Van de optrede van Mr. Jan Jacob Mauricius als Gouverneur in 1742
tot zijne aftreding in 1751; overzigt van den toestand der blanke
en vrije bevolking te dien tijde enz.
Reeds in het tweede hoofdstuk (bladz. 105) en in het derde (bladz. 147
enz.) maakten wij met een enkel woord gewag van de aanvaarding van
het bestuur over Suriname door Mr. Jan Jacob Mauricius en van zijne
pogingen om vrede met de boschnegers te sluiten; wij willen trachten
hem nu iets nader in zijn bestuur dezer kolonie en in zijne betrekking
tot Suriname's vrije bevolking te leeren kennen.
In het tweede hoofdstuk spraken wij over de gedurige twisten die
tusschen de kolonisten en den Gouverneur heerschten, waardoor
de vooruitgang en de bloei van Suriname werden tegengehouden en
belemmerd. Deze twisten, voornamelijk door verwikkelingen na den
inval en de brandschatting van Cassard in 1712 ontstaan, waren
steeds in hevigheid toegenomen, daar zij gestadig nieuw voedsel
vonden; het verschil over de betaling der kosten van den bouw der
verdedigingswerken vooral was eene vruchtbare bron hiervan.
Gedurig kwamen de Gouverneurs, die de belangen hunner meesters, de
directeuren der »geoctroijeerde sociëteit", voorstonden, in botsing
met de kolonisten, welke, ofschoon meermalen onderling verdeeld,
zich somtijds vereenigden om den dienaar der Sociëteit tegen te
werken;--hij die zich aan de zijde des Gouverneurs schaarde, werd
door anderen verachtelijk een Sociëteits-man genoemd.--
Reeds in gewone tijden moet men meer dan gewone bekwaamheid
bezitten om eene kolonie als Suriname te besturen, maar wanneer
de storm der hartstogten door buitengewone omstandigheden gewekt,
loeide, dan waarlijk werd eene mate van geestkracht, helderheid en
schranderheid vereischt, welke men zelden in een persoon vereenigd
aantreft. Moeijelijk was het een dergelijk persoon te vinden, die
tevens genegen was om de gansch niet benijdenswaardige betrekking
van Gouverneur op zich te nemen, zoodat Directeuren der Sociëteit
zich gelukkig achtten toen Mr. Jan Jacob Mauricius zich de op hem
uitgebragte keuze, hoewel na eenige aarzeling, liet welgevallen. Men
verwachtte veel van Mauricius, misschien waren de verwachtingen
deswege wel wat te hoog gespannen,--want hoewel hij zich reeds in vele
belangrijke betrekkingen gunstig onderscheiden had, waren deze meer
geschikt geweest om zijne staatkundige bekwaamheden te doen uitkomen
dan wel die, welke den regent kenmerken. Staatsman of regent verschilt
nog zoo veel. Men vindt zoo weinig mannen als onze Willem de Derde,
de beroemde verdediger der Protestantsche vrijheden.
Waren de verwachtingen misschien te hoog gespannen,--de bekwaamheid
van Mauricius wordt algemeen ook door latere geschiedvorschers
erkend. Reeds op jeugdigen leeftijd gaf hij blijken van buitengewone
kennis; [178] na volbragte studiën trad hij op negentienjarigen
leeftijd in het huwelijk met Alida Pauw, en legde zich in de eerste
jaren van zijn huwelijk op den landbouw toe, eerst te Nijmegen,
daarna in de Beemster bij Purmerend. Door bewerking zijner vrienden,
tot schepen en pensionaris der stad Purmerend benoemd, aanvaardde hij
dit ambt en vervulde met ijver de pligten hieraan verbonden, zoodat
hij weldra tot gedeputeerde benoemd, als zoodanig ter vergadering
van de Staten van Holland en West-Vriesland afgezonden werd. Later
oogstte hij als Resident van den Staat der Vereenigde Nederlanden
bij den Neder-Saxischen kreits te Hamburg veel roem in, en bewees
den staat gewigtige diensten die door verhooging van jaarwedde erkend
en beloond werden, terwijl hij tevens in de verschillende plaatsen,
waar hij uithoofde van zijn ambt vertoefde, zich algemeen bemind wist
te maken en ieders hoogachting won. [179]
In Augustus 1742 vertrok Mauricius met zijn gezin, (hij was in 1737
ten derde male gehuwd en wel met jonkvrouw Johanna Maria Wreede, en
had bij haar en bij zijne vorige echtgenooten verscheidene kinderen)
naar de plaats zijner bestemming en kwam, na eene lange, doch gelukkig
volbragte reis, den 14 October behouden in Suriname aan, alwaar hij op
de meest vriendschappelijke wijze werd ontvangen door den aftredenden
Gouverneur Gerard van de Schepper, van wien hij de teugels van het
bewind overnam.
Vóór wij Mauricius handelende doen optreden, werpen wij eerst een blik
op de staatsregeling, regterlijke collegiën enz. in Suriname en geven
een overzigt van den toestand der blanke, en vrije kleurling-bevolking
te dien tijde, waardoor de op zich zelf staande feiten beter in hun
verband kunnen worden gevolgd.
Als grondwet, om het eens met een woord van onzen tijd uit te
drukken, werd het octrooi van 1682 door de Algemeene Staten aan de
W. I. Maatschappij verleend, beschouwd.
De »Geoctroijeerde Sociëteit van Suriname," die door overdragt van de
W. I. Maatschappij, in het bezit van Suriname was gekomen, had dezelfde
regten ontvangen, en was tot dezelfde verpligtingen jegens de kolonie
gehouden. [180] Volgens dat octrooi had wel is waar de Gouverneur de
hoogste magt in handen, maar was hij tevens gehouden bij belangrijke
zaken den Politieken Raad bijeen te roepen, in welken hij voorzat en
mede stem uitbragt. Die Politieke Raad, of gelijk zij genoemd werd:
»het Hof van Politie en Criminele Justitie", was niet slechts een
adviserend, maar tevens eenigermate een wetgevend ligchaam en een
regterlijk collegie.--Daar de grenzen tusschen adviseren en wetgeven
niet zeer juist afgebakend waren, ontstonden hierdoor meermalen groote
moeijelijkheden, ja zelden kwam iets belangrijks zonder voorafgaand
verschil tot stand. De Raden vermeenden steeds, dat hun met den
Gouverneur de regering toekwam, en de Gouverneur daarentegen, dat
het genoeg ware, zoo hij in zaken van aanbelang hun advies inwon,
en tevens waar de nood drong, op eigen gezag handelde.
Het Hof van Politie en Criminele Justitie bestond uit den Gouverneur
als Voorzitter, uit den Commandeur of Bevelhebber over de fortificatiën
en het krijgsvolk, die als eerste raad door de sociëteit aangesteld en
door den Souverein bevestigd werd, en uit negen onbezoldigde leden,
die volgens artikel XVIII van het octrooi, uit de aanzienlijksten,
verstandigsten en moderaatsten onder de kolonisten, voor hun leven
lang, beroepen werden. Een dubbeltal werd door de ingezetenen,
die »gehuisd en gehoofd", d. i.: die een eigen bezitting hadden en
hoofden van een gezin waren, gevormd, waaruit de Gouverneur de electie
had.--Bij resolutie van Gouverneur en Raden van 18 Julij 1719 was
vastgesteld, dat de Administrateurs en Directeurs van buitenlandsche
meesters, deel aan de verkiezing konden nemen; later werd die resolutie
weder ingetrokken.
De Joden hadden mede de bevoegdheid tot het uitbrengen hunner stem,
hetgeen voor dien tijd zeker iets zeer ongewoons was, en waartegen
de andere kolonisten meermalen hunne stem verhieven en o. a. in 1751
een vertoog inleverden.
Behalve de genoemde leden, had de Raad Fiscaal zitting in het hof,
echter slechts met eene adviserende stem.
Tevens was er een secretaris die de notulen hield, de sententiën
schreef, en een of meerdere gezworen klerken tot zijne dienst had.
Daar in den regel de Gouverneurs uit den militairen stand gekozen
werden en alzoo evenmin als de andere leden regtskennis bezaten,
oefende de Raad-Fiscaal, welke betrekking wel eenigermate met die van
den tegenwoordigen Procureur-Generaal overeen kwam, als de eenige
regtsgeleerde in die vergadering, daarop meermalen een grooten
invloed uit.
Het tweede regterlijk collegie, het Hof van Civiele Justitie, volgens
het 24ste Artikel van het octrooi door van Scharphuisen in 1689
ingesteld; [181] bestond mede uit den Gouverneur als Voorzitter en zes,
sedert 1744 uit tien, onbezoldigde leden, welke, uit een dubbeltal
door het Hof van Policie gevormd, door den Gouverneur verkozen werden.
De Raad-Fiscaal had als adviserend lid ook zitting in dit hof en
pretendeerde zelfs, na den Gouverneur, tot de voorzitting geregtigd
te zijn, welke pretentie tot velerlei verschillen aanleiding gaf,
te meer daar hij tot 1745 het ambt van exploiteur bij zijn fiscalaat
bekleedde, en als zoodanig door het hof als deszelfs dienaar, als
deszelfs ondergeschikte die zijne besluiten moest ten uitvoer leggen,
beschouwd werd.
Bij deze regtbank werden alle burgerlijke zaken afgedaan, en tevens
kon men bij haar appelleren over vonnissen, die hooger liepen dan de
som van f 100 tot f 250, en ter eerste instantie geveld waren door het
derde regterlijk collegie, namelijk dat van commissarissen van kleine
zaken, dat gewoonlijk »Subaltern collegie" genoemd werd, welks mede
onbezoldigde leden door Gouverneur en Raden werden aangesteld. Het
bestond eerst uit 6 leden en een oud raad van civiele justitie als
president, later is dit getal tot 10 vermeerderd, en een secretaris
daaraan toegevoegd.
Door dit collegie werd, gelijk reeds de naam aanduidt, de geringere
zaken hoogstens tot een bedrag van f 250 beregt.--In latere tijden
werd het opzigt over de gemeene weiden, waartoe vroeger afzonderlijke
personen waren aangesteld, aan dit collegie opgedragen.--Van vonnissen
hooger dan f 100 geslagen, kon men zich, gelijk reeds gemeld is, op
het hof van civiele justitie beroepen, en van die der beide anderen
kon men bij de Algemeene Staten revisie verzoeken.
Verder waren er commissarissen van de wees- en onbeheerde
boedelskamers, weesmeesters genoemd. Deze kamers waren drie in getal;
een voor de Christelijke, een voor de Portugeesch-Joodsche en een
voor de Nederduitsch-Joodsche gemeente. Voor iedere kamer had men
twee weesmeesters, een secretaris, tevens boekhouder en kassier en een
gezworen klerk. De ingezetenen moesten hun copy van hunne testamenten
over leveren. Een weduwnaar of weduwe kinderen hebbende, moest bij
een tweede huwelijk bewijs aan de weesmeesters geven, dat de kinderen
hun geregtigd aandeel verkregen, enz. enz.
Behalve deze genoemde hoven en collegiën had men het corps
burger-officieren, dat meermalen grooten invloed op de aangelegenheden
uitoefende.
De burger-officieren werden door Gouverneur en Raden aangesteld. Hun
was voornamelijk een zeker toezigt over de plantaadjes opgedragen. De
kolonisten waren verpligt hun jaarlijks het getal blanken en slaven,
die zich op de effecten bevonden en den ouderdom van twaalf jaren
hadden bereikt, op te geven. De kapiteins der burger-officieren waren
gehouden, daarvan verslag te doen aan het hof, opdat daarnaar de
hoofdgelden van allen geregeld en het getal der slaven, die tot het
werken aan de fortificatiën of tot het doen van boschtogten moesten
worden geleverd, bepaald worden. De burgers die tot het bewaren der
rust, tot het doen van boschtogten op de weggeloopen slaven, of tot
verdediging tegen een buitenlandsche vijand eene soort van militie of
schutterij vormden en van tijd tot tijd in den wapenhandel geoefend
werden, stonden onder de bevelen der genoemde burger-officieren. Zij
waren in compagniën verdeeld; iedere compagnie had een krijgsraad, de
lage burgerkrijgsraad genaamd, bestaande uit den kapitein, luitenants,
vaandrigs en de sergeanten. De hooge burgerkrijgsraad was zamengesteld
uit den Gouverneur, de raden van Politie, de kapiteins en luitenants;
bij afwezigheid dezer laatsten volgden de vaandrigs hen op.--Men
vindt in de geschiedenis hiervan echter weinig gewag gemaakt.
Werden de hier opgenoemde collegiën en het corps burgerofficieren uit
de inwoners benoemd, en dienden de leden daarvan de kolonie zonder
bezoldiging, gelijk het 24 artikel van het Octrooi zegt, »zonder
daarvoor eenige weddens of vergeldingen te genieten, maar alleen uit
liefde ten beste van 't gemeen," er waren ook bezoldigde ambtenaren,
dienaren der Sociëteit.
In de eerste plaats: de Gouverneur die door de Directeuren der
Sociëteit aangesteld werd, doch onder goedkeuring van de Algemeene
Staten van wie hij zijn lastbrief ontving en in wier handen hij
evenzeer als in die der Directeuren den eed van getrouwheid moest
afleggen: hij was voorzitter van politieke en militaire vergaderingen
en bezat de magt om pardon te verleenen. In gewigtige zaken was
hij gehouden den Raad van Policie bij een te roepen; terwijl hij de
bevoegdheid had, om, naar bevind van zaken, den hoogen militairen
krijgsraad te beleggen. Volgens zijne instructie was hij verpligt
de Hervormde Godsdienst te beschermen en voor te staan. Hij had tot
zijne dienst een particulieren secretaris, welke door de Sociëteit
bezoldigd werd, benevens eenige klerken enz.
De persoon die in rang op den Gouverneur volgde, was de Commandeur
die, onder hem, het bevel over de krijgsmagt en het opzigt over
de verdedigingswerken der kolonie had, terwijl hij daarenboven als
eerste Raad in het Hof van Policie en Criminele Justitie zitting nam,
en bovendien, bij het overlijden van den Gouverneur, bevoegd was het
bestuur ad interim, volgens resolutie der Sociëteit, op zich te nemen;
hetgeen hem echter, meermalen door de Raden betwist werd.
Hij had den rang van kolonel en maakte met de luitenant-kolonels,
majoors en verdere officieren den kleinen militairen krijgsraad uit,
alwaar de Raad-fiscaal als Auditeur mede zitting had.
De onder hem staande krijgsmagt, wier sterkte zeer afwisselend was,
bestond uit infanterie en een klein corps artillerie. De militairen
waren op de forten Nieuw-Amsterdam, Zeelandia, Sommelsdijk en op
verscheidene posten in de rivieren verdeeld.--Ofschoon volgens het
27ste artikel van het octrooi het onderhoud der krijgsmagt en der
fortificatiën ten laste der Sociëteit moest komen, werd daarin van
tijd tot tijd, op voordragt der Sociëteit, door H. H. M. verandering
gebragt, echter niet zonder veel tegenstand van de zijde der
kolonisten. Door deze nadere bepalingen kon men rekenen dat, van
wederzijde, ieder de helft der kosten droeg.
De derde door de Sociëteit bezoldigde dienaar de Raad-fiscaal, die als
adviserend lid mede zitting in de beide hoven had, was den Gouverneur
als raadsman toegevoegd; hem was opgedragen om: »het regt der hooge
overheid alom waar te nemen, over de gansche kolonie, zoo te water
als te land." Daarenboven moest hij als Auditeur bij den Militairen
krijgsraad ageren.
Als Fiscaal werd hem toegevoegd een schout en twee policie-dienaren,
die uit de kas der modique lasten betaald werden.
Toen het exploiteursschap nog aan het Fiscalaat verbonden was, had
hij daartoe twee of drie substituten.
De secretarissen van de beide hoven, waarvan meestal de oudste in
bediening, in het Hof van Policie zat, fungeerden te gelijk als
notarissen en hadden ter hunner beschikking een boekhouder en eenige
gezworen klerken.--De secretarissen hadden geene vaste bezoldiging;
de oudste trok drievijfden, de jongste tweevijfden van de voordeelen
der secretarie.
Er waren verscheidene kantoren in Suriname als: van de inkomende en
uitgaande regten op de koopwaren; van de hoofdgelden voor de Sociëteit,
van de verkoopingen, en dat der modique lasten. De ontvangers der drie
eersten werden door de Sociëteit benoemd en bezoldigd, terwijl die
der modique lasten door den Gouverneur en de raden werd aangesteld,
en deze ontvanger was ook verpligt jaarlijks aan het Hof, met open
deuren, rekenschap zijner gehoudene administratie af te leggen.
Aan het kantoor der inkomende en uitgaande regten betaalde men
als lastgeld van de schepen, voor iederen scheepslast drie gulden
voor inkomende en evenveel voor uitgaande regten. Op alle goederen,
die uitgevoerd werden, werd eene belasting van twee en een half ten
honderd geheven, volgens het 4de artikel van het octrooi.
Om de juiste hoeveelheid der uitgevoerde suiker, waarvan de gezegde
belasting voornamelijk betaald moest worden, te constateren, was bij
placaat van 1693 een bepaald soort van vaten voorgeschreven, waarin
de suiker moest verzonden worden.
Om te zorgen dat aan deze bepalingen voldaan werd, waren er vier
keurmeesters voor de suiker- en een rooimeester van de melassievaten,
door den Gouverneur aangesteld.
Aan het kantoor der hoofdgelden moest jaarlijks van iederen blanke en
van iederen slaaf die boven de twaalf jaren oud waren, 50 pond en daar
beneden tot drie jaren, 25 pond suiker als hoofdgeld betaald worden,
terwijl kinderen beneden de drie jaren buiten rekening bleven. Voor de
planters en andere ingezetenen die geene suikerplantaadjes hadden, werd
de suiker tegen een stuiver het pond berekend,--dus voor de volwassenen
vijftig stuivers per hoofd en voor de kleinen vijf en twintig stuivers.
De in de kolonie pas gevestigde planters en hunne slaven waren voor
de eerste 10 jaren vrij van deze belasting, volgens het 3de artikel
van het Octrooi.
Aan het kantoor der verkoopingen was men vijf ten honderd van de
gekochte goederen verschuldigd; voor de uit Afrika aangebragte slaven
slechts 2 1/2 pCt. [182]
De inkomsten van het vierde kantoor, genaamd het kantoor der Modique
lasten, kwamen van verschillende zijden.
Van de vrijheid tot het oprigten van hetzelve, door het 29ste
Artikel van het octrooi verleend, schijnt men al vroeg gebruik te
hebben gemaakt, daar reeds bij placaat van 31 September 1682 aan
de herbergiers en die drooge gasterij hielden, gelast werd, hunne
verlofbrieven te vertoonen ten behoeve van de modique lasten. De
schippers waren gehouden eene lijst der natte waren, in hunne schepen
geladen, aan den ontvanger, onder eedsaflegging te vertoonen. [183]--De
ingezetenen betaalden zekeren impost van die waren; de herbergiers
voor hun verlofbrief tot de zoogenaamde groote tap aan den waterkant
f 600 en voor de kleine f 400, waarvan de helft aan het hospitaal en
de wederhelft aan het kantoor der modique lasten kwam; verder verviel
1/3 van de meeste boeten aan genoemd kantoor. Uit de inkomsten hiervan
werden de kosten van de vergaderingen der hoven en andere collegiën
betaald, en het onderhoud van de kerkendienst, der schoolmeesters
enz. Ter voorziening van de enorme kosten door de togten tegen de
weggeloopen slaven veroorzaakt, en ter betaling van de premiën, op
het vangen en dooden derzelve gesteld, werd jaarlijks eene heffing
over de geheele kolonie geslagen en deze mede door den ontvanger der
modique lasten ontvangen en verantwoord. [184]
Behalve de reeds genoemde ambtenaren, die òf door de Sociëteit, òf door
den Gouverneur, òf door Gouverneur en Raden aangesteld werden, had men
in Suriname nog 2 deurwaarders bij de hoven, 2 gezworen landmeters,
3 houtmeters, 1 keurmeester van het beestiaal en 1 beëedigde weger
op 's lands waag, benevens verscheidene adsistenten, klerken en
bedienden. [185] Over de begeving dier onderscheidene ambten was
meermalen verschil tusschen den Gouverneur en de Raden van Policie;
ook Mauricius had hierover groote onaangenaamheden te verduren,
hetgeen bij den toestand en inrigting der maatschappij aldaar, niet
te verwonderen was.
De blanke bevolking te Suriname bestond uit een mengelmoes van
verschillende Europesche natiën.
In de eerste plaats moeten wij de Nederlanders of afstammelingen van
Nederlanders vermelden, die òf om hun fortuin te maken, òf om andere,
soms weinig eervolle, redenen, genoopt waren geworden, om vaderland
en maagschap te verlaten.
Ten tweede, de Franschen of hunne afstammelingen. Reeds in de eerste
tijden der kolonie (zie bladz. 65-67) had een vrij aanzienlijk getal
Fransche vlugtelingen naar Suriname den wijk genomen; welk getal van
tijd tot tijd vermeerderd was.
Ten derde, waren ook vele Duitschers naar de kolonie gekomen. Daar
het getal blanken, in vergelijking met dat der negerslaven, zeer
gering was, had men van tijd tot tijd getracht de blanke bevolking
te vermeerderen; meermalen waren hiertoe pogingen in het werk gesteld
en oproepingen daartoe gedaan. [186] Germanjes zonen hadden aan deze
oproepingen in het bijzonder veel gehoor verleend. Vele Duitschers,
die Holland als een Eldorado beschouwden, namen den wandelstaf op,
verlieten hunne bergen en dalen, om aldaar hun geluk te beproeven. Mogt
het al aan sommigen gelukken, rijkdom en eere te verwerven, niet allen
slaagden even spoedig; doch de nijvere Duitscher liet zich hierdoor
niet ontmoedigen. In Holland hoorde hij van Suriname spreken; hij
vernam dat men daar gaarne Europeanen ontving; volgens de geruchten
kon men daar spoedig rijk worden, ten minste tot eenig aanzien komen,
slaven onder zich hebben en dus meester over anderen spelen--en
dergelijke vooruitzigten waren zoo streelend, zoo uitlokkend, dat hij
zich hiervoor gaarne wat moeite en ontbering getroostte en er eenige
kwade jaren voor over had; en--hij zocht gelegenheid om dat land te
bereiken, en in Suriname gekomen, werd hij doorgaans goed ontvangen,
op de eene of andere plantaadje als blankofficier geplaatst, van waar
hij weldra tot den rang van Directeur opklom en meermalen bezitter
van plantaadjes en slaven werd.
Er rezen zelfs wel eens klagten, dat de Duitscher boven den Nederlander
en inboorling voorgetrokken werd, welke klagt in latere jaren herhaald
werd. [187]
Dat onder eene zoodanig gemengde bevolking niet veel overeenstemming
bestond, valt ligt te begrijpen.--Kernachtig beschrijft Mauricius
dit in een brief aan de Staten-Generaal (Recueil van echte stukken
3de deel, bladz. 519).
»Wat de onderlinge genegenheid, harmonie enz. en in 't geheel de rust
en vrede der kolonie betreft, uw H. M. gelieve zich te erinneren
't geene ik in de derde depêche op de Requeste, § 2 gezegt heb van
den aart van 't land, en men moet altijd onthouden, dat het gros der
inwoonders der colonie bestaat uit een zaamenvloeisel van allerlei
natiën, waaruit profluceren vier natuurlijke gevolgen; 1e. dat velen
gebooren zijnde onder een Monarchale regeering, en nu hoorende,
dat ze onder eene vrije zijn, van de eene extremiteit tot de andere
springen, zich verbeeldende, dat de vrijheid bestaat in libertinage en
anarchie. 2e. Dat ten minste de meesten vreemd zijnde, geen Neêrlands
hart, en vervolgens geen patriotische sentimenten hebben, dewijl ze
Nederland niet voor hun vaderland houden. 3e. Dat tusschen lieden
van differente natiën onmogelijk die band van harmonie kan weezen,
die ordinair subsidieert tusschen uniforme landslieden, gelijk in de
Fransche en Engelsche coloniën en 4e. dat ze altijd animum revertendi
behouden en dus geen attachement hebben voor een land, 't welk ze
considereeren niet als een woonplaats van hen en hare kinderen,
maar alleen als een land van vreemdelingschap en passage. Men zou
hier remarques kunnen bijvoegen, die uit dezelfde source voortkomen,
vooral, dat vele zijn lieden òf zonder opvoeding, òf die in hun
vaderland niet hebben willen deugen, en vervolgens van godsdienst,
regt doch vooral van 't geen men orde, betamelijkheid en pudor noemt,
gansch geene of zeer verkeerde denkbeelden hebben. Zulke menschen raken
ligt in twist, en de minste twist is bitter en onverzettelijk. Echter
moet ik aan de ingezetenen alhier de justitie doen, dat ze, zoolang ze
in een minderen staat blijven, vreedzaam en buigzaam zijn, en zelfs,
hoe sterk aangezocht en opgeruid, altijd een aversie getoond hebben van
oproer; doch wanneer ze uit hun néant tot rijkdom of eere opklimmen,
draait hun doorgaans 't hoofd."
De vestiging der Portugesche Joden in Suriname hebben wij reeds vroeger
vermeld (zie tweede tijdvak). De meesten hunner waren niet onvermogend,
sommigen zelfs rijk; het getal der Joden vermeerderde in de achttiende
eeuw zeer sterk, zoodat zij weldra een derde gedeelte van de blanke
bevolking der kolonie uitmaakte. Onder de nieuw aangekomen bevonden
zich vele Hoogduitsche en min beschaafde Poolsche Joden, die veelal
in behoeftige omstandigheden verkeerden; om nu de kolonie niet met
verarmde ingezetenen te bezwaren, bepaalden de Staten, bij Resolutie,
dat alleen de Joden die genoegzaam vermogen bezaten om eigenaars eener
plantaadje te worden, zich naar Suriname mogten begeven. De Joden
waren bijna op gelijken voet met de volkplanters van de Gereformeerde
religie gesteld, hun was de toegang tot de meeste burgerlijke bedrijven
en bedieningen geopend, uitgenomen het werkelijk lidmaatschap der
regering of der regterlijke collegiën, maar daarentegen hadden zij
eene zekere autonomie of zelfs--regering; aan eene uit hun midden
verkozen burgerlijke vierschaar was de kennisneming en uitspraak van
schuldvorderingen en verbindtenissen, de som van f 600.-- niet te
boven gaande, verleend; mede had dit collegie het regt en de magt
om uit de kolonie diegenen hunner geloofsgenooten te verwijderen,
van welken zij eenig openlijk schandaal vreesden, en de Gouverneur
was gehouden, een door de regtbank op de Joden Savane geslagen vonnis
van politieke uitzetting, te doen uitvoeren. [188]
De Parnassyns werden als de wettige regenten der Joden
beschouwd. Behalve genoemde burgerlijke voorregten was hun volledige
vrijheid in kerkelijke aangelegenheid toegestaan, zelfs tot in 1703
werden de huwelijken onder hen, volgens de Rabbijnsche uitlegging der
Mozaïsche wet, zonder meer, als geldig gerekend; toen echter werd
bepaald, dat men voortaan bij de voltrekking van het huwelijk zich
volgens de politieke verordeningen, deswege bestaande, gedragen moest.
Hun Ascamoth of kerkelijke instellingen werden in den loop der 18de
eeuw, na door de Parnassyns der Amsterdamsche Gemeente te zijn nagezien
en aangevuld, door de Staten-Generaal en de directeurs der Sociëteit
van Suriname gewaarborgd.
De Joden waren ten gevolge van een en ander zeer in welvaart
toegenomen, zoodat van de 400 plantaadjes, die zich in 1730 in Suriname
bevonden, 115 in bezit der Joden waren. Op de meesten dier plantaadjes
werd suiker verbouwd. [189]
Tot de genoemde blanke bevolking kon ook nog gerekend worden het
garnizoen, hetwelk meerendeels uit een zaamgeraapten hoop van allerlei
volkeren van Europa was aangeworven, en met het vele scheepsvolk,
dat telkens in Suriname aankwam, door zwelgerijen en muiterijen,
tot een wezenlijken last voor de kolonie verstrekte.
Bij deze Europeanen of afstammelingen van Europeanen kwamen nog de
kleurlingen, die uit de gemeenschap der blanken met de negerinnen
geboren en somtijds vrijgegeven (gemanumitteerd) werden, en de negers
die ditzelfde voorregt verworven hadden. Deze van alle Europesche
natiën en verschillende geloofsbelijdenissen zamengevloeide massa
maakte in vereeniging met de in Suriname geboren blanken en gekleurde
(gemanumitteerde) lieden, de vrije bevolking van Suriname uit. Zij
kon gevoegelijk in zes klassen verdeeld worden als: Ambtenaars,
Militairen, Landbouwers, Handelaars, Ambachtslieden en personen zonder
bepaald beroep.
Ambtenaars: deze eerste klasse was in de eerste tijden der koloniën
niet zeer talrijk, daar de leden der beide hoven, die van het collegie
van kleine zaken en de burgerofficieren niet tot deze categorie kunnen
gerekend worden, daar hunne betrekkingen slechts honorabel waren. Hun
getal was echter langzamerhand aangewassen, gelijk wij straks bij de
vermelding der ambtenaren gezien hebben. Ofschoon zij in meerdere of
mindere mate als dienaren der Sociëteit konden beschouwd worden, en
over hunne benoeming meermalen hevige twisten ontstonden, was het er
toch verre van verwijderd, dat men hen als een aaneengesloten geheel
kon beschouwen; daar ook zij meermalen bezittingen in de koloniën
hadden of administratiën voor anderen voerden, waren hunne belangen
met die der overige ingezetenen vereenigd en meermalen behoorden zij
tot de bitterste vijanden van den Gouverneur, waarover o. a. in het
dagboek van Mauricius en in het »recueil van echte stukken" vele
klagten voorkomen.
De Militairen--geregelde troepen.--Hun getal moest eigenlijk uit
1200 man bestaan en twee bataillons uitmaken, maar zelden was die
sterkte voltallig en slechts een gedeelte kon in het veld gebruikt
worden; de groote sterfte zoo op de reis van Holland naar Suriname
als de nadeelige invloed van de luchtstreek, de vermoeijenissen van de
dienst in de bosschen en moerassen ter opsporing van gevlugte slaven,
verminderde hun getal aanhoudend.
Deze geregelde militaire magt bestond uit sommige zeer goede en bekwame
officieren, maar de soldaten, ofschoon zij zich soms dapper gedroegen,
behoorden, op eenige loffelijke uitzonderingen na, tot het uitschot
van de Europesche natiën.
Een klein corps Artilleristen werd als de keurbende beschouwd.
Landbouwers: daartoe behoorde het grootste gedeelte der blanke
vrije bevolking--de eigenaars van grootere plantaadjes vormden, in
zekeren zin, de aristocratie van Suriname;--van hen hing het grootste
gedeelte der overige vrije bevolking af--hunne directeurs en zelfs
de eigenaars van kleine plantaadjes zagen hun naar de oogen--en
daar uit hen overeenkomstig het octrooi, de Raden van Policie en
die van Criminele Justitie gekozen werden, oefenden zij eene soms
willekeurige magt, niet slechts over de slaven maar zelfs over de
van hen afhangende vrijen uit.--Als een bewijs van de tyrannische
handelwijze van dergelijke lieden en van de zotte verbeelding die
zij van het gewigt van het ambt van raad van een der beide hoven
hadden, deelt Mauricius, in zijne 5e. depêche tegen Duplessis, aan
de Staten-Generaal [190] het volgende voorval mede.
Aubin Nepveu, een jong practizijn en solliciteur voor commissarissen,
die de kost niet slechts voor zich zelven maar ook voor eene oude
moeder, drie zusters en een jonger broeder moest winnen, werd door
zekeren heer du Peyrou, burger-kapitein met nog acht andere burgers
gecommandeerd om een togt tegen de wegloopers te doen. Hij bragt
daartegen zijne bezwaren in, doch te vergeefs, daar men om zijn
attachement aan den afwezigen Fiscaal van Meel op hem gepiqueerd
was. Hierdoor geërgerd, geraakte hij in twist met den broeder des
burger-kapiteins, een Raad van Civiele Justitie, en liet zich, in
eene levendige woordenwisseling, de plompe uitdrukking ontvallen,
dat hij niets om hem gaf.--De heer Sandick, prov. Fiscaal, zwager
van genoemden Du Peyrou, attaqueerde hem over deze woorden en deed
den eisch, dat hij zou worden gegeeseld, gebrandmerkt, en met een
gloeijenden priem door de tong gestoken.
De fiscaal grondde dezen eisch op het volgende: »de heer Du Peyrou
is Raad van Justitie. De Raden zijn goden op aarde.--Ergo die een
Raad scheldt, begaat Godslastering."--
De eisch is echter niet toegewezen, en Nepveu is slechts verpligt
geworden, een formeel excuus te verzoeken.
Handelaars.--Als zoodanig konden in het algemeen wel alle planters
(landbouwers) worden aangemerkt, daar het verkoopen der producten welke
hunne plantaadjes opleverden, tot een voornaam deel van hun bedrijf
behoorde, maar behalve deze groothandelaars waren er verscheidenen
die winkels of magazijns hielden, waarin men alle mogelijke voorwerpen
vereenigd vond.
In dergelijke magazijnen waren boter, kaas, ham, worst, bijouterijen,
Neurenberger kramerijen, manufacturen, gemaakte kleederen, laarzen,
schoenen, hoeden, confituren, banket, allerlei keukengereedschappen,
huisraad, muziekinstrumenten, kanarievogels, alles door één gemengd
en opeengestapeld.
Ambachtslieden: Deze klasse te Paramaribo bestond meerendeels uit
kleurlingen; schrijnwerkers, timmerlieden en molenmakers waren
meestal vrij bekwaam.--Metselaars waren minder benoodigd, daar de
meeste gebouwen, behalve de fundamenten, van hout waren zamengesteld;
de smeden hielden zich slechts met grof werk bezig.
Fabrijken en trafijken werden niet in Suriname gevonden, en in het
algemeen was de industrie er niet zeer ontwikkeld; de meeste voorwerpen
van luxe moesten uit Nederland worden aangevoerd. [191]
Personen, zonder bepaald beroep: Tot deze nog talrijker klasse welke
in de laatste plaats genoemd wordt, kon men rekenen de vettewariers:
lieden die een soort van smokkelhandel dreven, geringere voorwerpen,
die den kooplust der slaven opwekten, te koop hadden, aan dezen dram,
enz. schonken, en gelagen hielden, ofschoon dit door placaten verboden
was en ook meermalen werd gestraft; zoo werd o. a. zekere Jan Pens,
die een drinkgelag had gehouden met 10 à 12 slaven, welke aldaar zaten
te drinken en uit lange pijpen te rooken, veroordeeld tot f 300 boete;
(Notulen Gouv. en Raden, 4 en 8 Nov. 1744) de ordonnans Schultz, die
een smokkelkroeg hield, werd den 29sten Junij 1748, volgens sententie
van den krijgsraad, gestraft met spitsroeden en gedegradeerd tot
gemeen soldaat [192]. Verder behoorden tot deze klasse de karrelieden,
de pontvoerders, enz., terwijl verscheidene vrije negers zich buiten
Paramaribo hadden gevestigd, waar zij zich met het aankweeken van kost
(banannen enz.) bezig hielden.
Een groot gedeelte der genoemde vrije bevolking woonde in Paramaribo
of zoo als men zulks in de kolonie noemde »het fort." Paramaribo
was in het midden der 18e eeuw, het tijdstip waartoe wij thans met
onze geschiedenis gevorderd zijn, niet meer het ellendige vlek,
dat van Sommelsdijk bij zijne aankomst vond en dat toen slechts uit
een vijftig hutten, meest smokkelkroegen, bestond;--het was spoedig
toegenomen. Zien wij in eene beschrijving van Paramaribo in 1680
[193] er nog slechts gewag van gemaakt als van een dorp van 50
à 60 huizen, reeds ten tijde van den inval van Cassard in 1712,
en dus groote dertig jaren later, lezen wij [194] van Paramaribo
als »omtrent 500 huizen groot, altemaal van hout gebouwd,--aan de
waterkant het meest met oranjeboomen beplant, dat een heel vermakelijk
gezigt geeft." Mauricius verklaart in een schrijven aan HH. M. [195]
dat het getal der huizen te Paramaribo gedurende den tijd van zijn
bestuur bijna een derde is vermeerderd--en uit zijn getuigenis en uit
de notulen [196] blijkt, dat de huizen gezamenlijk aldaar ongeveer
f 150,000 huur 's jaars opbragten en dat er onder waren die 20 à 30
duizend gulden waarde hadden. [197] Paramaribo was langzamerhand eene
geregelde stad geworden, voorzien van straten, grachten, pleinen, en
met verscheidene publieke gebouwen versierd, doch zonder poorten. Het
gouvernementshuis onder het bestuur van Jan de Goyer (1707 tot 1713)
reeds vergroot en onder de Cheusses (1728 tot 1734) gedeeltelijk
afgebroken en verbouwd, muntte onder de publieke gebouwen uit.
Het gemeentehuis, dat tevens voor Hervormde kerk diende, de Luthersche
kerk, die in 1744 begonnen, in 1747 voltooid werd, de kleine doch
nette synagoge der Portugesche Joden, in 1737 gebouwd [198] en eenige
andere publieke gebouwen strekten Paramaribo tot sieraad.
De straten der stad waren, met geringe uitzonderingen, regt, breed
en grootendeels met oranjeboomen, hier en daar ook met tamarinden en
andere boomen bezet. Verscheidene straten hadden verwelfde kanalen,
waarin het water kon afloopen;--hoewel ongeplaveid, waren zij door
rivierpuin of ballast en schelpgruis hard en vast; de Hollandsche
zindelijkheid was ook te Paramaribo zigtbaar.
Eenige grachten en open pleinen gaven eene zekere frischheid aan
de stad, terwijl tevens bijna overal tuinen bij de huizen werden
gevonden, waardoor de stad, naar evenredigheid harer bevolking,
eene vrij aanzienlijke uitgestrektheid had.
Van die tuinen werd echter niet veel werk gemaakt, zij bestonden
slechts uit eenige hier en daar verspreide ooftboomen, kokospalmen en
struiken, waartusschen eenige moeskruiden, door heggen van limoenboomen
of ander houtgewas omgeven.
De huizen waren meest allen van hout en van buiten en van binnen met
olieverw beschilderd.
Het uitwendige derzelver geleek wel eenigzins naar de huizen der
Zaansche dorpen. [199]
Het moet verwondering baren, dat men in eene stad als Paramaribo,
waar het gevaar van brand zoo groot was, niet reeds spoedig op
brandbluschmiddelen bedacht was, en toch lezen wij in de notulen van
Gouverneur en Raden van 18 Feb. 1745, dat een voorstel van Mauricius
na een brand, waardoor verscheidene huizen eene prooi der vlammen
werden, om eenige brandspuiten enz. uit Nederland te ontbieden, nog
veel tegenkanting ontmoette, ofschoon hij in zijne ter ondersteuning
van dit voorstel gehouden rede te regt aanmerkte, »dat de bewering,
dat het vuur hier niet zoo veel kracht had als in Europa nu contrarie
bleek";--het voorstel werd echter aangenomen en dienovereenkomstig
besloten, om hiervoor f 2500 beschikbaar te stellen en daarvoor
te laten komen »twee brandspuyten van de nieuwe uitvinding, soo
als die in Holland op waegentjes, tot gemakkelijk transporteren,
staende, werden gebruikt, die 40 of 50 voet hoog spuyten--100 leeren
brandemmers, 25 handhaaken, 12 brandladders van diverse lengte met alle
verdere tot blusschen van brand benoodigde matriaalen enz. zoo als
in het vaderland werden gebruykt,--welke alle sullen moeten gemaekt
en ingerigt worden naar die van het dorp Zaandam, welke gebouwen,
uitgenomen dat die alhier (Paramaribo) hooger zijn, veel connexie
hebben met die van Paramaribo."
Ter bestrijding dezer kosten werd bepaald, dat ze bij provisie uit
de kas der modique lasten zouden worden betaald, maar dat er tevens,
om ook hierin voor het vervolg te voorzien, onder goedkeuring der
Sociëteit, eene belasting op de huizen door de eigenaars te betalen,
zou worden geheven. Niettegenstaande deze bepaling duurde het nog een
geruimen tijd voordat Paramaribo van brandspuiten werd voorzien--de
kas der modique lasten liet die uitgaaf niet toe en over de belasting
zelve, kwam, als naar gewoonte, verschil; herhaaldelijk hooren wij
Mauricius in zijn dagboek hierover klagten aanheffen.
De aanstelling van klapperlieden of nachtwachts, die van dien zelfden
tijd dagteekent, voldeed ook niet aan de verwachting.
De gewone bouworde der huizen in Paramaribo was als volgt: op
steenen fundamenten werden de posten of het bindwerk van duurzaam
hout, b. v. bruinhart, bevestigd en tot omkleedsel diende kopie-hout,
terwijl de daken niet met pannen, maar met houten plankjes, singels
genaamd, bedekt werden.
De meeste huizen bestonden uit twee verdiepingen. Glasramen vond men
er weinig in; in plaats hiervan werden jalouzien of raampjes met gaas
of doek bespannen, gebruikt, de deur was meermalen om de koelte te
bevorderen, van los traliewerk gemaakt.
Behalve het hoofdgebouw waren er doorgaans eenige nevengebouwen, als:
keuken, bergplaats, negerwoningen, stallen enz., welke alle op eene
opene plaats uitkwamen.--Een duiventil of volière, een regenbak voor
de blanken en een put met water, dat dikwijls brak en onaangenaam
van smaak was, voor de slaven, voltooiden het geheel.
Zoogenaamde plaatsen van uitspanning waren er ten dien tijde zeer
weinig in Paramaribo. Als eene der voornaamste kon nog gerekend worden
de loge Concordia--een groot gebouw, in 1732 voor het eerst gebruikt,
alwaar behalve de vergaderingen der vrijmetselaars, ook concerten en
partijen gegeven werden.
Verder waren er toenmaals twee bekende herbergen--eene in de
Gravenstraat, van Middelhof, voor de aanzienlijken en eene andere,
waarvan zekere Valk gedurende het bestuur van Mauricius, eigenaar was,
voor de tweede klasse van ingezetenen, en dan nog eenige kleinere
kroegen.
Openbare wandelingen in den omtrek van Paramaribo vond men bijna niet,
maar wie drokte en levendigheid beminde, kon aan deze neiging voldoen,
door eene wandeling langs den waterkant, waar het gezigt op de reede
zeer fraai was en de menigte van komende en vertrekkende schepen
en de drokte tot het lossen en laden vereischt, een vrolijk en bont
tafereel opleverde.
In de woningen der aanzienlijken heerschte eene, voor dien tijd,
vrij groote pracht, doch men miste er doorgaans dien kieschen en
edelen smaak, die alles in harmonie weet te brengen, waardoor het
oog met zeker welgevallen op de voorwerpen van luxe rust.
Aan rijke meubelen in de eet- en gezelschapszalen ontbrak het niet,
ofschoon de andere kamers doorgaans eenvoudig waren en niet meer dan
het noodzakelijke bevatteden.
Op de tafels heerschte overdaad en verkwisting. Alles wat den smaak
streelen kon, tot welken prijs soms verschaft, was er in overvloed--en
aan zilver, porselein en vooral fraai glaswerk was geen gebrek.
Gingen de Surinamers een halve eeuw vroeger meest te voet, die
eenvoudige wijze der vaderen maakte weldra plaats voor de gewoonte
om van rijtuigen gebruik te maken. Reeds in 1748 [200] vermelden
de Commissarissen van kleine zaken, tevens opzigters der gemeene
weide, in hun verslag aan het Hof van Policie, »dat de liefhebberij
van rijtuigen en paarden zoodanig toeneemt, dat de bruggen en
wegen daardoor aanmerkelijk lijden en deden daarom een voorslag,
dien houders van rijtuigen en paarden eene hoogere belasting, dan
tot dien tijd door hen betaald was, op te leggen, daar zij," voegen
Commissarissen er bij, »hierdoor niet zouden gedrukt worden."
De vroeger eenvoudige kleederdragt werd spoedig ook door eene
prachtiger en kostbaarder, waarbij zijden en fluweel met gouden en
zilveren franjes, gouden knoopen en gespen niet ontbraken, vervangen.
De grootste luxe in Paramaribo bestond echter in het aantal slaven,
welke als huisbedienden in de voornaamste huizen gevonden werden. Het
getal dier slaven bedroeg meermalen 20, 30 ja 50 en meer; dat deze,
die geen genoegzame bezigheid hadden en voor wie geen gelegenheid
tot hoogere oefening des geestes bestond, lui en dartel werden,
was te begrijpen.
Mauricius, die in zijne verantwoording aan HH. M. [201] getuigt, dat
hij zich geen enkel geval van eenige noemenswaardige baldadigheid,
veel minder moorden door slaven in Paramaribo bedreven, weet te
herinneren, erkent het andere, maar geeft, onzes inziens, te regt de
schuld daarvan in de eerste plaats aan de blanke bewoners, »die een
onnutten sleep van een legioen huisslaaven en slaavinnen houden, die
geen occupatie hebbende, slaapen, zuipen, speelen, kwaaddoen" en wier
ijdelheid, voornamelijk die der slavinnen, daarbij gevoed werd door
»de kostbaare pracht van de beste Chitsen, koraale kettingen, goud,
zilver, ja gesteentens waarmede de Kreole miesjes haare slaavinnen
om strijd opschikken" en wier vrouwelijke zedigheid en kuischheid
voornamelijk vernietigd werd »door 't verderffelijk gebruik van de
slaven en vooral mooie slaavinnen te zetten op een weekelijkse taxe,
die zij den meester of vrouw moeten opbrengen, zonder dat deeze weeten
of willen weeten, waarmede dit geld gewonnen of verdiend wordt,"
[202] en door hetgeen »ook tot dit capittel zou behooren," vervolgt
Mauricius »door de galanterie der blanken met de swartinnen, waaraan
de scheepslieden een groot deel hebben."
De meeste schrijvers en ooggetuigen komen daarin overeen, dat vooral
onder de Mulattinnen, Mestiezinnen en Quarteronnes vele schoone
vrouwen gevonden worden, en die schoonheid werd toen door eene
smaakvolle kleeding verhoogd. Zij bestond gewoonlijk uit een zijden
rok waarover een van gebloemd gaas en een engsluitend kort jakje van
Oost-Indische chits of zijde, van voren geregen; tusschen dit jakje
en den rok kwam een handbreed fijn linnen te voorschijn; het haar
min of meer gekroesd, werd door een zwarten of witten beverhoed,
die met een veder of een gouden knoop of lis versierd was, bedekt.
Zucht om te schitteren en te pronken werd in Paramaribo hoe langer zoo
meer algemeen. Feesten als bals, later ook concerten en speelpartijen
kwamen meer en meer in zwang, vooral was het kaart- en hazardspel
er zeer geliefd, en een groot gedeelte van den avond werd hiermede
doorgebragt, zoo in de huizen der particulieren als in de genoemde
herbergen--en meermalen gaf dit aanleiding tot twisten, waarbij
niet slechts ruwe, grove scheldwoorden gewisseld werden, maar tevens
vuist- en rottingslagen neervielen en dat niet slechts in de gemeene
kroegen onder pontevaarders, matrozen en soldaten, maar zelfs in de
herberg van Middelhof, waar de zoogenaamde Noblesse van Paramaribo
zamenkwam. Gedurig leest men in de notulen van Gouverneur en Raden,
in de dagboeken der Gouverneurs en in de stukken van het recueil,
van twisten en beleedigingen met woorden en daden, die op dergelijke
plaatsen voorvielen.--Ja zelfs in de gezellige bijeenkomsten ten
huize van particulieren hadden meermalen dergelijke onaangenaamheden
plaats,--niet slechts ontbrak in den regel die godsdienstige gezindheid
die het zamenzijn heiligt en ter eere Gods doet strekken, maar men
miste ook die ware geest-beschaving, die de gesprekken aangenaam en
onderhoudend maakt.
De stoffelijke belangen der kolonie, nu en dan ook den staatkundigen
toestand derzelve te bespreken, soms iets anders, doch zelden
wat hoogers, waren de voornaamste onderwerpen waarmede de heeren
zich in den regel, behoudens enkele loffelijke uitzonderingen,
bezig hielden en de gesprekken der dames liepen meestal over het
nieuws van den dag »de Chronique Scandaleuse", bij de jongeren
over eenige liefdes-intrigues en bij allen over de gebreken harer
slaven en slavinnen. Niet onaardig drukte de Gouverneur Mauricius
het geestelooze, slechts voor stoffelijke zaken vatbare karakter der
Surinamers van zijn tijd uit in een gedicht, toegewijd aan Willem van
Haren en eenigen tijd na zijne terugkomst uit die kolonie opgesteld:
"Ik veeg na zooveel' jaaren,
"De roest weêr van mijn' snaren,
"En grijp met stramme hand
"De luit weêr van de wand.
"Ik heb mijn tijd versleten,
"Bij slimmer dan de Geeten.
"Sprong daar de Hengstebron,
"Zij droogde van de zon.
"Men zou de zanggodinnen,
"Katoen daar leeren spinnen.
"En zoo 't gevleugeld paard,
"Daar neêrstreek in de vaart,
"Men zou hem onbeslagen,
"In suikermolens jagen,
"Nu adem ik weêr lucht,
"En wil met nieuwe vlugt
"Langs toebegroeide trappen,
"Den Helicon opstappen." [203]
De blanke Creolen [204] meestal lui en vadsig van aard, hadden noch
voor kunsten noch voor wetenschappen eenige voorliefde, zelfs eenige
lectuur te hebben behoorde onder de uitzondering. Miste het gezellige
leven de godsdienstige heiliging en ook den beschaafden toon, ook in
den huisselijken kring trof men hiervan, op weinige uitzonderingen na,
geen enkel spoor.
De godsdienstige zin onzer voorvaderen, die ofschoon hij meermalen in
vormelijkheid, in bloot kerkgaan, ontaardde, maar evenwel eene zekere
degelijkheid aan hunne handelingen gaf, ontbrak bij de Surinamers
van dien tijd.
De godsdienstige rigting in de 18de eeuw toch uitte zich in de
eerste plaats door eene getrouwe opkomst bij de verkondiging van Gods
Woord.--In Suriname was die opkomst zeer gering. Zoo lezen wij, dat
de kerkeraad eene memorie aan het hof indiende om bij de aanstaande
nominatie van raden van Policie de volgenden te excluderen:--1
Luthersche; 2 die wel gereformeerd, maar geene lidmaten waren; 3
die niet vlijtig te kerk gingen. Op deze memorie werd een weigerend
antwoord, in de notulen vermeld, door het hof gegeven. Mauricius
schrijft in zijn dagboek, [205] tot nadere explicatie van dat antwoord
o. a. »Verleden jaar zijn Camijn en Scherping verkooren geweest tot
diaconen, doch men heeft die verkiezing moeten achterlaten, omdat
men bevond dat ze geen lidmaten waren. Ook heeft men niet alleen van
Daalen tot ouderling verkooren, maar zelfs die verkiezing tegen de
regering gesouteneerd tot op heden, daar nogtans van Daalen in geen
twee jaren ter kerke is geweest;--zelfs is dagelijks gebeurd, dat
er bij de godsdienst geen één ouderling nog diacon was, ja zelfs dat
er geen diacon was bij de communie, ook hebben zij bij haar onlangs
gepresenteerde memorie zelf erkend, dat zij dikwijls zoonen éligeerden,
die geen respect voor de godsdienst hadden, en als ze verkooren waren
den kerkendienst onder frivole voorgeevens weigerden".
Er bestond in Suriname weinig eerbied voor de openbare
godsdienstoefening, dat o. a. blijkt: 1o. uit het proces over
kerkschennis, gevoerd tegen den jongeling Carilho, zoon van den
befaamden Carilho. Deze jongeling had, in de Gereformeerde kerk
gezeten, den predikant Veyra, een bekeerden Israëliet, bespot en een
openlijk schandaal veroorzaakt, waartoe hij door een paar Christen
jongelingen, Pichot en van der Beets, verleid was. Niettegenstaande
dit alles, fungeerde hij, hangende dit proces, als secretaris
eener vergadering van aanzienlijke Surinaamsche burgers, van welke
vergadering de predikant Duvoisin praeses was [206];
2o. daaruit, dat bij eene der aanzienlijkste vrouwen, de weduwe
Brouwer, een eclatant bal werd gegeven op den avond vóór het Nachtmaal,
ofschoon de predikant Yver haar eene beleefde waarschuwing had laten
doen--een bal dat door een talrijk gezelschap heeren en dames werd
bijgewoond en waar het luidruchtig toeging, waar niet slechts gedanst
en muziek gemaakt, maar met zwermers, ja zelfs met oranje-appelen op de
voorbijgangers of schildwachten vóór het huis des commandants staande,
gegooid werd--en waar de schout, die het bevel van den Gouverneur tot
het staken hiervan overbragt, op eene gemeene wijze uitgejouwd werd,
enz. enz.--Wij zouden zoo kunnen voortgaan met verscheidene bewijzen
te leveren. Ontbrak die godsdienstige zin, was er weinig of geen
vreeze Gods, het kon dan ook niet anders: de zedelijkheid stond er
op een zeer laag peil.
Wel waren er van tijd tot tijd placaten uitgevaardigd, waarbij de
gemeenschap der blanken met de slavinnen verboden werd [207]; dan
dezen waren niet veel meer dan eene doode letter; nu en dan werd een
geval van onwettige zamenwoning van blanken met blanken voor het hof
gebragt en met eene geldboete gestraft, maar over die met slavinnen
brak niemand den staf; zelfs onder de raden van policie, die de
wet hadden moeten toepassen, vond men zoo velen die ze overtraden,
en het jaarlijks toenemend getal der kleurlingen strekke tot bewijs,
hoe het ten deze opzigte in de kolonie gesteld was.
Een groot aantal mannen stierven in jeugdigen leeftijd ten gevolge
hunner ongebondene levenswijze of kropen als uitgeteerde geraamten
daar heen en weinigen waren er, die hunne vrouwen overleefden.
De lezer verschoone ons van bijzonderheden uit »deze" gelijk Mauricius
schrijft: »abime van vuiligheden" mede te deelen, het is eene droevige
zaak voor den schrijver om gedurig melding te moeten maken van de
zonden en gebreken van het volk, welks geschiedenis hij waagt te
schetsen; dubbel droevig is dit echter, indien het een volk betreft,
dat door afkomst zoo naauw met hem verwant is, doch hij mag hierdoor
zich niet laten weerhouden, om aan de waarheid getrouw te zijn, hoe
vurig hij ook wenscht, dat het hem gegeven ware, grooter en edeler
daden te vermelden.
Als eene der grootste oorzaken van het lage peil der zedelijkheid in
Suriname moet zeker beschouwd worden, dat het stelsel der slavernij
zich, in al hare noodlottige kracht, ten kwade deed gevoelen.
Het stelsel der slavernij toch, iedereen erkent zulks, is droevig
en ellendig voor den slaaf, maar is zulks mede voor den meester;
vooral is het onvermijdelijk noodlottig voor de reinheid van zeden;
het regt om vrouwelijke wezens in eigendom te hebben, geheel van den
wil des eigenaars afhankelijk, is een zeer gevaarlijk regt.
»In alle slavenstaten," zegt een beroemd man [208] »heerscht onder
jonge lieden eene jeugdige ongebondenheid. Is de jeugd steeds
een gevaarlijke leeftijd, in slavenstaten is zij zulks meer dan
elders; en dit houdt niet met dien leeftijd op. De verpligtingen der
huwelijkstrouw, de heiligheid van huisselijke banden worden aldaar
slecht geëerbiedigd. Reeds in dit leven is er eene schrikkelijke
vergelding van het gepleegde onregt. Het huisselijk geluk van den slaaf
is eene bijna onbekende zaak, maar ook de ontrouw des meesters brengt
verderf over zijn eigen huisselijke neigingen en genietingen. Het
huisgezin is zonder reinheid en getrouwheid ongelukkig, daar het
alzoo van zijne heiligste aanlokkelijkheden en gezegendste invloeden
beroofd wordt--en elk slavengewest rookt van ongebondenheid; het is
besmet met doodelijker pestilentie dan de pest zelve."
En de vrouwen, de wettige echtgenooten, van velen harer kon men zeggen,
dat zij vergoeding zochten voor het ongelijk en de verwaarloozing
door hare echtgenooten--eerstelijk in den haat dien zij jegens hare
mededingsters koesterden en dien zij soms met eene onverzadelijke
wreedheid jegens deze arme, vaak tegen haren wil verleidden,
botvierden, terwijl zij hare mannen straften met verachting en tevens
door een openlijk niet te miskennen voorrang, welken zij aan den pas
uit Europa aangekomen vreemdeling gaven--ten andere in een leven van
genot en opschik. [209]
Verkwisting, die onafscheidbare gezellin van onzedelijkheid, deed het
geld verdwijnen en bij het onontbeerlijke hiervan ter voldoening der
steeds nieuwe prikkels begeerende zinnelijkheid, moest de slaaf, het
menschelijk werktuig om geld te verdienen, zijne krachten ten beste
geven. Van daar zoo dikwijls de harde en wreede behandeling van den
slaaf door menschen, die anders van nature toch niet zoo wreed of
hardvochtig waren. Om in de stad prachtig te leven en zich als in
weelde te baden, moest de slaaf op de plantaadje dubbel hard werken.
De meeste vermogende planters hadden hunne woning in de stad en
gingen slechts van tijd tot tijd hunne plantaadjes bezoeken, alwaar
zij dan korten of langen tijd vertoefden, terwijl zij verder het
bestuur hunner effecten aan den directeur overlieten.
De lust en begeerte om meer met andere Europeanen in gezelschap
te zijn, de vermaken der stad, hoe weinig verfijnd of veredeld,
trokken hen en nu maakten zij zich diets, dat er belangrijke redenen
hiertoe bestonden, als bijv. dat men door dadelijke aanraking met de
schippers hoogere prijzen voor de producten en lagere voor hetgeen
men zelf noodig had bedingen kon; dat men, en dit woog zeer zwaar,
meerderen invloed op den gang van het bestuur kon uitoefenen, enz.
De ondervinding leerde, dat deze verwijdering der eigenaars zeer
verkeerd werkte, zoo ten opzigte van de inkomsten hunner effecten
als van den toestand der slaven, die hierdoor nog harder en
onverdragelijker werd en dus meer tot wegloopen aanleiding gaf.
Werd het meer en meer de gewoonte, dat de groote planter zijn
verblijf in de stad vestigde en slechts van tijd tot tijd zijne
plantaadjes bezocht, enkelen volgden den ouden regel en vertoefden
er het grootst gedeelte van het jaar en gingen slechts naar de stad,
indien belangrijke zaken hen daar riepen. Om eenigermate over het
leven op de plantaadjes te oordeelen, diene het volgende:
Om 6 uur in den morgen stond de heer en meester doorgaans op en
begaf hij zich op de plaats voor het huis of in de veranda, waarvan
eenige plantaadjegebouwen voorzien waren; de vaderlandsche pijp werd
aangestoken en een kop koffij genuttigd. Terwijl hij hier op zijn gemak
de koele en verfrisschende morgenlucht genoot, verscheen de opzigter
om zijn verslag in te leveren en de orders voor den dag te ontvangen.
De opzigter, die zich dikwijls door kruipende beleefdheid in de gunst
van zijn patroon zocht in te dringen, maakte, na eenige bewijzen van
eerbied door buigen of strijkkaadjes te hebben gegeven, den meester
bekend wat er den vorigen dag gewerkt was, welke negers weggeloopen,
gestorven, ziek of weder gezond waren geworden; of er ook geboorten
onder de slavenmagt hadden plaats gehad en daarop volgden de aanklagten
over dezen slaaf of die slavin; welke het werk niet goed verrigt,
luiheid getoond, kleine diefstallen begaan of iets, dat in de oogen
van den opzigter niet goed was, hadden gedaan. Daar de aangeklaagde
meestal tegenwoordig was, volgde er doorgaans parate executie.
Dan kwam de heelmeester of liever de Dresneger [210] om zijn verslag
uit te brengen. Viel dit wat te ongunstig naar het oordeel des meesters
uit, dan werd hij soms met een duchtigen vloek weggezonden of kreeg
eenige streken met de karwats, als toevoegsel tot de vermaning om
zijn pligt te doen en vooral luiheid van ziekte te onderscheiden.
Vervolgens naderde de creolen-mama, eene oude negerin, met het opzigt
der kinderen van de plantaadje belast, vergezeld van al de jeugdige
slaven en slavinnen; dezen, na zich vooraf gebaad te hebben, ontvingen
meestal hun ontbijt, uit rijst en banannen bestaande, onder het oog
van den meester, waarna zij, na eenige grimassen te hebben gemaakt,
weder vertrokken.
Nu ging de planter in zijn negligé eene wandeling maken of steeg,
zoo hiertoe gelegenheid was, te paard, om zijne rijke velden in
oogenschouw te nemen en te zien of zijne negers goed werkten.
Dit negligé bestond meestal in een fijn linnen broek, zijden kousen
en roode of gele muilen of pantoffels, een hemd aan den halsboord open
en daarover eene japon van Oost-Indische chits, een muts zoo fijn als
spinrag en daarover een grootte beverhoed, ter beschutting voor de zon.
Tegen acht à negen ure van dit morgentogtje terug gekomen, ontbeet hij
en kleedde zich volgens de gewoonte van dien tijd, waarbij gedienstige
slaven of slavinnen hem ter hulpe stonden.
Wilde hij nu vrienden of buren gaan bezoeken, zoo begaf hij zich
naar zijne tentboot, die door den opzigter met vruchten, wijn, sterke
dranken en tabak goed voorzien was, en zes of acht sterke roeinegers
bragten hem waar hij wezen wilde.
Had hij geen lust om uit te gaan, dan ontbeet hij wat later en
besteedde hieraan meer tijd. Een dergelijk ontbijt bestond uit ham,
pekelvleesch, gebraadde hoenders of duiven; verder banannen, zoete
cassaves, brood, boter, kaas, enz., waarbij zwaar bier en een glas
madeira, Rijnsche of Fransche wijn werd gedronken. Was de planter
ongehuwd of woonde zijne vrouw in de stad, dan was de directeur
menigmaal slechts de eenigste deelgenoot van dit ontbijt.
Nadat deze gewigtige bezigheden afgeloopen en de directeur vertrokken
was om het werk na te zien (den blankofficier was de taak opgedragen
om hierbij gestadig tegenwoordig te zijn), ging de planter eenige
berekeningen maken, of dergelijk werk verrigten; een enkelen keer nam
hij eens een boek in de hand, doch dit behoorde tot de uitzonderingen;
lezen viel doorgaans niet veel in zijn smaak.
Bij de toeneming der warmte, nam hij zijn middagslaapje; tegen drie
ure opgestaan, zette hij zich aan tafel. Zijn opzigter en enkele
keeren een paar zijner blankofficieren, indien deze mannen van zijn
smaak waren, waren zijne dischgenooten, die hierdoor zich dan zeer
vereerd gevoelden, en om strijd zijn tafel prezen, dat niet slechts
vleitaal behoefde te zijn, want zij was goed voorzien van vleesch,
gevogelte, wildbraad, visch, groenten, vruchten en de wijn, soms van
de beste en edelste soort, ontbrak er niet.
Met zonsondergang kwamen de slaven van het veld en hetzelfde tooneel
van des morgens herhaalde zich. De avond werd doorgebragt met rum of
punch drinken, tabak rooken en kaartspelen. Waren er gasten op de
plantaadje aanwezig, dan werd dit meermalen tot laat in den nacht
voortgezet, anders ging de planter tegen 10 of 11 ure naar zijne
slaapkamer, waar hij veelal, in de armen van eene zijner favorieten,
van zijn vermoeijenden arbeid uitrustte, om den volgenden dag tot den
zelfden kring van werkzaamheden, of liever geestelooze tijdsdooding,
weder te keeren.
Een dergelijk eentoonig materieel leven was verwoestend voor de
zedelijkheid. De mensch, hier onbepaald heerschende over medemenschen,
die op zijne wenken vlogen, die voor de minste zamentrekking zijner
wenkbraauwen, voor een donkeren blik van hem sidderden, werd meer
en meer hoogmoedig, trotsch, laatdunkend; en hoe weinig beduidend
hij soms ware, hij begon zich in te beelden waarlijk een persoon van
gewigt te zijn, en velen uit hun néant tot rijkdom en eere opgeklommen,
begon het hoofd te draaijen. [211]
Schetsten wij in enkele trekken het leven der aanzienlijksten in
Suriname, van de mindere klassen, zoo der blanken als kleurlingen,
worde slechts dit gezegd: zij trachtten de anderen na te volgen,
en hetgeen bij de eerste soms nog door een zeker waas van uiterlijke
beschaving bedekt, minder afzigtelijk voor des menschen oog scheen,
kwam bij de laatsten, bij gemis van dat waas, in al hare afschuwelijke
naaktheid te voorschijn.
Wel vond men in Suriname toen evenzeer als nu mannen en vrouwen,
die ondanks den, de goede zeden doodenden atmospheer, den eernaam van
christen waardig waren; over het algemeen was het met den zedelijken
toestand der inwoners droevig gesteld.
Het godsdienstig en kerkelijk leven was ook zeer weinig ontwikkeld.
Wel luidde het 28ste artikel van het octrooi: »dat de voornoemde
Bewinthebbers sullen moeten besorgen dat de coloniërs ten allen tijde
zijn voorzien van een of meer Bedienaers des Goddelijken woorts,
na dat de gelegentheydt van de kolonie het zoude moghen komen te
vereysschen, ten eynde de coloniërs en de verdere opgezetenen aldaer
in de vreeze des Heeren, ende de leere der zaligheyt geleydt ende
onderwesen mogen werden, mitsgaders tot het gebruyck der Heilighe
Sacramenten bequame occasie hebben, zullende de voornoemde Predikanten
niet bij de voorz. compagnie, maar bij de coloniërs en opgezetenen
zelve onderhouden werden, uyt een middel ofte fonds dat den gemelten
Gouverneur en de Raden daertoe op approbatie van Bewindhebberen zullen
mogen ordonneren te heffen."
Wel was er in het volgend artikel aangewezen waaruit de kosten voor
de kerkdienst en die voor de schoolmeesters voorzien moesten worden.
Wel was de Gouverneur volgens zijne instructie gehouden de
Gereformeerde godsdienst te beschermen en voort te planten.
Wel waren er kerken in de kolonie ter uitoefening der openbare
godsdienstoefening, als: ééne te Paramaribo waar beurtelings in de
Nederduitsche en Fransche talen gepredikt werd, [212] ééne door de
zorg van van Sommelsdijk aan de boven Commewijne, waar deze zich met
de Cottica vereenigt, in 1688 gebouwd en door Ds. Ketelaar ingewijd,
ééne op den hoek van Cottica en Perica, in 1721 daargesteld. [213]
Wel waren doorgaans eenige predikanten in Suriname, [214] en naar den
aard der liefde, die alle dingen hoopt en gaarne het beste denkt,
willen wij gelooven dat hieronder waardige mannen werden gevonden,
al is het dat wij uit gebrek aan bescheiden hiervan weinig hebben
mede te deelen; echter schijnt het steeds moeijelijk te zijn geweest
om geschikte sujetten [215] te verkrijgen.
Daarom dan ook deed Ds. Veyra, een bekeerde Israëliet, die veel ijver
in zijn ambt betoonde, den 20sten Mei 1740 in de vergadering van het
Conventus Deputatorum [216] een voorstel, om, daar men zoo moeijelijk
predikanten uit het vaderland kon bekomen, het Hof te verzoeken, boven
en behalve het gewone getal predikanten, twee of meer proponenten aan
te stellen, om, bij vacature of anderzins, in de dienst te kunnen
voorzien en tot dat doel in Paramaribo, hetzij uit het weeshuis of
ergens elders, om te zien naar kinderen »waar men een snedig verstand,
goed begrip en leerlust in bespeurde", en ze naar Holland te zenden,
om daar, na voorbereidende en andere studiën, te worden bevestigd,
terwijl zij, daar de koloniale kas de kosten hiervan dragen zoude,
zich moesten verbinden om na volbragte studiën naar Suriname terug
te keeren, »waartoe", merkt Ds. Veyra aan, »zij te eerder zouden
geneigd zijn, omdat zij daar hunne bloedverwanten en betrekkingen
weder konden ontmoeten enz."
Ds. Veyra vermeende, gelijk hij in zijn voorstel nader toelichtte,
dat hierdoor in volgende tijden het land niet slechts altijd van een
genoegzaam aantal predikanten kon worden voorzien, maar dat hierdoor
de grond zou worden gelegd tot een hooger onderwijs in de kolonie,
daar sommige dezer teruggekeerde jongelieden misschien als Preceptors
of Lectors in verscheiden kunsten en wetenschappen zouden kunnen
worden aangesteld, enz.
Over dit plan zijn wel van tijd tot tijd discussiën gevoerd, maar
verder is er niets van gekomen, en de moeijelijkheid om geschikte
sujetten te verkrijgen bleef bestaan.
Tusschen de predikanten onderling, de Nederduitsche en de Fransche,
rezen ook meermalen verschillen, en in het Conventus Deputatorum vielen
soms, vooral in den tijd van Mauricius, ergerlijke tooneelen voor,
zoo zelfs, dat de Commissarissen politiek de vergadering moesten
schorsen. [217]
Gedurig vindt men ook gewag gemaakt van twisten tusschen de predikanten
en hunne kerkeraden en het Hof van Policie. [218]
Onder de Gouverneurs Cheusses en Raye was men zelfs genoodzaakt
geworden tot politieke uitzetting van predikanten.
Zekere Ds. Kals, predikant te Perica en Cottica, was door het
Conventus Deputatorum, op rapport en beklag van Ds. Jan Martin Kleyn,
geschorst; na de expiratie zou hij door genoemden Ds. Kleyn, die zoo
lang de predikbeurt in die gemeente had waargenomen, volgens besluit
van het Conventus 6 Feb. 1733, op nieuw in zijne bediening worden
hersteld. In plaats van hiermede genoegen te nemen en zich, zoo als
zijn kerkeraad verlangde, op nieuw in de dienst te laten bevestigen,
voer hij op ruwen toon tegen Ds. Kleyn en tegen het Conventus uit,
even als hij vroeger tegen den Commandeur de Vries en het Hof van
Policie uitgevaren was, welke ergerlijke tooneelen breedvoerig in de
Notulen van 4 en 5 Aug. 1732, Mei 1733 enz. opgeteekend zijn,--het Hof
concludeerde dat »daar Ds. Kals was een persoon van een onrustig en
querelleus humeur, die zich noch aan wereldlijke noch aan geestelijke
regten en vermaningen wilde onderwerpen, maar zich halsstarrig meerder
en meerder in onrusten inwikkelde enz.", tot wegneming van verdere
ergernissen, hem, Ds. Kals, met het eerst vertrekkende schip uit de
kolonie te verzenden [219], gelijk dan ook geschied is [220].
Bij besluit van het Hof van Politie van 3 Februarij 1736 werd Ds. Jan
Martin Kleijn, mede, om in de notulen breedvoerig vermelde redenen,
uit de kolonie verbannen, doch hij kwam onder v. d. Schepper, in
November 1738, terug; in eene vergadering van het Hof, op den 20
November 1738, verzocht hij verschooning voor vroegere gedragingen
en werd weder in de dienst hersteld.
Den 20 December 1743 klaagde Ds. Liege Mevr. Halewijn aan, dat, toen
hij haar vermaande, zij hem met vloeken, bespottingen en onkuische
uitdrukkingen had geïnsulteerd--deze zaak heeft lang geduurd,
eindelijk werd Ds. Liege voor 6 maanden geschorst--hij verzocht daarop
in Maart 1744 naar Holland te gaan, om zijn zaak te bepleiten, dan
hiertegen verzette zich de kerkeraad, omdat hij in de 4 maanden van
zijn verblijf nog maar slechts 3 keeren gepredikt had--de kerkenraad
gaf echter later consent.
In een brief, gedagteekend 14 April 1749, door de Eerw. classis
van Amsterdam, waaronder Suriname kerkelijk ressorteerde, aan
het Conv. Deputatorum gerigt, wordt de droefheid der vergadering
kenbaar gemaakt, »over de zware twisten, ja droevige oneenigheden,
die zoo ver gingen, dat de eene dienstknecht des Heeren den anderen
wel eens openlijk hoonde, schold en liefdeloos behandelde op meer
dan eene wijze, terwijl HH. predikanten zich niet ontzagen, om door
onbetamelijke uitdrukkingen, enz. de hooge regering te beleedigen";
de classis vermaande tot vrede. In eenen lateren brief, 7 Sept. 1750,
der Eerw. classis, maar nu aan Gouverneur en Raden, werd verzocht den
voornaamsten woelgeest, den Franschen predikant Duvoisin, [221] als een
ontaarden zoon tot rede en een betamelijk gedrag te brengen. Ook trof
men het ten tijde van Mauricius ongelukkig met zekeren Ds. Hoevenaar,
die met regt een wargeest was; bij de minste tegenspraak geraakte hij
in drift, rekende zich in zijne eer beleedigd en dreigde den beleediger
met degen of pistool tot zwijgen te brengen--na een korten tijd werd
hij volslagen waanzinnig.
Slechts zelden worden overgangen der slaven tot het Christendom
vermeld: de enkelen die wij aangeteekend vinden, laten wij hier volgen:
den 1 Junij 1747 [222] namen Ds. IJver, Ds. de Ronde en 5 leden uit
den kerkenraad, in presentie van de familie van den Gouverneur,
Mevr. Larcher en andere dames, den sociëteits-Neger Benjamin tot
Lidmaat der Ger. kerk aan, nadat hij zijne geloofsbelijdenis met
groote deftigheid, tot verbazing der aanwezenden had afgelegd; hij
werd den volgenden Zondag gedoopt, waarbij hij den naam verkreeg van
Jan Jacob van Paramaribo; den 30 Mei 1748 [223] werden des namiddags
twee negers aangenomen, welke plegtigheid Ds. de Ronde, »zeer deftig
bewegelijk heeft uitgevoerd."
Den 5 Junij 1748 [224] leverde Ds. de Ronde een klagt in, dat zekere
Jood Machielse, een slaaf, die door Ds. de Ronde in de Christelijke
godsdienst werd onderwezen, dagelijks sloeg en mishandelde omdat hij
Christen wilde worden,--waarop de Raad Fiscaal zulks den Jood heeft
laten verbieden,--of het veel geholpen heeft, meldt de geschiedenis
niet.
Den 8 Januarij 1749 [225], werd door zekeren Picorna vrijdom voor
zijne slavin Elisabeth met hare drie kinderen verzocht--welke 3
kinderen reeds ledematen der Christelijk Gereformeerde religie
waren--het werd toegestaan. Behalve deze weinige hier medegedeelde
overgangen van slaven tot het Christendom zoekt men in de officieele
bescheiden van dien tijd te vergeefs naar eenig berigt van pogingen,
door de Hervormde predikanten aangewend om de slaven tot de kennis
van het Evangelie te brengen. Het bevel des Heeren »predikt het
Evangelie aan alle creaturen" werd door hen niet geacht; slechts
eenige der eerste Fransche predikanten en de eerste aankomelingen
van de secte der Labadisten en later de trouwe waardige Moravische
broeders gaven hieraan gehoor; integendeel zien wij de predikanten
met een wantrouwend oog de werkzaamheden der Hernhutters gadeslaan--en
gelijk wij bij de behandeling van de geschiedenis der zending breeder
zullen vermelden, was het voornamelijk door hunne aanstoking, dat den
21 November 1740 in het Hof van Politie besloten werd der broeders
te verbieden openlijke godsdienstoefening te houden, en zij voortaan
zelfs bij de huisselijke godsdienst niemand mogten toelaten. In de
notulen der vergadering van het Convent. Deput. van 7 Febr. 1749 werd
ook »over de Hernhutteren gevoelens gedelibereerd en besloten steeds
tegen dezelve te blijven waken."
Eervol moet hier vermeld worden, dat door de classis van Amsterdam,
meer dan eens bij de directeuren der sociëteit voorstellen zijn gedaan,
om de kolonie van genoegzame predikanten en catechiseermeesters te
voorzien, »om daardoor de Christelijke religie onder de Heidenen
des te beter voort te planten." Directeurs der sociëteit schreven
daarover aan Gouverneur en Raden en den 16 Dec. 1744 hadden
daarover belangrijke discussiën plaats. De Raden waren er niet
zeer mede ingenomen. Mauricius erkende wel, dat er vele zwarigheden
bestonden, doch oordeelde evenwel »dat deze eene Christelijke regering
niet moesten wederhouden, om haar best te doen; dat het eenvoudig
Evangelie niet veel omslag van noode heeft, als 't God maar behaagt
den wasdom te geven aan 't geen met eene goede meening geplant wordt;
hij geloofde echter hiervan weinig vrucht bij de oude slaven te
zullen zien en stelde dus een eenvoudig en onkostelijk middel voor,
»naementlijk om de kleijne vragen van Borstius off een ander, beneevens
't onze Vaeder, het gelooff, de thien gebooden en eenige eenvoudige
schriftuurplaatsen, strekkende om het geloof en vertrouwen in 't
Opperste Weezen, de resignatie aan Zijn wille en de liefde tot God en
den naeste, het begrip van 's menschen doemwaerdigheit en de middelen
der genade kort, beknopt nae 't begrip van een dom verstand eenvoudig
in te prenten, in de Neger-Engelsche taele te doen overzetten, [226]
nae Holland te zenden, dezelve te laeten drucken, en aen een ieder
ingezeetenen uit te deelen met recommandatie om zoo veel mogelijk
alle de slaeven, ten minste de kleijne kinderen alle Zondaegen door
een hunner bedienden dezelve allenkens te laeten bijbrengen, opdat
zij van de jeugd aff wat kennisse krijgen van 't goddelijke weesen,
't Christendom en van den staet der ziele nae dit leven, alsmeede
beloning des goeds off quaedt nae dit leven, welk eenvoudig middel
(zoo God het beliefde te zeegenen) naederhand nae bevind van zaeken
verder zou kunnen worden achtervolgd."
De tegenstand in het Hof was echter zoo groot, dat zelfs dit weinige
niet ten uitvoer werd gebragt en in een berigt door Mauricius aan
de sociëteit, 30 Nov. 1751, op een nieuwe memorie der classis van
Amsterdam over deze aangelegenheid [227] ingediend, beklaagde hij
zich dat alle pogingen om dat godsdienstig werk te favoriseren, zijn
besoignes met onderscheidene predikanten enz., vruchteloos waren
geweest, waarbij hij de sociëteit deed opmerken, dat een voornaam
beletsel was »het quaad exempel, dat de meeste meesters aan hunne
slaven gaven, zoodat de bekeering der zoogenaamde Christenen in de
kolonie diende vooraf te gaan eer men van de bekeering der Heidenen
iets hoopen mogt." [228]
Ook werd er door de predikanten weinig werk van de verkondiging des
Evangeliums, onder de militairen gemaakt; gelijk o. a. Mauricius
ons in zijn dagboek verhaalt: dat bij gelegenheid eener executie
van twee ter dood veroordeelde deserteurs, een soldaat, Jan Ark,
als ziekentrooster de twee gecondemneerden had ter dood geprepareerd
en zich, zoo als Mauricius schrijft [229], hiervan zoo goed gekweten
had, dat hij hem f 30.-- present gaf. Daar de militie op het nieuwe
fort bij die gelegenheid hare begeerte getoond had om somtijds een
gebed of predikatie te hooren, waarvan zij geheel beroofd was, zoo
had Mauricius, als »zulkx zeer heilzaam en hoog noodig oordeelende,
een soldaat, die daartoe zeer bequaem was [230], aangesteld om op
Zondag en feestdaagen een gebed en predicatie te leezen, waarvoor hem,
op approbatie der Sociëteit, toegelegd werd vrijdom van de dienst,
f 15.-- 's maands en dubbel rantsoen;"--de instructie werd in overleg
met de predikanten Yver en Veyra opgesteld.
Kan men, voor zoo veel men uit de oude bescheiden oordeelen kan, weinig
roemen over den ijver der predikanten in getrouwe pligtsvervulling,
daarentegen vindt men meermalen opgeteekend dat zij naijverig waren
en zich spoedig geraakt betoonden, indien iemand anders een woord
van godsdienstige vertroosting tot arme zondaars sprak.
Toen zekere Smith van de R. C. religie geëxecuteerd werd, waarbij
Ds. Kleijn tegenwoordig was, en een ander van dezelfde godsdienst
dien man op zijne wijze wilde aanspreken, werd dit door Ds. Kleyn
zeer kwalijk genomen en op zijn verzoek besloot het Hof, »dat in
het toekomende niemand, ofschoon hem toegang mogt worden verleend,
bij een ter dood veroordeelde over religiezaken zal mogen spreken
dan met speciale permissie van den Gouverneur." [231]
Zoo kantten de Gereformeerde predikanten zich ook lang tegen
de vestiging eener Luthersche gemeente aan. Reeds vroeg was het
aantal der inwoners die de Augsburgsche confestie toegedaan waren,
vrij aanzienlijk;--in 1740 hielden zij bijzondere bijeenkomsten,
die echter door den Raad Fiscaal, als strijdende met de wetten des
lands, verboden werden.--Na vele rekwesten enz. werd hun eindelijk
onder bezwarende voorwaarden toegestaan eene eigene kerk te bouwen
(15 Nov. 1741), en den 4den October 1742 kwam hun eerste leeraar,
Ds. Johannes Pfaff, die vroeger te Zaandam stond, over. [232]
Voor het onderwijs der jeugd was bepaald dat er drie schoolmeesters
moesten zijn, die, buiten hun tractement, vrije woning genoten
[233]. Dan ook dit getal schijnt niet altijd compleet te zijn geweest
en over de personen, welke deze betrekking vervulden, rezen meermalen
verscheidene klagten.
Om de zorg, die door het Hof van Politie voor de opvoeding der jeugd
werd gedragen te doen kennen, halen wij het volgende uit de notulen
van Gouverneur en Raden aan:
22 Nov. 1725. Zekere La Combe doet aanzoek om tot onderwijzer te
worden aangesteld, zullende dit onderwijs bestaan in lezen, schrijven,
cijferen en de beginselen der godsdienst, alsook in de beleefdheid;
hij wordt aangesteld en hem bij provicie toegelegd f 200.--, dan
geëxamineerd wordende bleek het, dat hij niet in staat was de
allergeringste kindervragen, laat staan andere van eenig gewigt,
in de Nederduitsche taal te beantwoorden.
27 April 1731. Om de blanke jeugd in goede manier en betamelijke
exercitiën te onderwijzen, wordt besloten uit het vaderland een
dansmeester te ontbieden, op een tractement van f 600, het eerste
jaar, behalve hetgeen hij van zijne discipelen zal ontvangen, en
vrijen overtogt.
3 Januarij 1749. Zekere Anna Michelon, huisvrouw van H. Noordbeek,
vraagt verlof om te Paramaribo eene kinderschool op te rigten, welk
verzoek, na ingewonnen rapport van den kerkeraad, toegestaan wordt.
Het onderwijs der jeugd bepaalde zich te Suriname tot lezen, schrijven,
rekenen en het machinaal van buiten leeren van den Catechismus.
Met korte trekken schetsten wij het leven van de blanke bevolking in
Suriname te dien tijde:--ruw, slecht onderwezen, door hartstogtelijke
neigingen vervoerd, zich meermalen aan twist, spel en onzedelijkheid
overgevende, terwijl wreedheid, laatdunkendheid en domme trots in ruime
mate onder die bevolking gevonden werden, ja hunne hoofdgebreken
uitmaakten.--Voorzeker is dit geene vleijende schets, doch men
verwondere of ergere zich niet over deze ongunstige voorstelling,
want het is de voorstelling van een volk door slavernij bezoedeld,
en waar deze heerscht zoo als ze in Suriname heerschte, kan het niet
anders of het volk moest diep bedorven worden; daar kon de vreeze
Gods niet heerschen. Een zoodanig volk was Mauricius geroepen te
besturen en te leiden.--Wel erkennen wij dat het eene zware taak was,
welke hij hier te vervullen had. Groot waren de verwachtingen. Men
verwachtte veel, misschien te veel van hem. Wij zullen thans zien in
hoeverre hij hieraan beantwoordde.
Mauricius zag spoedig bij zijne aankomst dat er veel te veranderen en
te verbeteren was en, als regtsgeleerde, was het een zijner eerste
pogingen om de gebrekkige regtspleging te verbeteren. De hiervoren
geschetste zamenstelling der hoogste en andere regterlijke collegiën
was dan ook in alle opzigte zeer ongeschikt voor eene goede en
onpartijdige regtsbedeeling.
Daar de vorige Gouverneurs meest allen tot den krijgsmansstand
behoorden, hadden zij zulks meer lijdelijk aangezien en voor het
grootste gedeelte alles aan den Raad-Fiscaal overgelaten, wiens magt en
aanzien hierdoor zeer geklommen was, maar wien het zelfs bij den besten
wil en de grootste bekwaamheid onmogelijk was de zaken naar behooren
waar te nemen, te meer daar het ambt van exploiteur aan het fiscaliaat
was verbonden--en daarbij eene langwijlige en ondoelmatige wijze van
procederen eene spoedige afdoening van zaken onmogelijk maakte.
Mauricius woonde getrouw de zittingen van de beide hoven bij; de
aanhangige zaken, wier aantal eenmaal 300 bedroeg, werden afgedaan;
de werkzaamheden der Raden van Policie en die van Civiele Justitie
vermeerderden hierdoor, ofschoon hunne magt en aanzien er eerder door
verminderden. Had de Raad-Fiscaal, toen de heer Mr. Jacobus Halewijn,
heer van Werven, Mauricius getrouw ter zijde gestaan, zeker zoude zijne
taak ligter zijn geweest. Van Werven schijnt echter een opvliegend
man, een man van een zeer prikkelbaar karakter te zijn geweest,
waardoor dikwijls botsingen met den Gouverneur ontstonden.
Toen van Werven echter in hevig verschil was geraakt met de leden van
het Hof van Justitie, voornamelijk over de waarneming dier betrekking
als Exploiteur, zocht Mauricius dit in der minne bij te leggen en
toonde hij zich in deze zeer onpartijdig.
Mauricius zag zeer goed, dat de vereeniging dier beide bijna
onvereenigbare betrekkingen, eene gestadige bron van verschillen en
eene belemmering voor den goeden gang des regts was, en trachtte
daarop de reeds vroeger door directeurs verlangde scheiding te
bewerkstelligen. Als een conditio sine qua non, was echter de
vrijwillige toestemming van den daarbij betrokken persoon noodig en
daarom werd de Heer van Werven gevraagd, welke som hij ter vergoeding
van het exploiteurschap verlangde. Van Werven vroeg hiervoor eene
jaarlijksche som van f 6000, waarover langdurige discussiën volgden,
schetsrekening of calculas werden gemaakt, welke wij hieronder laten
volgen, waaruit bleek dat de gevraagde som billijk, was; waarna men
dan ook besloot, den heer van Werven zijnen eisch toe te staan. [234]
Hendrik Boullé en daarna Aubin Nepveu, broeder van den particulieren
secretaris van Mauricius, Jan Nepveu, werden tot exploiteurs
benoemd. Deze betrekking, waardoor men, als uitvoerder van de vonnissen
van het Hof van civiele Justitie, meermalen in onaangename aanraking
met de inwoners kwam; daar het meestal dwangbevelen tot betaling
enz. gold, was ook verre van aangenaam te zijn. Onder den Gouverneur
Raije in 1737 gebeurde het onder anderen meermalen, dat wanneer de
assistenten van de exploiteur op plantaadjes kwamen, om dezelve voor
de crediteuren in bezit te nemen, of ze te inventariseren, zij daarop
noch goederen, noch slaven vonden, daar de meester zich met zijne
slaven enz. bij hunne aankomst in het bosch verwijderd had, zoodat zij
onverrigter zaken moesten terugkeeren; en behalve deze praktijken ter
ontduiking van de door den exploiteur ten uitvoer te leggen vonnissen
van het Hof van Civiele Justitie, kwamen nog andere moeijelijkheden:
bij de zoo ligt opgewekte wrevel der heeren planters en anderen,
behoorde er veel wijsheid toe ter vervulling dezer moeijelijke
betrekking. Zoo spoedig genoemde heeren zich maar eenigzins door
een dergelijk ambtenaar beleedigd achtten, kwamen zij onmiddellijk
met hevige klagten te voorschijn. Zoo werd op den 17den Februarij
1747 de substituut exploiteur die zich bij eene dagvaardiging van
burger officieren eenige dreigementen had veroorloofd, ten eerste uit
zijn ambt ontslagen, ten tweede veroordeeld om op een stuk geschut te
worden gesteld met een papier op de borst, waarop stond »de substituut
Exploiteur, die de burgers dreigt zonder orde", en alzoo een half uur
lang te pronk te staan en ten derde uit de kolonie te worden gebannen,
terwijl hij de kosten der justitie moest betalen.
De verbetering door Mauricius in de regtsbedeeling gebragt, was verre
van algemeen te behagen; dat aanzien en vermogen niet langer een
vrijbrief was, om straffeloos de wetten te overtreden, voldeed velen,
die dit privilegie zoolang zonder stoornis genoten hadden, volstrekt
niet en al spoedig werd hierdoor wrevel, ontevredenheid onder dezulken
tegen Mauricius opgewekt, terwijl zij ieder voorwendsel om de daden
des Gouverneurs in een kwaad licht te stellen, gretig aangrepen. Zoo
werd de bepaling waarbij Mauricius gebood, dat rekwesten enz. aan
den Raad geadresseerd eerst aan hem als Voorzitter moesten worden
ter hand gesteld, hetgeen ter voorkoming van misbruiken en als goede
regel geschiedde, zeer ten kwade uitgelegd. [235]
De verdere maatregelen door Mauricius genomen om orde en regel te
bevorderen, baarden doorgaans ontevredenheid; zoo werd hem nu een
door hem uitgevaardigd placaat, waarbij de ingezetenen gelast werden
nieuwe kaarten of warranden der aan hun door de sociëteit verstrekte
gronden te laten maken, zeer ten kwade geduid en als misbruik van
magt toegekend, zelfs leverden de Raden van Policie hiertegen protest
in. [236]
De begeving van ambten, veroorzaakte, zooals trouwens meermalen het
geval was, vele onaangenaamheden; de benoeming o. a. van zekeren
Borgtorff tot keurmeester der suiker, hoe weinig beduidend op zich
zelve, gaf aanleiding tot hevige disputen, daar de benoemde niet naar
den zin der heeren planters was en men hiertoe een ander begeerd had.
In 1744 deden zich aan den staatkundigen horizon van Europa ongunstige
verschijnselen voor wegens de vrees voor het uitbreken des oorlogs
met Frankrijk. Mauricius, die wegens de nabijheid van Caijenne voor
een inval vreesde, wilde de noodige voorzorgsmaatregelen nemen en
vroeg hiertoe de hulp van het Hof van Policie, die schoorvoetend en
slechts onder protest verleend werd, daar men zich steeds op het
27sten Art. van het octrooi grondde, waarbij bepaald werd, dat de
verdedigingskosten door de sociëteit moesten worden gedragen.
Deze zaak gaf aanleiding tot vele moeijelijkheden: Mauricius nam in
overleg met het Hof verscheidene besluiten, waarbij de schippers,
tot eigene veiligheid en die der kolonie, bevolen werden om meer
in de nabijheid van Paramaribo met hunne schepen voor anker te gaan
liggen; hij had hier met onwil en ontevredenheid der schippers, die
door sommige ingezetenen werden opgestookt, te kampen; zelfs leverden
zij later een beklag over de willekeurige handeling (gelijk zij zulks
kwalificeerden) van den Gouverneur bij de Staten in; Mauricius deed
zijn uiterste best, om de nieuwe fortres, wiens bestaan hier nog
niet geheel voltooid was, [237] in staat van verdediging te brengen,
maar vond hierin gedurig tegenstand, dan van den Commandeur, met
wien hij op geen goeden voet stond, dan van de leden van het hof,
die als commissarissen toezigt moesten uitoefenen, doch eerder zijne
maatregelen belemmerden, dan weder met de ingezetenen, die in gebreke
bleven, het bij conventie bepaalde getal slaven voor den bouw te
leveren. Niettegenstaande al deze bezwaren en moeiten, gelukte het
toch aan Mauricius, om daartoe door de Staten-Generaal gemagtigd,
met de Raden van Policie, als vertegenwoordigers der ingezetenen,
eene overeenkomst te treffen, waarbij die zaak geregeld werd;
en bij acte v. H.H.M. van 6 Maart 1748 kwam een verdrag tot stand,
waarin bepaald werd, dat men de nu voltooide forten steeds in goeden
staat en tegenweer moest onderhouden; dat het aandeel der kosten
door de Directeuren der Sociëteit gezamenlijk gedragen, en dat het
fort Sommelsdijk zoude verlaten worden. [238] Een door hem in Junij
1744 gedaan voorstel, om eene redoute tegenover het nieuwe fort aan
te leggen, daar het geschut op hetzelve niet ver genoeg reikte, om
de kleine schepen, die weinig diepgang hadden, af te weren, vond om
dezelfde redenen zeer veel tegenstand en eerst na verscheidene jaren
slaagde hij er in tot het bouwen daarvan over te gaan.
Een nieuw reglement voor de burgermilitie, dat bepalingen behelsde,
waarbij de straf aan lijf of leven bij sommige gevallen gesteld werd
en het artikel inhield: dat in cas van alarm de burgers zich ter
verdediging naar de nieuwe fortres hadden te begeven, om onder de
militairen dienst te doen, gaf veel aanleiding tot ontevredenheid. De
burgerofficieren leverden een geschrift daaromtrent aan het Hof in,
waarbij zij zich over de genoemde bepalingen beklaagden, en een
voorstel deden om, in cas van alarm, al de militairen naar de nieuwe
forten te zenden, terwijl de burgers alsdan Zeelandia en Sommelsdijk
zouden verdedigen--dan--voerden zij als beweegreden aan, was er geen
vrees voor verschil tusschen militairen en burgers. Bij onverhoopte
verovering der nieuwe fortres, bleef er nog kans over ter verdediging
der stad Paramaribo of ter verkrijging van redelijke voorwaarden, en
hierdoor werd tevens het bezwaar weggenomen dat er op de plantaadjes,
door vertrek der meeste blanken en tengevolge van gebrekkig toezigt,
uitspattingen, ja welligt opstand onder de slavenmagt zoude ontstaan;
men stelde alzoo voor, liever goede, bekwame negers ter verdediging
der fortres af te staan. [239]
Mauricius toonde zich niet ongenegen, om in dit voorstel, behoudens
eenige nadere bepalingen, te treden, doch juist over deze nadere
bepalingen kwam weder verschil, en de burgerofficieren begonnen
afzonderlijke vergaderingen te houden, waarover Mauricius zich
zeer ontevreden toonde, als zijnde deze vergaderingen strijdig met
het octrooi, waarbij alle magt aan Gouverneur en Raden opgedragen
werd, terwijl ook het houden van afzonderlijke vergaderingen bij
besluiten van H.H.M. in 1712 en 13, strengelijk verboden was. De
maatregelen tot sluiting dezer bijeenkomsten door Mauricius genomen,
verbitterden velen dier kolonisten die in meerdere of mindere mate
met de burgerofficieren instemden.
Men poogde dan ook in het hof van policie leden der oppositie te
vestigen, en daar een dier leden, Salomon Duplessis, de meeste stemmen
van een dubbeltal verkregen had, werd hij geëligeerd door Mauricius
[240] die hoopte èn dat hierdoor aan de tegenpartij genoegen gedaan
wordende, deze meer tot billijke waardering zijner handelwijze zou
worden gebragt, èn dat de genoemde Duplessis deze daad van loyaliteit
van hem Gouverneur erkennen zoude--dan--Mauricius vleide zich met
eene ijdele hoop.
De tegenpartij, door Mauricius steeds de Cabale genoemd, werd
integendeel hierdoor meer verwaten, en Duplessis toonde zich, zooals
Mauricius het noemt »als een woeste kwade kerel" en in en buiten de
vergaderingen van het Hof was hij immer de sterkste tegenstander
van den Gouverneur; in de vergaderingen vielen, tengevolge zijner
heftigheid, soms ergerlijke tooneelen voor; en toen er bij het
vacant worden van twee plaatsen in het Hof eene nieuwe verkiezing
geschieden moest, cabaleerde hij met anderen, vooral met den raad
Pichot, zeer sterk om die vacante plaatsen door mannen in zijn geest
te doen vervullen; zulks mislukte hem echter, en als een blijk zijner
heftigheid worde vermeld, dat hij over die mislukking zoo verwoed
was, dat hij over de straat liep als een moedwillige bootsgezel,
afgrijselijk in vloeken uitbarstende, terwijl hij n. b. van boosheid
op een kogel beet. [241]
Meer en meer ontwikkelde de geest van tegenstand tegen Mauricius:
de misnoegden begonnen vergaderingen te houden, waar voorzitters,
secretarissen, ja zelfs thesauriers niet ontbraken.--Niet slechts was
er strijd over algemeene beginselen, maar verscheidene particuliere
gevallen maakten den strijd hatelijk en persoonlijk.
Die strijd werd niet alleen in de raadzaal of in vergaderingen gevoerd,
maar zelfs in particuliere gezelschappen barstte te dier zake meermalen
de ergerlijkste twisten uit, en niet slechts Mauricius, maar ook zijne
vrouw, zijne bloedverwanten, al die men dacht dat zijne zijde kozen,
werden de voorwerpen van den hevigsten haat, die zich soms in allerlei
grofheden openbaarde.
Zoo verhaalt Mauricius in zijn dagboek 14 Dec. 1746, dat zijne vrouw
en dochter, welke des avonds de zieke vrouw van Ds. Ronde een bezoek
hadden gebragt, in het naar huis gaan, bij de woning van Visser,
een ijverig lid der Cabale, door dezen als een anderen Simeï met
vreeselijke vloekwoorden beleedigd werd [242]--een anderen keer werd
mevrouw Mauricius door eenige dames nagejouwd--»daar gaat Trijn van
Hamburg"--Mauricius beklaagt zich in zijn dagboek hierover meermalen,
wij deelen hieruit nog het volgende mede: [243] »Nadat het canailleuse
wyf van Scherping [244] voor een jaar 't exempel heeft gegeven, van,
op haar hoogen stoep sittende, op my en myn vrouw, (als wy voorbygaan)
te spuuwen in plaats van te groeten, hebben ook op dat exempel
sederd eenige maanden eenige dames, alle in deze naburige straat
woonende, zich het woord gegeven, van my, myn vrouw en allen die
voor Gouverneursgezind passeeren, niet wederom te groeten, al groet
men eerst, specialyk Mev. l'Archer, de wed. van de Meel, de vrouwen
van Pichot, Freher, Brouwer en Raket. De vrouw van Pichot heeft sich
altyd voornaamlijk gesignaleerd met eene bysondere agiliteit--waarop
wy ook sederd eenigen tyd de resolutie hebben genomen, van sachtjens
voorby te gaan, zonder om te zien, doch gisteren ging 't zo verre,
dat de vrouwen van Pichot en Brouwer op den stoep sittende myn vrouw
in het voorbygaan met een schaterend gelach uitjouwden."
Niet slechts telde Mauricius zijne tegenstanders onder vele der
aanzienlijkste mannen, maar ook, gelijk wij uit het hier aangehaalde
zagen, kozen de aanzienlijke vrouwen partij tegen hem. Eene der
voornaamste onder haar was eene dame Charlotte Elisabeth van der Lith,
dochter van een Hoogduitsch predikant, weduwe van drie Gouverneurs
en later van twee Fransche predikanten. [245] Door hare huwelijken
achtereenvolgens met drie Gouverneurs was zij ruimschoots in de
gelegenheid geweest invloed op den gang van zaken te kunnen uitoefenen;
dit scheen hare heerschzucht meer en meer te hebben opgewekt, en niet
tevreden met de vervulling harer pligten als moeder en echtgenoot,
(zij was 7 Januarij 1742 ten vierde male gehuwd met den predikant
der Waalsche gemeente Audra,) begon zij al spoedig Mauricius te
dwarsboomen, de aanleiding hiertoe was het volgende: Sedert den
aanval der Marrons in 1750 op de afgelegene plantaadje Bergendaal, die
Mev. Audra toebehoorde, was aldaar in de nabijheid eene militaire post
geplaatst. De aldaar gestationeerde soldaten moesten gedurig over den
grond der plantaadje gaan--Mevr. Audra klaagde te regt of ten onregte
over den grooten last dien dit haar veroorzaakte.--De secretaris Jan
Nepveu door Mauricius naar den heer Audra gezonden om deze zaak in der
minne te schikken, vond slechts mevrouw die met de meeste impertinentie
verklaarde, absoluut dien weg niet te zullen permitteren en degenen die
er op kwamen, de beenen te zullen laten aan stukken slaan [246]--en
toen Mauricius zich hierover gebelgd toonde, schaarde Mevr. Audra
zich weldra onder de vijanden van den Gouverneur, ja werd weldra
de ziel der Cabale, vooral na den dood van haar vierden echtgenoot,
(den 17 Mei 1744), die eene openlijke vijandschap vreesde en meermalen
getracht had haar tot bedaren te brengen.--De botsing tusschen haar
en den landvoogd, door onderscheidene kleine omstandigheden gevoed,
werd steeds heviger, waartoe veel bijdroeg haar onbetamelijke omgang
met den Franschen Waalschen predikant Bartelomeus Louis Duvoisin,
een woest, buitensporig en opvliegend man, met wien zij den 27sten
Mei 1748 zich door den band des huwelijks verbond. Het zoude ons
bestek te zeer overschrijden, indien wij een verhaal gaven van de
onderscheidene moeijelijkheden met welke Mauricius te kampen had, en
indien wij al zijne vijanden en de redenen hunner vijandschap tegen
hem den lezer wilde leeren kennen.--Reeds uit het medegedeelde kan men
oordeelen, hoe moeijelijk de toestand van Mauricius was. Daarbij kwam
nog dat de personen die hem terzijde moesten staan, om rust en orde
te handhaven, meerendeels de zijde zijner tegenstanders kozen. Zoo
vond hij o.a. al spoedig tegenwerking bij den persoon, die op hem in
rang volgde, namelijk de Commandeur, die als bevelhebber der troepen
en als eerste Raad van Policie, grooten invloed zoowel ten kwade
als ten goede kon uitoefenen. Philippe Cambrier, een Franschman, die
vroeger kapitein bij de Zwitsers was, werd tot luitenant-kolonel en
Commandeur benoemd en arriveerde kort na de aankomst van Mauricius
in Suriname; hij was met de familie van Sommelsdijk vermaagschapt en
met vele hooggeplaatste personen in Nederland bekend, met welke hij
een gestadige briefwisseling onderhield, waarin hij de daden van
Mauricius in een verkeerd daglicht plaatste, terwijl hij zich in
Suriname aan de partij tegen den Gouverneur aansloot.
Toen Cambrier, die wegens verzuim in de dienst meermalen door
Mauricius tot ijver en pligtsbetrachting moest worden aangemaand, in
Feb. 1744 om zijn ontslag verzocht, werd hem dit verleend; in zijne
plaats kwam Jean Louis L'Archer, heer van Keenenburg, sedert 1743
Ritmeester der cavallerie welke den 29sten December 1746 in Suriname
arriveerde, doch hiervan had Mauricius weinig dienst.--L'Archer was
veelal ziek en veroorzaakte daarenboven den Gouverneur veel moeite
en onaangenaamheden, »daar hij" schrijft Mauricius in zijn dagboek 5
November 1747, »plompelijk 't masker aflegt en geen schaduw van respect
meer observeert," hetwelk zelfs zoo verre ging dat de Gouverneur hem
huisarrest deed aanzeggen en de bijwoning der vergaderingen verbieden;
den 10den Mei 1748 overleed de heer L'Archer, en zijne vrouw behoorde
sedert dien tijd tot de hevigste tegenstanders van den Gouverneur.
De tot zijn opvolger benoemde heer Wigbold Crommelin, kwam eerst in
1749 in Suriname aan; deze heer had door zijne bekwaamheden en door
zijne gehechtheid aan en overeenstemming met Mauricius, dezen tot
grooten steun kunnen zijn; hij kwam daartoe te laat--de oneenigheden
waren reeds te ver gekomen.
Met den Raad Fiscaal van Werven waren ook velerlei onaangenaamheden. Na
diens overlijden 22 Aug. 1746, kwam, ter zijner vervanging,
Mr. Nicolaas Anthony Kohl den 13den Dec. 1746 te Suriname aan.--Deze
stond Mauricius trouw ter zijde, werd zelf zeer met hem bevriend
en huwde den 26sten Januarij 1746 met zijne oudste dochter, doch
overleed reeds den 27sten Oct. 1748. Bijna een jaar lang werd het
Fiscalaat a. i. waargenomen door den Raad van Policie Hendrik Talbot,
doch het meeste werk kwam nu op Mauricius neder, die hierom echter van
heerschzucht beschuldigd werd. Den 31sten October 1749 aanvaardde de
in Nederland tot Fiscaal benoemde Secretaris Jacobus van Baerle die
betrekking, maar overleed reeds den 25sten Sept. 1750, waardoor de
werkzaamheden van Mauricius weder zeer vermeerderd werden.
De secretaris van het hof Scherping behoorde mede tot de tegenpartij;
was hij zulks in het eerst slechts in het geheim, zijne vrouw
daarentegen, door Mauricius meermalen de Gouvernante van den waterkant
genoemd, kwam hier voor openlijk uit. (het hier straks vermelde
strekke ten bewijze).
Zoo beleedigde ook de vrouw van den ontvanger Freher, mede Raad
van Politie, den Gouverneur. Deze had een deurwaarder uitgezonden,
om zekeren heer Cellier te spreken. De deurwaarder vervoegde zich,
ter voldoening aan den last des Gouverneurs, in een huis, waar onder
meer gezelschap zich ook mevrouw Freher bevond, die hem toevoegde:
»Moet gij hem van dien Aap spreken, die schelm, wat moet die schoelje
hebben?" [247]
De daaromtrent ingestelde regterlijke vervolging was van langen duur
en baarde nieuwe onaangenaamheden.
Meer en meer barstte het vuur der tweedragt uit, toen Salomon Duplessis
in Maart 1747 door de ontevredenen, op gezamenlijke kosten naar Holland
werd gezonden, om daar over Mauricius te klagen en zijne terugroeping
te bewerken.
Later werd Duplessis eene procuratie door eenige leden onderteekend
nagezonden, waarvan de teekening van sommige personen door list of
vreesverwekking afgeperst was, enkelen hadden zelfs niet geweten wat
zij teekenden enz.
Duplessis wendde in den Haag alle pogingen aan ter bereiking van zijn
doel: de terugroeping van Mauricius, en werd hiertoe uit Suriname
door de leden der Cabale ondersteund.
Mauricius moest zich nu in uitvoerige memoriën tegen die aanklagten
verdedigen en de bewijzen hiervan overleggen; daarbij werd hij
genoodzaakt om met krachtige hand de woelingen in Suriname tegen te
gaan, waardoor hij zich echter gedurig nieuwe vijanden verwierf.
In overleg met het Hof van Policie, waarin hij bij nieuwe keuze meer
medestanders verkreeg, maakte Mauricius in December 1748 gebruik van
het den Gouverneur en Raden toegekende regt van Politieke uitzetting
om den burger kapitein Jan Pieterse Visser en Everardus Brouwer,
beide raden van Civiele Justitie de kolonie te doen verlaten; hierdoor
werden nieuwe grieven tegen hem gevonden. Ongelukkig kwam het schip,
waarmede Visser verzonden werd, nimmer te regt en dat waarop Brouwer
zich bevond, werd door Fransche kapers genomen. Brouwer overleed te
Morlain, waar het schip binnengebragt was.
Reeds in het begin van December was tot de politieke uitzetting van
den Joodschen burger kapitein Isaac Carilho besloten, op verzoek der
Joodsche regenten, aan wie een privilegie reeds door van Parham was
toegekend om personen hunner natie, over wier gedrag men ontevreden
was, en welker handelingen onrust verwekten, uit de kolonie te
verbannen. Zie bladz. 173.
Vroeger had Mauricius getracht, om de oneenigheden tusschen regenten
en Carilho te stillen; en was hem dit toen gedeeltelijk gelukt, later
sloot echter Carilho die van een onrustig woelzieken aard scheen te
zijn, zich bij des Gouverneurs tegenstanders aan, en werd door hem
als burger officier ontslagen. Tot veel geschrijf en onaangenaamheden,
heeft deze zaak aanleiding gegeven, dan--aan de politieke uitzetting
is echter geen gevolg gegeven. Zoo brandde het vuur der tweedragt
aan alle zijden, want ook Mauricius had zijne aanhangers, waaronder
voornamelijk Ds. Ronde en de raadsheeren Tourton en Pallak geteld
kunnen worden. Sommigen dezer heeren hadden een memorie tegen de
klagten v. Duplessis geteekend, hetgeen Mauricius echter, om elk
verwijt over partijdigheid te vermijden, had verhinderd; zelfs boden de
heeren Tourton en Pallak in de volle raadsvergadering »met de teederste
hartelijkheid" aan, om naar Holland te gaan ten einde de onschuld van
den Gouverneur te bewijzen, terwijl de raden zich mede zeer gekwetst
gevoelden over de valsche en onware beschuldigingen. [248]
Als een bewijs van de goede gezindheid van verscheidene ingezetenen,
kan genoemd worden de instelling der Mauritsridders, waarvan
Mauricius in zijn dagboek van 3 Mei 1743 het volgende verhaalt. »De
goede ingezetenen van Suriname hebben mij in mijn verdriet willen
vervrolijken met heden mijn geboortedag te celebreren op eene
gedistingueerde wijze. Genoegzaam alle heeren en dames van fatsoen,
hebben mij en mijne vrouw komen komplimenteren en 's namiddags
hebben een groot getal jonge heeren een optocht te paard gemaakt,
't welk nooit hier gezien is, met muziek vooruit. Wanneer de ruiters
niet gewoon zijn te paard te zitten, en de paarden niet gewoon zijn
onder den man te gaan, geeft het eene slechte cavalcade, doch deze is
echter in volkomen orde geweest, zelfs hebben se voor 't Gouvernement
eene soort van exercitie gedaan, die wel uitgevoerd is, 's avonds
hebben zij mij vereerd met een fraai vuurwerk, welks gelijken hier
nooit gezien is, en 't welk de heer Bird [249] de galanterie heeft
gehad van te dirigeeren; verder heb ik een maaltijd en bal gegeven
voor het gansche gezelschap (de nieuwe ridders er onder begrepen)
doch heb bij alle die vreugde niet kunnen assisteren dan met den
voet op een kussen.)" Genoemde ridders, 24 in getal, droegen roode
monteringrokken en zilveren kruisen aan een blaauw lint, zij boden
aan een corps op te rigten, om in tijd van nood het land te kunnen
verdedigen, Mauricius die echter begreep, dat in Suriname zelden iets
in zijne regte palen kon blijven, zonder de een of andere echappade,
wees dit beleefdelijk van de hand en maakte eenige bepalingen omtrent
deze nieuwe ridders; doch daar deze instelling, hoe onschuldig ook
in zijn aard, tot vele klagten aanleiding gaf, is het corps spoedig
reeds (6 November) 1745 ontbonden. De hoofdman van dit corps was
Herman Nicolaas van de Schepper die wel zekere hartelijkheid bezat,
maar zich door ligtzinnigheid en losheid van zeden kenmerkte, zoodat
zijne vrouw zelfs scheiding van hem verzocht en verkreeg; hij liet
het de onder zijn bevel geplaatste eerewacht aan geen wijn en andere
ververschingen ontbreken, zoodat na afloop der exercitie, meermalen
zwelgpartijen plaats vonden waarop het ruw toeging en meermalen hevige
twisten tusschen de Mauritsridders en de leden der cabale ontstonden,
die door stokslagen en degenstooten opgevolgd werden.
De oprigting van dit corps, waarvan Mauricius geen kennis had
gedragen, werd hem door zijne vijanden echter als blijk van hoogmoed en
inbeelding verweten, en toen hij nadeelige gevolgen van onverstandigen
ijver bij die jonge lieden vreezende, het zelf in November 1745
ontbond, berokkende hij zich hierdoor weder andere vijanden. Zijne
vijanden zochten dan ook gretig al zijne handelingen in een kwaad
licht te stellen; allerlei beschuldigingen, waarvan sommigen als
uit de lucht gegrepen waren, anderen door verdraaijing en verkeerde
toelichting der feiten, een schijn van waarheid verkregen, werden
opgesomd en H. H. M. toegezonden.
Zoo werd hem ook inhaligheid, schraapzucht en eigenbaat verweten en in
de klagten van Duplessis werd gezegd, dat dit zoo ver ging, dat hij,
om ze te bevredigen, door het verkoopen van roode slaven (Indianen)
van een bevrienden stam, dien der Caraïben, een zoodanig misnoegen
bij dit volk had gaande gemaakt, dat men voor vijandelijkheden van
hunne zijde vreesde. [250]
Mauricius wederlegde de meeste dezer beschuldigingen voldingend,
maar men voer voort met gedurig nieuwe bij de oude te voegen; zoo
beschuldigde de predikant Duvoisin hem o. a. dat hij zich omtrent
de Zwitsersche familiën (zie bladz. 112) met onverschoonlijke
nalatigheid gedragen had, en door partijdige bescherming van den
bestuurder Bussy, die hen niet goed behandelde, oorzaak van hun
ondergang was geweest. Doch uit het dagboek van Mauricius, gelijk uit
zijne verdediging (Recueil 4, dl. 42), blijkt dat hij hierin geheel
onschuldig was.
Reeds bij aankomst der bergwerkers, overtuigde hij zich met eigen
oogen of zij goed gelogeerd waren, en ondersteunde hen zooveel
mogelijk. [251] Den 28 October [252] onderzocht hij de planken die
tot het bouwen der woningen gereed gemaakt en die reeds een jaar
van te voren betaald waren, maar hij bevond dat men hem schandelijk
bedrogen had en dat de planken niet bruikbaar waren. Gedurig vindt
men in het dagboek vermeld van ziekten onder hen, van wegloopen van
gehuurde slaven, van aanvallen der Marrons en bij dat alles ziet men
dat Mauricius hielp waar hij kon. De boerenfamiliën in Augustus 1747
aangekomen, werden door hem gemonsterd en verdeeld. Zijn oordeel over
hen was vrij gunstig, doch weldra (Nov. 1778) schrijft Mauricius van
hen dat zij geen hand willen uitsteken. Over de later aangekomen
Zwitsers was mede het eerste oordeel gunstig (zie dagb. 17 Nov.,
3 Dec. 1748), doch spoedig slaat hij ook over hen een anderen toon
aan. In Maart 1749 dienden zij klagten in over hunne bestuurders Du
Bussy en Felix; en in plaats van deze, zooals Duvoisin gezegd had,
partijdig te beschermen, werd, daar sommigen dier klagten gegrond
waren, Du Bussy niet weder terug gezonden, Felix gedegradeerd en een
ander in zijne plaats gesteld [253] doch hun eigen slecht gedrag,
gepaard met andere omstandigheden, [254] was de voorname oorzaak dat
deze kolonisatie geene goede gevolgen had.
Tijdens het bestuur van Mauricius kwamen verscheidene onheilen over
de Kolonie.
In 1743 heerschten er zeer hevige ziekten, als: kinderpokken, heete
koortsen en eene ziekte die vele kenteekenen van ijlhoofdigheid
bezat. Men hoorde niets dan van dooden en zieken--geheele huisgezinnen
stierven bijna uit. [255]
In Januarij 1745 ontstond er een zware brand op de Knoffelsgracht,
die bij volslagen gemis van brandbluschmiddelen, noodlottige gevolgen
had kunnen hebben, doch hij werd, daar er bij geluk geen wind was,
spoedig gestuit. [256]
In November 1746 brak er een hevige boschbrand uit, die zich tot
suikerriet en kostgronden uitstrekte; van alle zijden vernam men
droevige tijdingen deswegens; de pogingen met een getal van 150 slaven
ter stuiting aangewend, bleven eerst vruchteloos. Te Paramaribo kon
men bijna geen ademhalen van den dikken rookdamp; de zon vertoonde zich
rood als bloed; men kon de schepen op de reede kwalijk zien.--Mauricius
nam verscheidene maatregelen, en verzocht de predikanten niet alleen
slechts zondags hunne predikatiën in te rigten als op een bededag,
maar tweemaal in de week bedestonden te houden om den Heer te smeeken
dit kwaad af te wenden.
Het behaagde God een regen te geven, waardoor het vuur na een maand
te hebben gewoed, eindelijk gestuit werd. [257]
Eene [258] andere moeijelijkheid was de slechte staat van de kas
der Modique lasten waaruit de noodige betalingen voor de behoefte
der Kolonie moesten geschieden. Den 28sten Feb. 1744 werd daarom in
eene zitting van het Hof van Politie met eenparige stemmen besloten
om overeenkomstig met het 29 art. van het Octrooi, eene algemeene
heffing te verordenen, die berekend werd voor iederen blanke en voor
iederen slaaf (roode of zwarte) boven de 15 jaren f 1,-- per hoofd,
voor de kinderen f 0,50 [259]; deze belasting schijnt echter niet tot
stand te zijn gekomen, daar er in de notulen van 31 Mei 1747 op nieuw
van wordt gewaagd; een idem op de huurwaarde der huizen in Paramaribo,
waaruit de onkosten voor brandspuiten gevonden moesten worden, [260]
vond zooveel tegenstand dat zij niet uitgevaardigd werd.
De gevreesde vijandelijke inval der Franschen en daardoor noodzakelijk
geachte verdediging, had ook vele onkosten te weeg gebragt.--Steeds
schoorvoetende en onder gestadig protest, waren daarvoor door
de Kolonisten gelden verleend. [261]--Wel werd in Julij 1747 door
sommige burgerofficieren, mede uit naam van verscheidene voorname
ingezetenen, eene vrijwillige contributie tot dat einde aangeboden,
maar daar men het daarbij beoogde doel om door het benoemen van
commissarissen uit hun midden invloed en medegezag te erlangen, niet
bereikte, trad men weldra weder terug, en zocht allerlei uitvlugten,
zoodat het Hof besloot een geldleening te sluiten. »Doch nu was,"
schrijft Mauricius, in zijn dagboek, [262] »niemant t'huis, alle
die pofhansen, die spraken van gouden bergen te GEEVEN, houden nu de
handen binnen, nu men maar spreekt van te LEENEN, of van te AVANCEEREN,
't geen zij toch over drie maanden so voor hen als in hun qualiteit,
sullen moeten betalen. Ik en eenige raden houden 't onderwijl nog
gaande met verschotten."
Een der voornaamste oorzaken van het ledig worden der kas van de
Modique lasten was echter gelegen in de herhaalde togten op de
weggeloopen slaven, waarvan wij in een vorig hoofdstuk een verslag
gaven. [263]
Om deze en andere redenen stelde Mauricius voor [264] om te beproeven
vrede met hen te sluiten, en werden daartoe pogingen aangewend, [265]
welke echter, hoewel zij in het wezenlijk belang der kolonie waren,
door de tegenpartij zeer Pernicieus en Ruïneus voor dezelve genoemd
werden; en de Cabale in Suriname leverde, in vereeniging met eenige
eigenaars van plantaadjes en Amsterdamsche kooplieden, in Februarij
1750 een rekwest aan H.H.M. in [266] waarbij zij den verlangden vrede
met de weggeloopen slaven op het hevigste bestreden, en deden voorkomen
als door lafhartigheid van den Gouverneur ontworpen; zij zagen er
in eene beleediging van het eigendomsregt der meesters, een slecht
voorbeeld voor de andere slaven enz. enz. In de meesterlijk gestelde
verdediging van Mauricius werden al deze bezwaren wederlegd, dan zulks
baatte hem weinig, gedurig werden nieuwe klagten en beschuldigingen
door Duplessis en anderen tegen hem ingebragt.--De Directeuren der
geoctroyeerde Sociëteit, wien ook sommigen dier klagten golden,
namen steeds de partij voor Mauricius bij de Staten op; daar echter
noch dit, noch de uitvoerige verdedigingsschriften van Mauricius de
tegenstanders tot zwijgen bragt, en H.H.M. in hun oordeel weifelden,
verzochten Directeuren in eene missive den 14 April 1749 om de zaak,
ter nader onderzoek, aan den Hoogen Raad van Holland op te dragen,
waartoe diens overeenkomstig door de Staten werd besloten. Dit
behaagde echter zijne vijanden niet--men wenschte tot elken prijs
zijne terugroeping, en verspreidde alzoo de ongunstigste berigten
over den toestand der kolonie. Eindelijk bragten zij het zoover,
dat de Staten-Generaal bij besluit van 22 Mei 1750 den stadhouder
Prins Willem den Vierde magtigde om zoodanige maatregelen te nemen,
als Z. D. H. tot herstel van rust en orde noodig achtte. De prins
zond daarop den Generaal Majoor Hendrik Ernst Baron von Spörche
als eerste commissaris, en de heeren Mr. Karel Bosschaert-Stenis,
Pensionaris van Schiedam en Mr. Hieronimus de Swart, Raad van de stad
Gorinchem als mede-commissarissen naar Suriname om de zaken aldaar
te onderzoeken. Z. D. H. verleende hun magtiging om, naar bevind van
zaken, te handelen, en om zelfs, indien zij zulks noodig mogten achten,
den heer Mauricius naar Nederland te zenden, in welk geval den heer
Generaal von Spörche voorloopig het bestuur moest aanvaarden.
Met deze heeren ging tegelijk een regiment van 400 soldaten,
uit verschillende garnizoens van den staat getrokken, naar de
kolonie.--Het bevel hierover was aan von Spörche en, onder hem,
aan den kolonel Otto Christiaan, baron van Verschuer, vrijheer des
H. Roomschen rijks, erfheer van Soltz, opgedragen. Bij resolutie van
de Staten van Holland den 23sten Julij 1750 werden de kosten van het
onderhoud der Commissarissen en troepen geschat op f 150,000, waarvan
1/4 door de Sociëteit en 3/4 door de ingezetenen moest worden gedragen,
waartoe later eene nieuwe belasting als Hoofdgeld van 1 gulden 's
jaars werd uitgeschreven, en ook het lastgeld der schepen verhoogd.
Ultimo November en primo Dec. 1750 kwamen de schepen met de
commissarissen en troepen op de reede van Paramaribo aan. Na eenige
wederzijdsche complimenten tusschen HH. Commissarissen en den
Gouverneur, leverde Mauricius den eerstgenoemden den 15den Dec. 1750
eene memorie in omtrent den staat der geschillen in Suriname [267].
Door heeren Commissarissen werd audiëntie verleend waarop ieder zijne
klagen en bezwaren mogt inbrengen; ruimschoots werd hiervan gebruik
gemaakt.--Mauricius verlangde dat ieder afzonderlijk gehoord zoude
worden en hij maakte Commissarissen opmerkzaam dat het houden van
vergaderingen, waarbij men zich tot onderling overleg vereenigde,
onwettig was en men daarbij de hoofden der Cabale gelegenheid gaf,
de van hen afhangende personen te prepareren om hun geleerd lesje op
te zingen [268].
Mauricius had juist geoordeeld, ofschoon de Commissarissen die
aanmerking in den wind sloegen.--Sommige ingezetenen leverden een
uitgebreid stuk, genaamd »verzoekpointen van redres" in 52 artikelen
aan Commissarissen in; deze heeren schenen wel eenigermate onder den
invloed van de aanzienlijkste leden der Cabale te geraken, daar zij,
volgens het dagboek van Mauricius, vele feesten en partijen bij hen
bijwoonden; en deze omgang met de vijanden van den Gouverneur bragt
misschien er veel toe bij, om hun oordeel te vestigen: dat de klove
te groot was om gedempt te kunnen worden en dat het tot herstel van
rust en orde onder de bevolking noodig ware dat Mauricius uit de
kolonie vertrok [269].
Den 13den April 1755 werd door Commissarissen eene publicatie
uitgevaardigd, waarbij den volke werd bekend gemaakt, dat zij noodig
hadden geoordeeld Z. K. H. rapport van hunne gedane informatiën te
geven, opdat Z. K. H., naar zijne hooge wijsheid daarover beslissen
konde en dat zij het mede goed hadden geoordeeld om den heer
J. J. Mauricius, Gouverneur, naar Holland te zenden (ongeschonden
zijne eere, met behoud zijner gagie), ten einde in persoon zijne zaak
in Holland te kunnen verdedigen, terwijl zij, overeenkomstig de hun
verleende magt, voorloopig zijne waardigheid hadden opgedragen aan
den baron H. E. von Spörche, Generaal-Majoor enz. Hoewel Mauricius,
reeds vóór de aankomst der Commissarissen, aan Directeuren om een jaar
verlof gevraagd had, ten einde zijne zaak in Nederland te bepleiten
(welk verlof hem verleend werd, doch eerst na zijn vertrek in de
kolonie aankwam) griefde hem de handelwijze der Commissarissen zeer
en beklaagde hij zich in een brief aan HH. Directeuren hierover in
treffenden toon.
Den 12den April 1751 gaf hij het bestuur aan Von Spörche over, regelde
zijne particulieren zaken en vertrok den 15den Mei met zijne vrouw
en twee zijner jongste kinderen naar Nederland.--De Commissarissen
Bosschaert en de Swart waren reeds den vorigen dag met een ander
schip vertrokken.
Zoo verliet dan Mauricius dat Suriname, alwaar hij gedacht had zijn
leven te zullen eindigen, waar hij zijn graf reeds had doen gereed
maken, waar hij vele bezittingen had aangekocht, waar hij vele dierbare
bloedverwanten achterliet.
Bij de benoeming van Mauricius had men groote, zeer groote
verwachtingen gehad, misschien te groot schreven wij op bladz. 161,
want, merkten wij aan, een bekwaam regtsgeleerde of staatsman is
nog niet altijd tevens een goed bewindvoerder. Zoo weinig vindt
men beide in één persoon vereenigd--dan al ware dit zoo geweest,
eene kolonie als Suriname te besturen was eene uiterst bezwarende
taak en men moet erkennen dat Mauricius werkelijk veel goeds voor de
kolonie heeft verrigt en nog oneindig meer had kunnen doen, ware hij
niet zoo geweldig tegengewerkt.
In den loop der geschiedenis hebben wij hierbij meermalen stil
gestaan en wierpen wij een blik in den ellendigen zedelijken
toestand van Suriname's blanke bevolking, omtrent Mauricius moeten
wij aanmerken, dat, niettegenstaande zijne vele talenten, hem het
ridderlijk, mannelijk karakter ontbrak, hetwelk wij bij van Sommelsdijk
waarnemen. Bij de verschillen met de ingezetenen had Mauricius zeker
meestal gelijk en meermalen trachtte hij ze bij te leggen, maar de toon
en de wijze waarop hij zulks beproefde waren zoodanig, dat hij zijne
tegenstanders in plaats van ze te overtuigen, nog meer verbitterde;
zijn bijtend sarcasme nam hen tegen zich in, terwijl zijne ijdele
zelfverheffing ook voor den onpartijdige stuitend is.
Voor zoover men uit de geschiedenis kan opmaken, handelde hij meer
als een fijn beschaafd man, die als zoodanig met de ruwe onbeschaafde
maatschappij van Suriname gestadig in tegenspraak kwam, dan als een
geloovig Christen, die in de kracht des Heeren wel het kwade met wortel
en tak zoekt uit te roeijen, doch personeele beleedigingen met den
mantel der liefde wil bedekken. In Nederland teruggekomen zegevierde
hij weldra over al zijne tegenstanders; zijne onschuld werd erkend,
doch hij keerde niet naar Suriname terug. Hij verzocht en verkreeg
zijn ontslag in Aug. 1753 als Gouverneur van Suriname en vertrok
in 1756, voor de tweede keer als minister van Staat naar Hamburg,
alwaar hij in 1768 overleed.