij proclamatie van 8 Junij 1814, daarvan den volke kennis:
»Naardien Zijne Majesteits minister ons door de paquet, hebben
gecommuniceerd, dat het Zijne Majesteit had behaagd, uit aanmerking
van de »groote gebeurtenissen onlangs in Europa voorgevallen,"
om de commissie van den ontvanger en bestierder van eigendommen van
afwezigen op te schorten, met last op gezegde ontvanger en bestierder
der eigendommen welke hij, uit krachte van voorschreven commissie
onder zijn bestier mogte hebben, weder over te geven. Zoo gelasten
en beveelen wij bij deezen allen en een iegelijk dewelke ter zaake
voorsz. met gezegden ontvanger en bestierder, de mede-administratie
hebben, of wie zulks anders zoude mogen aangaan, zich ter zijnen
kantore te vervoegen, ten einde hunne respectieve rekeningen zoo
spoedig mogelijk te vereffenen, opdat de verder aan hem gegevene
beveelen, ten volle kunnen worden gehoorzaamd, zullende op vertooning
van zijn certificaat ter gouvernements secretarye, dat die vereischtens
nagekomen zijn, de sequestratie van alle zulke eigendommen dadelijk
ontheven worden.
En opdat niemand, van deze onze proclamatie eenige onkunde zoude
kunnen voorgeven, zal dezelve alom worden gepubliceerd en geaffigeerd
ter gewoone plaatse, en van plantagie tot plantagie rondgezonden.
Gegeven te Gouvernementshuize in de kolonie Suriname, deze den 8ste
Junij 1814, en in het 54ste jaar Zijner Majesteits regering.
P. Bonham" [1111].
Bonham ontving eene berisping van zijn gouvernement over zijn gedrag en
werd op nieuw aanbevolen om op verzoenende wijze te werk te gaan. Hij
antwoordde daarop en verdedigde zijn gehouden gedrag in een brief
aan lord Bathurst dato 12 Junij 1814. Hij betuigde in dien brief,
dat gestrengheid niet in zijn karakter lag; dat hij niets liever
wenschte dan met ieder in vrede te leven; doch, dat de vervulling van
zijn pligt jegens de Souverein hem hooger ging. Die pligt schreef
hem voor: 's Konings bevelen te doen gehoorzamen, en hoewel hij de
wetten der kolonie in ernst wilde handhaven, had hij zich soms in
de noodzakelijkheid bevonden, om die wetten ter zijde te stellen,
daar ze de uitvoering van 's Konings bevelen onmogelijk maakten en
tot eene doode letter zouden hebben verlaagd. Hij had veel goeds van
Bents commissie verwacht, en ze daarom krachtdadig bevorderd; maar
had hierbij tevens zoo veel tegenstand ondervonden, dat het leven
hem sints dien tijd, met regt moeijelijk was gemaakt; zelf was hij
genoodzaakt geworden, om personen, die dagelijks aan zijne tafel aten,
het huis te ontzeggen; hoe hij belasterd en beleedigd was zou Bent,
die den 18den Julij uit Suriname naar Engeland zou vertrekken, den
minister kunnen mede deelen.
Wat de zaak omtrent de Weeskamer betrof, verklaarde hij, lang geduld
te hebben geoefend; maar daar men steeds in het geheim beraadslaagde
en de geheele toeleg van het bestuur was om onder een schoonschijnend
voorwendsel, Bents commissie tegen te werken, was hij tot het nemen
van krachtige maatregelen genoodzaakt geworden. Hij erkende, dat hij nu
en dan wel een hoogen toon had gebezigd, die ongetwijfeld in Engeland
zelf ongerijmd ware geweest, »maar" zoo vervolgt hij: »de lieden
hier zijn zoo onwetend en tevens zoo hardnekkig, dat zij, zelfs voor
hun eigen welzijn, in toom moeten worden gehouden (the people here,
who are very ignorant, proverbially obstinate and must be driven in
to measures, even for their own benefit). Bonham zou echter, volgens
verlangen van den minister, toegeven waar dit eenigzins mogelijk was.
Bonham gaf dan ook weldra een bewijs van zijne verzoenende gezindheid
door Lolkens den 20sten Augustus 1814 in zijn ambt als 2e fiscaal
te herstellen. Deze heer had hier echter weinig genot van, daar hij
reeds drie dagen daarna, den 23sten Augustus overleed [1112].
Thans verder te gaan vermeende Bonham ongeraden te wezen, daar dit
eene zekere zwakheid zou verraden [1113]; doch de Britsche regering
bleef bij hem aanhouden om nog meerdere stappen van verzoening te
doen. Bonham gaf toe en ook Taunay werd weder als raad van policie in
het Hof toegelaten; terwijl twee actiën, welke Bonham tegen hem had,
niet vervolgd werden. »Maar wat is hiervan het gevolg?" schreef Bonham
later aan lord Bathurst en hij zelf beantwoorde deze vraag door te
vervolgen: »datgene wat immer bij zulk onwetend en laatdunkend volk
het geval is: hij denkt nu dat ik bang ben om hem te straffen en hij
begaat eene nieuwe beleediging, waarvoor hij nu lijden moet."
Deze hier bedoelde beleediging bestond daarin, dat toen Taunay op
nieuw in het Hof was toegelaten, hij daar volhield, dat hij vroeger
goed had gehandeld en onwettig geschorst was. Bonham achtte deze
stijfhoofdigheid eene beleediging hem als Gouverneur aangedaan, en
de zaak werd mede door het Hof alzoo beschouwd en Taunay in staat van
beschuldiging gesteld, daarna formeel als lid ontslagen en onbekwaam
verklaard, verder een ambt te bekleeden en daarenboven verwezen tot
eene geldboete van f 12,750-- en de kosten van het proces.
Bonham vond deze straf bij lange na niet zwaar genoeg doch daar het Hof
dit vonnis als hoogste geregtshof, had gewezen, had de Gouverneur als
partij zich wel buiten beraadslagingen gehouden, maar het als president
moeten onderteekenen. Hij beklaagde er zich bij lord Bathurst over,
dat men te Londen op slechte informatiën afging; »want," schrijft hij:
»ware dat niet het geval geweest, dan zouden de heeren Barry and Broth
Taunay nimmer een gentleman of high respectability hebben genoemd,
daar hij zoo iets niet is en daarenboven over het algemeen als de
wreedste man in de kolonie bekend is" [1114].
Toen bepaald was, dat Suriname weder aan Nederland zou
worden teruggegeven, wendden Taunay en Winkelbach zich tot den
Nederlandschen gezant te Londen Fagel en bragten hier hun beklag
over Bonham uit. Fagel zond die rekwesten aan de Britsche regering
en antwoordde, dat hij geloofde, dat Bonham de grenzen zijner
magt verre had overschreden, doch dat hem zou gelast worden nadere
informatiën te geven. Na het ontvangen van dit bevel gaf Bonham aan
lord Bathurst het berigt: dat hij bij zijne komst in Engeland alle
papieren desbetreffende zou medebrengen, en dat het dan zou blijken,
dat hij goed had gehandeld [1115].
Hiermede eindigt onze mededeeling betreffende de Bents commissie,
die zoo veel gerucht in de Surinaamsche wereld maakte. Wij hebben
ze verhaald, zoo als ze ons uit de officieele bronnen, berustende
op Her Majesty's State Paper Office en door particuliere berigten,
is bekend geworden.
Is het gedrag van Bonham welligt niet in alles geheel van willekeur
vrij te pleiten, is b. v. zijne handelwijze tegenover het bestuur
der weeskamer niet van willekeur vrij te pleiten, zoo kunnen wij hem
niet te hard vallen, indien men de moeijelijkheden en de heftigheid
van den tegenstand beschouwt, dien hij bij de uitvoering van deze,
door zijnen souverein bevolen maatregel ondervond, terwijl men verder
onpartijdig oordeelende, moet erkennen, dat de Britsche regering
bij de instelling van Bents commissie uit edele beweegredenen heeft
gehandeld en dat geen baatzuchtig eigenbelang maar opregte begeerte
om de regten der hypotheekhouders te beschermen, hare drijfveer
was. Al neemt men voor een oogenblik aan, dat de Britsche regering
in de keuze harer middelen heeft gedwaald, dan nog heeft zij ter
goeder trouw gedwaald. Wij gelooven echter dat het controleren der
administrateurs eene zeer goede zaak was, en wij beroepen ons hierbij
op de getuigenis van een man, die als Nederlandsche staatsman zich een
welverdiende roem heeft verworven, en die later een plan voorstelde,
dat veel overeenkomst met Bents commissie had [1116].
De tijd naderde intusschen dat Suriname weder onder het bestuur van
Nederland zou komen. Reeds in Junij 1814 werd de tijding in Suriname
ontvangen van den tusschen Groot-Brittanje en Frankrijk gesloten
vrede; in Augustus van het zelfde jaar ontving men de parlements
acte, waarbij de handel tusschen de Vereenigde Provinciën (Nederland)
en een gedeelte van Z. B. M. koloniën werd toegestaan. De officieele
vertaling dier acte luidde aldus: »Naardien het is dienstig geoordeeld
geworden, om in de tegenwoordige omstandigheden aan de onderdanen van
de Vereenigde Provinciën te vergunnen handel te drijven met de coloniën
Suriname, Demerary, Essequebo, Berbice, Curaçao, St. Eustatius, Saba
en St. Martin, in Amerika en de West-Indiën, welke voorheen behoord
hebben aan het gouvernement van de Vereenigde Provinciën, doch zich
hebben overgegeven aan Zijner Majesteits wapenen en thans in het bezit
van Zijne Majesteit zijn; zoo is 't, dat Zijne Koninglijke Majesteit,
op den raad en in overeenkomst met de Geestelijke en Wereldlijke Lords,
en de leden van het Lagerhuis, in dit tegenwoordig Parlement vergaderd,
en op derzelver Authoriteit heeft besloten: Dat van en na het passeeren
van deze acte alle onderdanen van de Vereenigde Provinciën, en aldaar
woonachtig, in eenig schip of vaartuig gebouwd in het gebied van de
Vereenigde Provinciën en aankomende onderdanen van de Vereenigde
Provinciën, en bevaren wordende door een kapitein en drie vierde
gedeelte der matrozen, onderdanen van gezegde provinciën zijnde of
in eenig Brittannisch gebouwd schip of vaartuig aankomende en bevaren
wordende volgens de wet, wettiglijk zullen kunnen en vermogen invoeren
in voornoemde coloniën van de Vereenigde Provinciën, en uitvoeren naar
de Vereenigde Provinciën, en niet direct naar eenig ander plaats,
alle zulke goederen, waren en koopmanschappen, als men volgens de
wet in de voornoemde coloniën mogen worden ingevoerd, of nu volgens
de wet uit de voornoemde coloniën van Groot-Brittanien mogen worden
uitgevoerd, doch geene andere goederen, waren of koopmanschappen hoe
ook genaamd, tegen betaling in alle gevallen van dezelfde imposten als
door Brittaniesche onderdanen in gezegde eilanden of coloniën moeten
betaald worden, zich verbindende aan dezelfde verbanden en dezelfde
voorwaarden en schikkingen nakomende, als bij den invoer van, en de
uitvoer naar Groot-Brittanie plaats vind, niettegenstaande een acte,
gepasseerd in het twaalfde jaar van de regering van Zijne Majesteit
Koning Karel de tweede, ten titel hebbende: Acte ter aanmoediging en
vermeerdering van verzending en zeevaart, of in eenige andere acte
hiertegen strijdende; onder beding echter, en het zij verder besloten,
dat den kapitein of bevelvoerder van elk zoodanig schip of vaartuig
zal vertoonen aan de behoorlijke officieren van de Tol, in de haven
van invoer en uitvoer, een vergunningsbrief van de Brittanische
Minister resideerende in de Vereenigde Provinciën, authoriseerende
het schip of vaartuig, om gezegde reis voort te zetten ten opzigte
van zoodanige invoer en uitvoer; op straffe van verbeurdverklaring en
boete als bij gezegde acte op het verbreken van de wet op verzending
en zeevaart van Zijne Majesteits Koloniën bepaald is" [1117].
Van deze vergunning werd spoedig gebruik gemaakt en, op Vrijdag
den 23sten December 1814, arriveerde, ter reede van Paramaribo,
het eerste Hollandsche schip, direct van Amsterdam, zijnde: de
Surinaamsche vrienden, kapitein C. Kraay; en weldra werd dit door
andere gevolgd. Ook de sedert eenigen tijd, door het uitbreken van
oorlog tusschen Noord-Amerika en Engeland, gestoorde Amerikaansche
handel werd hersteld, daar de vrede tusschen de beide rijken den
24sten December 1814 werd geteekend [1118].
De handel van Suriname met het moederland was alzoo hersteld en de
tijd naderde tot eene vernieuwde vereeniging tusschen de kolonie en
Nederland. Het Britsch gouvernement handelde met de Nederlandsche
regering aan welke weldra Suriname zou worden overgegeven, in
overeenstemming en droeg haar nu reeds de bevordering van Suriname's
belangen op. Do. van Esch was in den aanvang van 1813 overleden, en
Bonham deed daarop bij zijn Gouvernement aanvraag voor een persoon
ter vervulling van het opengevallen ambt. De Britsche regering zond
die aanvraag aan Fagel, Nederlandsch Gezant te Londen; deze benoemde
hiertoe den heer Uden Masman, die kort daarop naar Suriname op reis
ging [1119].
Verscheidene min of meer belangrijke depêches of verslagen of petities
uit Suriname aan het Britsch bewind gezonden, werden aan onzen Gezant
ter hand gesteld. Onder deze laatstgenoemde kan die der ingezetenen
uit het district Nickerie wel eene der belangrijkste worden genoemd.
In genoemd district waren de meeste eigenaars van plantaadjes
Engelschen, die zich na 1799 aldaar hadden gevestigd (zie
bladz. 535). Reeds in 1813 had de Gouverneur van Demerary Gordon een
voorstel gedaan, om het district Nickerie bij Demerary te voegen;
daar het ver van Paramaribo en in het geheel ver van de oude kolonie
(Suriname) was gelegen, doch Bonham in wiens handen dit voorstel toen
werd gesteld, was hier zeer tegen. Hij antwoordde, dat Nickerie veel
beloofde; dat de vaart van Paramaribo tot Nickerie over zee geene
groote moeijelijkheden opleverde en dat daarenboven de weg over
land werd verbeterd. Hij geloofde, dat dit voorstel voornamelijk
was uitgegaan van sommige planters van Berbice, die kale, zandige
plantaadjes hadden en begeerig uitzagen naar den vetten grond van
Nickerie. [1120] Overeenkomstig den raad van Bonham was dit voorstel
door de Britsche regering van de hand gewezen.
Thans verzochten de inwoners van Nickerie in hunne petitie, om,
zoo het al niet mogelijk ware, met Demerary en Berbice te worden
vereenigd, dan toch door bemiddeling van het Britsch Gouvernement
bij den koning der Nederlanden te bewerken, dat hun wederkeerig
dezelfde vrijheid zou worden verleend, als door de Britsche regering
aan de Hollandsche bewoners der onder het Britsch bestuur blijvende
koloniën Demerary en Berbice was toegestaan, namelijk: vrijen invoer
hunner benoodigdheden, uit- en vrijen uitvoer hunner producten, naar
de Britsche koloniën in de West-Indië of van Engeland, in Engelsche
schepen. Als drangreden tot hun verzoek voerden zij aan, dat zij door
den verren afstand van de oude kolonie immer verpligt waren geweest
met Demerary en Berbice handel te drijven. (De overtogt van Nickerie
naar de Berbice geschiedde in 5 uren, voor dien naar Paramaribo had
men 6 à 7 dagen noodig). Hun bestaan hing van deze vergunning af. Zij
betreurden dat het Britsch bestuur hen niet verder beschermen kon: zij
waren meest oorspronkelijk Engelschen; zij hadden gelden tot in cultuur
brenging hunner gronden ontvangen van personen uit Londen, Liverpool,
Glasgow enz.; zij zouden zich eenzaam en verlaten gevoelen onder het
Nederlandsch bewind, waarop zij geene betrekking hadden, zoo als de
anderen in Suriname, enz. Deze petitie was door 7 personen (meest
Engelsche namen) onderteekend. Uit een hierbij gevoegden staat bleek,
dat in het District Nickerie waren: 6 koffij- en 14 katoenplantaadjes,
te zamen groot 13,000 acres, met eene slavenmagt van 1,528 personen.
Tot ondersteuning van dit verzoekschrift kwam mede bij het Britsch
bewind een stuk in van denzelfden geest door 18 planters en kooplieden
uit Demerary en Berbice onderteekend.
De Britsche regering trachtte hunne belangen bij den koning der
Nederlanden voor te staan en de koning stond hun de verlangde
voorregten toe. [1121]
Bonham had reeds vroeger zijne begeerte te kennen gegeven, om, wegens
familieaangelegenheden en redenen van gezondheid, voor eenigen tijd
naar Engeland terug te keeren; hij had daartoe verlof gevraagd en dit
verkregen, doch door de veranderde omstandigheden begreep hij, dat het
zijn pligt was hiervan geen gebruik te maken, en te wachten tot dat de
kolonie aan het Nederlandsch gouvernement zou zijn overgegeven. [1122]
Bonham gebruikte den tijd, dien hij nog als gouverneur van Suriname
in de kolonie doorbragt, om alles in behoorlijke orde te brengen. De
rekeningen zoowel van de koloniale fondsen als die van de souvereinskas
werden opgemaakt en gesloten. Bonham was ordelievend, trouw aan zijnen
koning en eerlijk in alles. Een blijk van dit laatste vinden wij
o. a. nog weder in het volgende: Bentinck had eenige gelden, die onder
het bestuur der weeskamer berustten, doch niet door de belanghebbenden
opgevraagd waren, doen deponeren in de kas der Modique lasten, maar
ze later in de souvereinskas overgebragt. Bonham zond een copie der
lijst van die aan verschillende personen toekomende gelden, waarvan
het totaal eene som van f 87,517:10:1529/60 bedroeg, naar het Britsch
gouvernement met de aanmerking, dat hoewel in 33 jaren hiernaar geen
navraag was geweest, die gelden toch niet aan den souverein behoorden,
maar dat hij ze gedeponeerd wilde laten, om ze terug te kunnen betalen
aan hen, die er regtmatig aanspraak op hadden; terwijl hij vermoedde,
dat, daar de vrede tusschen Nederland en Engeland nu hersteld was,
de belanghebbenden weldra hunne aanspraken zouden doen gelden. [1123]
Men begon langzamerhand toebereidselen te maken tot de ontruiming der
kolonie en trok alzoo de buitenposten in. Ten tijde der Engelsche
regering waren deze sterk bezet; gewoonlijk bevonden zich in de
kolonie twee regimenten. Toen Suriname aan de Hollanders zou worden
overgegeven, moesten de buitenposten afgelost worden. Daartoe
werden de compagniën kleurlingen en vrije negers der schutterij
geconsigneerd. (De compagniën blanken bleven in de stad).--De
kleurlingen gingen dan ook, op eigen kosten, de Engelschen op de
buitenposten aflossen, en bleven de krijgsdienst waarnemen, totdat de
Hollandsche militairen hen kwamen aflossen. Sommigen der compagniën
kleurlingen zijn drie maanden lang op de posten gebleven--en hebben
daardoor onmiskenbare blijken van hunne gehechtheid aan Nederland en
aan het Huis van Oranje aan den dag gelegd.
De Generaal-Majoor Willem Benjamin van Panhuijs werd door den Koning
der Nederlanden, Willem de eerste, tot Gouverneur van Suriname benoemd,
en een eskader, onder den Vice-Admiraal van Braam, met ongeveer 1000
man Nederlandsche troepen stak in zee om hem naar deze kolonie te
brengen [1124].
Van Braam arriveerde per fregat, met 250 man troepen, in het begin
van Januarij 1816; de nieuw benoemde Gouverneur van Panhuijs was
genoodzaakt geworden door bekomen avary, met het fregat, waarop hij
zich met de andere troepen bevond, in de Baai van Biscaye binnen
te loopen.
Daar van Panhuijs al de orders en overeenkomsten omtrent de overgave
der kolonie aan Nederland bij zich had, vermeende Bonham te moeten
wachten met de overgave der kolonie en de ontscheping van troepen
tot zijne aankomst.
Panhuijs kwam echter reeds den 26sten Januarij aan en nu werden
door Bonham de noodige toebereidselen voor het vertrek der Britsche
troepen enz. gemaakt en den 26sten Februarij 1816 werd Suriname aan
het Nederlandsch bewind overgegeven.
Het was een plegtig oogenblik toen de Engelsche vlag, die midden
op het Gouvernementsplein aan een hoogen stok woei, langzaam werd
nedergelaten, terwijl de Hollandsche driekleur even statig werd
opgeheschen; waarop een luid gejuich door het volk werd aangeheven
en het Oranje boven daverend door de lucht weêrgalmde.
Den juichtoon Oranje boven te hooren doet een Hollandsch hart goed,
en te kunnen vermelden, dat die juichtoon weder in Suriname uit
vrije borst werd aangeheven, is ons een hartverheffend genoegen;
wij verheugen ons met de geschiedenis tot dat tijdstip te zijn
genaderd. Bij het sluiten van het Engelsche tijdvak moeten wij evenwel,
daar wij steeds wenschen onpartijdig te zijn, bekennen, dat wij niet
met Teenstra en anderen instemmen, wanneer zij het Britsch bestuur
als nadeelig voor de kolonie beschouwen.
De Britsche regering heeft met matiging van de verkregen magt gebruik
gemaakt, en getracht de belangen van Suriname te bevorderen en tevens
die der Hollandsche geldschieters niet uit het oog te verliezen.
Dat door vroegere schrijvers een ongunstig en onregtvaardig oordeel
over het Britsch bewind is uitgebragt, gelooven wij voornamelijk te
moeten zoeken, in de omstandigheid, dat er zoo weinig bronnen tot
het regt kennen van dit tijdvak in Holland of Suriname aanwezig waren.
De officieele correspondentie tusschen de Engelsche Gouverneurs en de
Secretarissen van Staat van het Departement van Koloniën; verscheidene
brieven aan bijzondere personen; extracten van notulen van het Hof van
Policie omtrent belangrijke aangelegenheden; de uitvoerige memorien
van Heshuijzen; de rekeningen en balansen der verschillende kassen,
enz. enz. waren achtereenvolgens naar het Departement van Koloniën te
Londen overgemaakt en verder had Bonham bij zijn vertrek uit Suriname,
de overige papieren (every document in the English) mede naar Engeland
genomen »om," gelijk hij aan Goulborn, Esq., 2de Secretaris van Staat,
bij zijn aankomst te Londen meldde, »voor te komen, dat de Hollanders
kennis bekwamen van de met zekere personen in Suriname gehouden
correspondentie" (to prevent the Dutch gaining any information as to
our correspondence with Certain persons in Surinam.)
Deze papieren berustten thans op Her Majesty's State Paper Office
te Londen. Om zooveel mogelijk licht over het Engelsche tijdvak te
verspreiden, heb ik mij eene reis naar Londen getroost en aldaar is
mij het onderzoek dier belangrijke bescheiden toegestaan; terwijl
ik bij deze de diensten mij hiertoe door de Nederlandsche legatie
verleend, dankbaar gedenk, moet ik tevens erkennen, dat dezelfde
welwillendheid, die ik vroeger op 's Rijks Archief in 's Gravenhage
van den heer Archivarius en anderen ontving, bij de bewerking van
vroegere tijdvakken, evenzeer door mij genoten is van de ambtenaren
bij het Departement van Koloniën en het State Paper Office te
Londen. Nederlandsche en Britsche authoriteiten en ambtenaren
wedijveren in beleefdheid, om het onderzoek der officieele bronnen
gemakkelijk te maken, zelfs voor hem, die zich met zwakke schreden
en nog weinig geoefenden blik op het moeijelijk gebied van historie
waagt te begeven en die hierdoor moed erlangt om verder voort te gaan.