TWEEDE HOOFDSTUK.

Van den inval van Cassard (1712) tot de optreding van Jan Jacob

Mauricius als Gouverneur (1742); overzigt van den landbouw te

dien tijde, proeven van kolonisatie, enz.

Den 6den December 1712, des avonds ten zeven ure, vertrokken de twee

Fransche commissarissen le Vasseur en Seraphin van Paramaribo, en met

hen de heer Elias Chaine, die als gijzelaar voor de voldoening der

wisselbrieven medeging; en bij het krieken van den volgenden morgen

zeilde de heer Cassard met zijne vloot de rivier uit. [91]

Haalde men nu in Suriname ruimer adem toen de Franschen vertrokken

waren, de droevige gevolgen dier geduchte brandschatting deden zich

weldra gevoelen.

Een der droevigsten was de tweespalt, die er tusschen de eigenaars, »de

geoctroijeerde Sociëteit van Suriname" en de kolonisten, en tusschen

dezen onderling weldra uitbrak over de betaling dier brandschatting

en over die van den met volle regt, ernstig geëischten bouw der

verdedigingswerken, enz. enz.

Toen men in den nood zat en goede raad duur was, hadden de meesten

der opgeroepen burgers, op het voorstel van den gouverneur wegens

de te betalene brandschatting geantwoord, dat zij bereid waren

hiertoe de gevraagde opofferingen te doen; sommigen zelfs lieten

de bepaling hiervan geheel aan den gouverneur en raden over. [92]

Toen de Fransche commissarissen te Paramaribo kwamen, om het een en

ander nader te regelen, werden de heeren Cornelis Denys en Daniel

Pichot gecommitteerd om deze zaken in orde te brengen; men ging bij

de burgers rond, nam de goederen op, teekende de prijzen aan, gelijk

ook de voorhanden zijnde suiker, en alles werd van tijd tot tijd aan

de Fransche schepen verzonden. [93] Tegen dit alles was geen verzet

geweest,--maar, nadat de vijand de kolonie had verlaten, en nu ieders

in de brandschatting te dragen aandeel moest worden bepaald, toen

eerst kwamen de moeijelijkheden, toen barstte het algemeen misnoegen

los, toen ontstond er wrevel en brak het hevigste vuur der tweedragt

uit. [94]

Bij placaat, in Januarij 1713 door gouverneur en raden uitgevaardigd,

werd bevolen, dat er een inventaris van ieders bezitting zou worden

opgemaakt, ten einde hierdoor in staat te worden gesteld, om eene

behoorlijke regeling van ieders te betalene bijdragen te maken.

Hoewel reeds bij deze inventarisering veel onwil en misnoegen bij de

kolonisten gezien werd, kwam zij echter tot stand, en nu werd de omslag

tot bestrijding van de kosten der brandschatting op 8 à 10 pCt. op

het kapitaal der ingezetenen bepaald, en dien overeenkomstig eene

belasting uitgeschreven. Nu namen de ontevredenheid en het misnoegen

in hevigheid toe.

Sommige kolonisten zelfs beschouwden zich als onverpligt tot het

betalen der belasting; zij vermeenden dat de eigenaars, de directeurs

en de geoctroijeerde sociëteit van Suriname dien last dragen moesten,

omdat deze niet behoorlijk voor verdedigingswerken gezorgd hadden,

waartoe zij toch, volgens hun oordeel, bij het octrooi verpligt en

daarenboven herhaaldelijk aangemaand waren.

Tot staving van hun oordeel voerden zij de omstandigheid aan,

dat o. a. reeds bij den eersten aanval van Cassard in Junij 1712,

de burgerofficiers, daartoe door de ingezetenen gevolmagtigd, zich

bij eene breedvoerige missive tot de Staten-Generaal gewend hadden,

waarin zij, na eerst een omstandig verhaal van het voorgevallene bij

den eersten aanval van Cassard gegeven te hebben, H. H. Mog. wezen

op de belangrijkheid der kolonie en op het voordeel, dat Nederland

er van trok, en daarna hunne klagten inbragten over het verzuim der

Sociëteit van niet voor genoegzame verdedigingswerken te hebben

gezorgd; over de onbillijkheid, dat de kolonisten bezwaard waren

geworden om bouwstoffen te leveren en slaven af te staan, om het

bestaande ten minste nog in tamelijk goeden staat te houden.

In die missive beklaagden zij zich niet slechts, dat de bescherming

der Kolonie verwaarloosd werd, zij beklaagden zich ook, dat er

willekeurige belastingen, in strijd met het octrooi, werden geheven;

zij beklaagden zich over de Sociëteit, over den gouverneur, over de

raden van policie en eindelijk ook nog over de West-Indische Compagnie,

omdat deze voor geen genoegzamen aanvoer van slaven had gezorgd. Na al

deze gegronde en ongegronde klagten hielden zij bij H. H. Mog. aan,

en verzochten om redres, teruggave van de, volgens hunne meening, te

veel betaalde gelden, en nu verbeidde men in Suriname met ongeduld

de uitwerking van dit klaagschrift. De directeurs der Sociëteit,

toen hun deze stap der burgerofficiers bekend werd, zaten mede niet

stil, maar leverden op hunne beurt eene uitvoerige wederlegging dier

klagten bij de Staten-Generaal in.

H. H. Mog. benoemden daarop eene commissie uit de Gedeputeerden van

de Provinciën Holland en West-Friesland, om alles nader te onderzoeken

en hen van advies te dienen.

De einduitslag hiervan was, dat de directeuren der sociëteit in het

gelijk werden gesteld, en bij resolutie van 28 Julij 1713 werd door

de Staten-Generaal eene aanschrijving naar den gouverneur en raden

van policie in de kolonie uitgevaardigd, waarin de ontevredenheid

over dezen stap den burgerofficiers werd te kennen gegeven,

wordende hun tevens bevolen zich voortaan van het beleggen en

bijwonen van afzonderlijke vergaderingen te onthouden, en hun

gelast de verschuldigde belastingen te betalen en zich aan den

gouverneur en de raden te onderwerpen, hunne orders op te volgen,

enz. enz. Zoo iets had men in Suriname niet verwacht--men had de

hoop gekoesterd, dat zoo niet alle, ten minste eenige der klagten

zouden gehoord en naar billijkheid daarin zou voorzien geworden

zijn--en nu ontving men dergelijk antwoord! De ontevredenheid onder

de kolonisten vermeerderde--er was nieuwe stof hiervoor--het onheil

dat bij de missive der burgerofficiers als mogelijk was voorgesteld,

was werkelijk gekomen, de kolonie, niet behoorlijk beschermd, was ten

prooi geweest aan de roofzucht van den Franschen vrijbuiter--en in

plaats van de bekomene orders op te volgen, vergaderde men op nieuw,

en herhaalde de door de burgerofficiers in naam der burgers ingeleverde

klagten, en behalve de reeds vroeger gedane eischen verlangde men nu

ook vergoeding voor alle onkosten en schade, die men door den inval

van Cassard geleden had en de teruggave der gelden, die men hem had

moeten opbrengen, enz.

De directeuren bragten daarentegen hunne verdediging in en de

Staten-Generaal beslisten weder in hun voordeel; zij oordeelden dat

men de directeurs onregtvaardig beschuldigd had en deze dus tot geene

teruggave als anderszins verpligt konden worden. [95]

Weldra, den 28sten December 1713, volgde er eene tweede aanschrijving

van H. H. Mog. aan den gouverneur en de raden, om de ingezetenen

van Suriname op nieuw te vermanen, zich stiptelijk naar de vroegere

bevelen te gedragen en hun te bevelen om de achterstallige schuld

aan de Sociëteit, zoo wegens hoofdgelden, als wegens gekochte doch

niet betaalde slaven, van welke betaling men om aangevoerde redenen

ontslagen meende te zijn, te betalen--en wat het belangrijkste punt,

de aanbouw van behoorlijke verdedigingswerken, betrof, hierop werd door

de Staten-Generaal geantwoord, dat zij de belangrijkheid daarvan mede

erkenden, maar dat de kolonisten zich met de directeurs der Sociëteit

moesten trachten te verstaan over de wijze waarop dit zou geschieden,

en met hen en H. H. Mog. in overleg treden over het bedrag van ieders

aandeel tot bestrijding der kosten.

Dat in Suriname bij deze herhaalde teleurstelling de ontevredenheid

tegen het bestuur der sociëteit eer toenam dan verminderde,

behoeft naauwelijks gemeld te worden; men onderwierp zich, doch met

onwil; wrevel vervulde de gemoederen, en gedurig zien wij hiervan

onderscheidene blijken in den loop der geschiedenis.

Het gezamenlijk belang, dat èn de eigenaars van Suriname,

vertegenwoordigd door de directeurs der geoctroijeerde sociëteit,

èn de kolonisten in den bloei en welvaart der volkplanting hadden,

moest hen vereenigd hebben, moest hen de handen hebben doen ineenslaan,

om met vereende krachten maatregelen te verordenen en uit te voeren,

die ten goede der kolonie konden verstrekken. Maar er ontstond nu

eene breuke, die moeijelijk kon geheeld worden; een ieder dacht meer

om zijn eigen dan om het algemeen belang; de een vertrouwde den ander

niet, en ieder trachtte op zijne beurt het meest mogelijke voordeel

van den andere te verwerven, en zelf het minst mogelijke te betalen.

Dat deze staat van zaken ongunstig werkte, dat hierdoor veel verzuimd

werd, dat het welzijn van Suriname had kunnen bevorderen, ligt in

den aard der zaak.

Zoo verliepen er dan ook verscheidene jaren eer men tot dien zoo

dringend noodzakelijk geachten bouw van de verdedigingswerken overging.

In de kolonie wilde men zich niet uitlaten hoeveel men daartoe zou

willen bijdragen; de directeurs der sociëteit wachtten hierop een

geruimen tijd; eindelijk, na ernstige overweging, besloten zij den

eersten stap te doen, en daar zij vreesden, dat door over en weder

schrijven de gelegenheid zou voorbijgaan om nog bij tijds de kolonie

in behoorlijken staat van tegenweer te brengen, en zij alzoo bij den

eersten den besten vijandelijken aanval niet slechts groot gevaar

loopen, maar misschien geheel geruïneerd zouden worden,--zonden,

om dit te voorkomen, de directeurs dan op hunne kosten den Ingenieur

Draak uit Nederland naar Suriname, om alles naauwkeurig op te nemen,

en de directeurs daarna in te lichten, welke fortificatiën tot eene

goede verdediging der kolonie werden vereischt.

Hij volbragt zijnen last, en vervolgens werd door hem, in overleg

met den directeur-generaal des Rosques, het plan tot verbetering der

oude en het aanleggen van nieuwe fortificatiën gemaakt, en de kosten

hiervan begroot op ongeveer f 800,000.--

Na vele en velerlei bijeenkomsten tusschen directeuren van de

sociëteit en gemagtigden der inwoners van de kolonie, werd eindelijk

den 8sten December 1733 eene overeenkomst deswege gesloten, welk

verdrag door eene resolutie der Staten-Generaal van 19 December 1733

werd goedgekeurd en bekrachtigd.

De directeurs verbonden zich om bekwame werklieden en bouwstoffen te

zenden; de kolonisten om zorg te dragen, dat er steeds een genoegzaam

aantal slaven voor alle verdere diensten aanwezig waren. De directeurs

zouden zeven jaren lang, in welk tijdsverloop alles moest voltooid

zijn, ieder jaar f 20,000 voor hun aandeel in de kosten storten,

de kolonisten jaarlijks f 60,000 [96].

Als hoofd-verdedigingswerk besloot men tot den aanleg van een

regelmatig fort, dat »Nieuw Amsterdam" zou worden genaamd.

Verscheidene ingenieurs kwamen daartoe uit Nederland, en daar de

voordeelige ligging van het fort als hoofdzaak werd beschouwd,

getroostte men zich de moeite en kosten om het op eene modderbank,

toen Tijgershol genaamd, te bouwen. [97] De eerste steen werd in 1734

gelegd en het fort in 1747, dus dertien jaren daarna, voltooid. De

plannen van dit fort waren, gelijk wij reeds vroeger gemeld hebben,

gemaakt door den ingenieur Draak, terwijl de uitvoering werd opgedragen

aan den ingenieur Pierre Dominique des Marets.

Het ligt op een hoek, waar de rivieren de Suriname en de Commewijne

hare wateren in de zee storten en beschermt alzoo den ingang van beide

rivieren, terwijl eene wijd uitgestrekte modderbank de nadering der

werken door vijandelijke vaartuigen belet.

Het fort, dat ongeveer 3/4 uur in den omtrek heeft, vormt een

regelmatigen vijfhoek, en wordt door breede watergrachten omringd;

de vijf bolwerken zijn met geschut beplant, terwijl een bedekte weg

naar drie wapenplaatsen leidt, waarvan twee de rivier de Suriname

en een de rivier de Commewijne bestrijken; de aarden borstwering

rust op een wal van rotssteen onder water, om het wegzakken te

voorkomen. Binnen in het fort vindt men de officierswoningen, de

kasernen der soldaten, eene smederij, eene timmermanswerkplaats,

magazijnen voor kruid en levensmiddelen, een wind-korenmolen en een

regenbak voor meer dan duizend ton water. Midden door het fort loopt

een weg, aan weêrszijden met oranjeboomen beplant, die over een brug

over de gracht naar kostgronden en eene landingsplaats voert, die

door een gegraven kanaal, dat in eene kreek uitwatert, de gemeenschap

met het overige gedeelte der kolonie blijft openhouden, al waren die

langs de rivieren door eene vijandelijke magt gestremd.

Deze vesting, de sleutel der kolonie, gebouwd op een zeer lagen

moerassigen grond, strekt den ontwerpers en uitvoerders tot eer, en

staat daar in het verre westen als een blijk van hetgeen Nederlandsche

volharding in dien tijd vermogt.

Tot eere van Nederland zeiden wij, en wij zeiden niet te veel, want

indien men de moeijelijkheden en bezwaren nagaat, met welken men

bij dezen bouw te kampen had, dan moet men de volharding, die tot

den aanleg eener dergelijke vesting op eene modderbank noodig was,

bewonderen.

De grond, waarop men bouwde, het voor den Europeaan afmattend klimaat,

waren reeds bezwaren, die niet ligt te achten zijn, en dan nog kwamen

hierbij de twisten en verschillen tusschen de directeurs der sociëteit

en de kolonisten over de huur en het aantal der voor het werk te

leveren slaven, waardoor de moeijelijkheden zeer vermenigvuldigd

werden.

De tusschenkomst der Staten-Generaal werd ter vereffening

dezer verschillen ingeroepen; na veel over en weder schrijven,

na verscheidene bijeenkomsten en onderhandelingen, werd door den

gouverneur voor de sociëteit en door de raden van policie voor de

ingezetenen, onder goedkeuring van H. H. Mog., den 6den Maart 1748

eene verbindtenis aangegaan, waarbij deze zaken wel voor het oogenblik

geregeld werden, doch waardoor de ontevredenheid en de wrevel, die in

Suriname heerschten, echter niet werden weggenomen. De reeds vroeger

genoemde grieven der kolonisten tegen het bestuur over het betalen

der brandschatting van Cassard enz. enz., werden gedurig opgehaald

en vonden gestadig nieuw voedsel. De bouw van het fort Amsterdam

droeg hiertoe mede veel bij, en was eene vruchtbare bron van nieuwe

moeijelijkheden geweest.

De onwil en wrevel van Suriname's ingezetenen jegens de sociëteit,

openbaarden zich voornamelijk door tegenwerking van die gouverneurs,

van welke men vermeende, dat zij de belangen der sociëteit hooger

stelden dan die der inwoners. Men nam meermalen tegen hen eene

vijandelijke houding aan en belemmerde hierdoor vaak datgene, wat

door onderlinge zamenwerking tot heil van Suriname had kunnen strekken.

Had men in Suriname ook al gegronde redenen tot klagen, men handelde

echter onbillijk, daar men geheel uit het oog verloor, dat Suriname een

conquest (wingewest) van Nederland was, en dat dus zelfs de gunstige

bepalingen van het octrooi niet zoo zeer het voordeel der volkplanters,

dan dat van de ingezetenen van Nederland ten doel had [98]; en dat de

gouverneur, als door de sociëteit aangestelde ambtenaar, zich in de

eerste plaats als haar dienaar moest beschouwen, en dien overeenkomstig

te werk gaan.

Steeds levert tweedragt wrange vruchten op; steeds sleept onderlinge

verdeeldheid droevige gevolgen na zich.

In de geschiedenis van Suriname ziet men gedurig de waarheid hiervan

bevestigd.

Verscheidene pogingen tot verzoening, door verschillende gouverneurs

aangewend, baatten niet, en in plaats van medewerking werd de meeste

tegenstand gevonden juist in den boezem van het voornaamste collegie,

dat geroepen was om met den gouverneur de belangen der kolonie te

behartigen, namelijk bij het hof van policie. De leden hiervan,

uit de rijkste en aanzienlijkste ingezetenen der volkplanting

gekozen, behoorden alzoo tot hen, die de meeste belastingen moesten

opbrengen. Terwijl zij zich meermalen op allerlei wijze aan die

betaling trachtten te onttrekken, namen zij tevens den schijn aan

van warme voorstanders van de belangen der ingezetenen te zijn [99].

Waren er alzoo steeds vele ontevredenen in Suriname, soms vereenigden

zij zich en vormden zich als eene partij, die openlijk tegen den

gouverneur optrad, gelijk dit voornamelijk onder het bestuur van

Mauricius geschiedde, waarvan wij ter gelegener tijd nader spreken

zullen.

Gedurende het tijdsverloop van 1712, in welk jaar de inval van Cassard

plaats vond en 1747, wanneer de bouw van het tegen buitenlandsche

vijanden zoo uitnemend geschikte fort »Nieuw-Amsterdam" voltooid

werd, was er eene reeks van gouverneurs en tusschen-besturen, en het

korte tijdsbestek van ieders beheer was mede oorzaak, dat er weinig

belangrijks door hen kon worden verrigt.

Men vindt in de geschiedenis hiervan dan ook bijna niets aangeteekend.

Eene chronologische tafel der verschillende gouverneurs in het werk

van Sypesteyn en eenige hier en daar verspreide aanteekeningen zijn

de voornaamste bronnen, waaruit wij het volgende ontleenen:

Gouverneur Johan de Goyer, die den 19den Januarij 1707 het bestuur

had aanvaard, en gedurende welks bewind zulke treurige gebeurtenissen

waren voorgevallen, overleed den 28sten Julij 1715 en werd den eersten

Augustus met veel plegtigheid in het fort »Zeelandia" begraven,

volgens Herlein »tot groote droefenis der gemeente" [100]. In de

Notulen der zittingen van het hof van policie vindt men gedurig gewag

gemaakt van togten tegen weggeloopen slaven; de Journalen des wegens

deelen feiten mede waar door men met verontwaardiging bezield wordt,

zie volg. hoofdst.

Als tusschenbestuurders traden op François Anthony de Rayneval,

commandeur met twee raden van policie, totdat Johan Mahory, den 22sten

Januarij 1716 definitief als gouverneur benoemd, deze betrekking

aanvaardde; doch reeds in het volgende jaar 1717, den 4den October,

overleed; waarna het reeds vroeger, als zoodanig in functie geweest

zijnde tusschenbestuur volgde; den 15den November 1717 werd Jean

Contier tot gouverneur aangesteld, doch nam eerst den 2den Maart 1718

het bestuur op zich.

Het wegloopen der slaven schijnt toen reeds zorgwekkend te zijn

geworden, daar wij lezen, dat Contier kort na de aanvaarding van zijn

bestuur (den 21sten Julij 1718) de straf des doods hierop stelde [101].

Deze geweldige maatregel bragt eerder verbittering dan verbetering

te weeg, het gewone gevolg van gewelddadige maatregelen. Contier

verwisselde reeds den 2den September 1721 het tijdelijke met het

eeuwige; F. A. de Rayneval nam met P. Lemmers en A. Wiltens weder zoo

lang het bestuur op zich, tot dat Mr. Hendrik Temminck den eersten

Maart 1722 gouverneur werd.

Ruim vijf jaren duurde deze regering; de strooptogten der weggeloopen

slaven vermenigvuldigden; zelfs werd door hen eene plantaadje aan

de Commewijne niet slechts geplunderd, maar ook de slaven hiervan

medegenomen en naar de bosschen gevoerd [102].

Temminck overleed te Paramaribo den 17den September 1727.

Nog eenmaal, en dus nu voor de 5de keer, vervulde de heer de Rayneval

met twee raden van policie de betrekking van gouverneur ad interim,

waarna Mr. Karel Emilius Henry de Cheusses den 9den November 1728 de

teugels van het bestuur uit zijne handen overnam.

De in de bosschen gevlugte slaven verontrustten steeds meer en meer de

kolonie; zij verwoestten verscheidene plantaadjes in Para, in Tempaty

en Peninica, en ontzagen zich zelfs niet, om de plantaadje Berg en Dal,

toebehoorende aan den gouverneur, aan te vallen [103].

De Cheusses liet in 1730 het kleine en geheel van hout gebouwde

gouvernementshuis vergrooten en van steen opbouwen. Gedurende zijn

bestuur werden door uit Nederland gezondene ingenieurs de noodige

opmetingen gedaan, en het plan gevormd en gearresteerd tot het

daarstellen van het fort »Nieuw-Amsterdam."--Hij mogt echter den

aanvang van dit belangrijke werk niet beleven, daar hij den 26sten

Januarij 1734 te Paramaribo den laatsten adem uitblies. De commandeur

Johan François Cornelis de Vries nam nu met twee raden van policie het

bestuur der kolonie op zich en werd hiervan afgelost door de optreding

van Jacob Alexander Henry de Cheusses, op den 11den December 1734;

diens gouvernement was echter van zeer korten duur, daar hij 46 dagen

later, den 26sten Januarij 1735 overleed.

J. F. C. de Vries aanvaardde met twee raden van policie weder het

bestuur, a. i., maar toen na zijnen dood, den 4den Maart 1735,

de raden van policie dit alleen wilden waarnemen, kwamen zij

hierover in verschil met den kapitein Pieter Bley, die hiertegen

een protest inzond, waarbij hij zich grondde op de resolutie

van de directeuren der sociëteit van den 23sten Februarij 1733,

waarin onderscheidene bepalingen over de opvolging in het bestuur

a. i. genomen waren, waartoe mede behoorde, »dat het gouvernement

zou worden waargenomen door den commandeur en bij diens afsterven

door den oudsten hoofdofficier van het garnizoen, tot luitenant toe

enz.; voorts »dat aan den commandeur, gedurende het interim alle eer,

eenen gouverneur verschuldigd, moest worden bewezen." Dit protest werd

in de vergadering van den 11den Maart behandeld en daarop besloten,

den kapitein Bley kennis te geven, dat men aan zijne reclame geen

gevolg gaf, maar de directeuren daarover zou schrijven.

Bley schijnt hiermede genoegen te hebben genomen, terwijl de raden

van policie, onder het voorzitterschap van Gerrit Pater, het bestuur

bleven waarnemen tot 22 December 1735, wanneer Mr. Joan Raye, die

den 6den Julij tot gouverneur benoemd was, te Paramaribo aankwam. [104]

Tegelijk met Raye was in Nederland Gerard van de Schepper tot

commandeur benoemd, en bij geheimen lastbrief was, om verdere

onaangenaamheden bij het overlijden van den gouverneur te voorkomen,

bepaald, dat hij in dat geval als waarnemend gouverneur zou

optreden. [105]

Tijdens het bestuur van Raye wendden de raden van policie zich reeds

tot de Staten-Generaal, om te klagen »over de despotique conduiten van

den nieuwen gouverneur Raye," een man die ieders hoogachting genoot,

als welverdiende hulde voor zijne algemeene erkende kunde en braafheid.

Raye vroeg reeds in 1737 zijn ontslag, doch overleed voor de aankomst

van hetzelve den 11den Augustus 1737 te Paramaribo.

Gerard van de Schepper volgde hem nog dienzelfden dag als waarnemend

gouverneur op. Nadat hij twee maanden rustig en in de beste

verstandhouding met het hof van policie de kolonie had bestuurd,

ondervond hij tegenkanting, en wel nu van de raden van het hof van

civiele justitie, die weigerden, om hem als hun voorzitter toe te

laten; waarop van de Schepper, bij eene notificatie op den eersten

November 1737, openlijk protesteerde tegen alle vergaderingen van het

hof, die buiten zijn presidium zouden worden gehouden, en verklaarde

reeds bij voorraad al de vonnissen, die in deze vergaderingen zouden

worden uitgesproken, voor onwettig en zonder waarde.

Hierover werden verscheidene discussiën gevoerd en nota's gewisseld;

de raden erkenden, dat, volgens de resolutie der sociëteit van 23

Feb. 1737, den waarnemenden gouverneur het regt van presidium in

hun collegie toekwam, maar beweerden daarentegen, dat deze resolutie

in strijd was met het octrooi, artikel 23 en 24. Onder dit protest

verklaarden zij zich bereid van de Schepper als hunnen voorzitter

toe te laten, totdat daarover verder zou zijn beslist. Weldra kwam

de tijding zijner benoeming als wezenlijk gouverneur, en wel voor

het eerst onder de benaming van gouverneur-generaal, in Suriname aan,

en werd Gerard van de Schepper als zoodanig op den eersten April 1738

plegtig ingehuldigd. [106]

Tegen het bestuur van Gerard van de Schepper kwamen spoedig vele

klagten over misbruik van gezag bij de sociëteit in. Van de Schepper

schijnt er niet tegen opgezien te hebben om zijn gezag door krachtige

maatregelen te handhaven, waardoor men de vele klagten begrijpen kan;

het is hem echter moeijelijk geweest zich omtrent al de tegen hem

ingebragte beschuldigingen volkomen te zuiveren, ten minste directeuren

besloten hem te doen vervangen, en hij werd ontslagen en droeg den

17den October 1742 het bestuur over aan Mr. Joan Jacob Mauricius,

die twee dagen te voren in de kolonie was gekomen, en door van de

Schepper op de meest vriendschappelijke wijze was ontvangen.

In een tijdvak van 30 jaren waren alzoo negen verschillende gouverneurs

aan het bewind geweest, terwijl tusschen het overlijden en weder

aanstellen van anderen, de commandeurs en raden van policie het

beheer hadden gevoerd, waarover menigmaal verschil ontstond, gelijk

wij reeds kortelijk aangemerkt hebben, zoodat het niemand verwonderen

kan, dat gedurende dien tijd de toestand van het inwendig bestuur

aan geregelde orde veel te wenschen overliet.

Behalve de reeds genoemde oorzaken van wrevel en misnoegen der

kolonisten tegen de sociëteit en de door haar aangestelde gouverneurs,

kwam er weldra onder het bestuur van Mauricius nog eene andere,

namelijk: verschil van opinie over de wijze van oorlog voeren en vrede

maken met de weggeloopen slaven. Daar wij in het volgende hoofdstuk

ons meer bepaaldelijk wenschen bezig te houden met de beschouwing

van den toestand der slavenbevolking en alsdan meer geregeld die

ontstane verwikkelingen kunnen mededeelen, zoo willen wij dit nu

laten rusten en in dit hoofdstuk een kort overzigt van den landbouw

te dien tijde geven.

De blanke bevolking was in den loop der tijden vermeerderd; reeds

onder van Sommelsdijk waren, behalve verscheidene Nederlanders,

een goed getal Fransche vlugtelingen, om der godsdienst wille naar

Suriname geweken; verscheidene Duitschers hadden zich mede in de

volkplanting nedergezet.

Het hoofdbestaan der inwoners was de landbouw, en wel voornamelijk de

suikercultuur; deze was langen tijd bijna de eenigste geweest; van

de ruim 400 plantaadjes, in 1730 in cultuur, waren verre de meesten

voor de suikercultuur ingerigt; men begon zich nu echter ook op het

teelen van koffij toe te leggen.

De gouverneur-generaal van Neêrlands-Indië H. Zwaardekroon, had

in 1718 de eerste koffij van Mocka op Java overgebragt, en eenige

planten werden door de zorg van den burgemeester Nicolaas Witsen,

in den kruidtuin te Amsterdam aangekweekt. Vrij zeker is het, dat

in Suriname zekere zilversmid, genaamd Hansbach, van geboorte een

Duitscher, de eerste proeven hiermede heeft genomen; sommigen zeggen,

dat er eenige planten uit den Hortus Medicus van Amsterdam aan den

gouverneur waren gezonden, die eenige boontjes hadden uitgeleverd,

welke gemelde Hansbach had weten tot zich te nemen; hij daarentegen gaf

voor, dat hij uit eenige ponden Oostindische koffij (die aldaar uit

Holland voor negotie, even als de thee, gezonden werd en toen aldaar

vijf à zes gulden het pond kostte) eenige boontjes had gevonden,

die hem voorkwamen nog een weinig sap te hebben; dat hij als een

liefhebber der chemie, eene soort van aarde wist te bereiden, zoo

krachtig, dat die de minste teelsappen in beweging moest brengen;

dat hij daardoor een of meerdere van die boontjes aan het groeijen

had gekregen, en eindelijk daarvan vruchten had bekomen, waarmede hij

verder die plant had aangekweekt. Zeker is het dat hij de eerste is

geweest, die de koffijboompjes in manden heeft geteeld, hoewel hij

er echter weinig voordeel van heeft gehad.

De heer Stephanus Laurentius de Neale heeft hiervan beter partij

getrokken; deze zocht Hansbach zoo door drank, waaraan hij zeer

verslaafd was, als door andere geschenken, eenige boontjes af te

troonen, en nu werd door hem op zijne plantaadje »Nieuw-Levant" de

eerste koffij aangeplant. Daar hij gelukkig hierin slaagde, bekwam

hij daardoor een groot fortuin, en werd hij weldra door anderen hierin

gevolgd; de aanplanting werd algemeen en dit voortbrengsel droeg veel

tot Suriname's latere welvaart en bloei bij [107].

In 1724 werd de eerste koffij van Suriname te Amsterdam aangebragt.

Vele suikerplantaadjes werden opgebroken om zich op het bouwen der

koffij toe te leggen; mede liet men hiervoor nu de indigo-teelt varen,

die echter reeds sedert het jaar 1708 in de kolonie gekweekt was,

en waarvan de opbrengst niet zoo geheel onbelangrijk was, daar men

van 1710 tot 1722 van 150 pond tot 1328 toe had uitgevoerd [108].

Later in 1764 heeft de heer ontvanger Gever en een Fransch officier

Destrades, die te St. Domingo geweest was, hernieuwde proeven met

de indigo-cultuur genomen, die niet slecht uitvielen, hoewel men er

echter daarna niet veel meer gewag van gemaakt vindt.

Het planten van tabak, reeds door de eerste volkplanters beproefd,

had men in 1706 op nieuw begonnen, en jaarlijks werd er eene genoegzame

hoeveelheid uitgevoerd om tot proeven te verstrekken; zijnde er zelfs

in 1749 30,000 pond naar Holland verzonden; eindelijk is deze teelt

geheel vervallen [109].

De roucou, eene roode verwstof, werd op eenige kleine landwoningen

geteeld; men zamelde daarvan 100 tot 7000 pond in, die men naar

Holland verzond. Carel Willem Cloege, omstreeks 1735 overleden,

was de laatste, die dit product ter verzending (boven in Cottica)

cultiveerde; daarna kweekte men hetzelve meer voor eene aardigheid

dan als handelsartikel; later is dit geheel vervallen [110].

Hoewel de cacao reeds in 1706 was geplant geworden, gelijk de

schrijvers der historische proeve vermelden, schijnt dit echter van

weinig belang te zijn geweest, daar volgens Hartsinck eerst in 1733

cacao van uit Suriname naar Amsterdam verzonden is. De belangrijkheid

van de cacao-plant werd evenwel reeds vroeger erkend, daar den

gouverneur Contier in 1721 een fraai rijpaard ten geschenke werd

aangeboden voor de verzending der eerste cacao-plant naar Berbice

[111].

Ook met de katoenteelt had men vroeger wel eenige proeven genomen,

doch was hierin niet zeer gelukkig geslaagd; in 1735 werd het eerste

katoen naar Amsterdam verzonden.

Men verkeerde steeds in het denkbeeld, dat het katoen minder geschikt

was voor de veengronden; doch dit denkbeeld bleek later eene dwaling

te zijn geweest.

In 1752 werd door den raadsheer Johan Felix deswege eene nieuwe

proef genomen; hij had een stuk gebrand of Biribiri land aan de

Metappicakreek in aankweeking genomen, doch toen de koffij, die

hij aldaar geplant had, niet goed wilde tieren, besloot hij op die

schrale plaatsen katoen tusschen de koffij te planten, hetgeen zoo

goed slaagde, dat men in het volgende jaar reeds drie à vier duizend

pond kon inschepen, en in het vierde jaar achttien à twintig duizend

pond, behalve veertig à vijftig duizend pond koffij. Dit voorbeeld

werd weldra door de in zijne nabijheid wonende planters en later ook

door anderen in de kolonie met goede uitkomsten gevolgd. [112]

Nog tegenwoordig zijn het de kustlanden, bijzonder de genoemde

Metappicakreek en de nieuwe kolonie, of het Nickerie-district, waar

men de meeste katoenplantaadjes vindt.

Behalve de vrij aanzienlijke houtplantaadjes of liever vellingen, van

welke het daarop verkregen hout minder uitgevoerd dan tot binnenlandsch

gebruik aangewend werd, en de reeds vroeger genoemde voortbrengsels,

lieten de oude bewoners der kolonie hunne bespiegelingen ook gaan

over andere producten, voor den handel geschikt; zoo trokken zij

o. a. ruwe was uit de nesten, die de wilde bijen op de boomen der

onmetelijke bosschen van het hoog gelegen gedeelte der kolonie

maakten. Men had alzoo hier even als van andere voortbrengselen der

zoo rijke en weelderige natuur van Suriname meer voordeel kunnen

trekken, dan men werkelijk deed, doch het gebrek aan werkende handen

en de begeerte van dadelijke winst verlamde de pogingen, en spoedig

werden dergelijke liefhebberijen, gelijk men dit in de kolonie noemde,

nagelaten, voor den degelijker arbeid der stapelproducten.

Zoo waren er ook in vroegeren tijd in Suriname verscheidene

steenbakkerijen; daar vele planters voor het aanleggen der watermolens

en andere gebouwen niet slechts het hout lieten kappen en zagen en

gereed maken, maar ook daar hiertoe vele steenen noodig waren, deze

zoo onontbeerlijke bouwmaterialen zelven vervaardigden.

In Para en elders waren goede steenbakkerijen; op verscheidene plaatsen

in de kolonie werd goede klei en zand gevonden; overvloed van brandhout

en zoet water voor de deur. Met een paar blanken als opzigters kon men

zeer goed de slaven voor dezen arbeid bezigen; niettegenstaande al deze

genoemde voordeelen liet men de steenbakkerijen vervallen en de steen

uit Holland komen, hetgeen natuurlijk meer kosten veroorzaakte [113].

Om de blanke bevolking in de kolonie te vermeerderen, had men reeds in

1692 voorgeslagen eenige Paltzische familiën derwaarts over te voeren;

hetwelk echter bij dien voorslag gebleven is [114].

Men riep in die tijden kolonisten van allerlei landaard voor

Suriname op.

De vrome Spangenberg, een der eerste Bisschoppen der Moravische

Broedergemeente, een waardig medestander van den edelen graaf von

Zinzendorf, vertoefde op zijne doorreize naar Engeland in 1734 eenigen

tijd te Amsterdam.

Hier werd hem die oproeping bekend; de lust en de begeerte der

herstelde Broedergemeente was opgewekt geworden om naar vreemde landen

te trekken; niet echter met het doel om zich te voeden en te verrijken

ten koste van het zweet en bloed der Heidenen, maar om dezen rijk te

maken door de verkondiging van de blijde boodschap der genade in het

bloed van den gekruisten Christus.

Spangenberg won bij de directie der »geoctroijeerde sociëteit van

Suriname" de noodige inlichtingen daarover in, en reeds in het volgende

jaar, 1735, werden drie broeders tot eene verkenningsreis afgezonden,

en in 1739 vestigden zij zich in de kolonie.

De komst dier broeders, door hunne tijdgenooten naauwelijks of

ook zoo al, dan met zekeren wrevel, opgemerkt, mogen wij wel als

de gelukkigste gebeurtenis, als eene der belangrijkste feiten in

Suriname's geschiedenis beschouwen.

Wij stippen die nu slechts aan, om later, gelijk wij in onze inleiding

beloofd hebben, uitvoerig te gewagen van hunnen arbeid en hunnen

strijd, maar ook van den zegen, dien de Heer hun schonk op hun

volhardend en ijverig pogen om der Heidenen heil te bevorderen.

Zij vestigden zich eerst in de stad, later rigtten zij zendingsposten

onder de Indianen, daarna onder de boschnegers op; eindelijk werd

het hun vergund ook den slaven vrede door het bloed des kruises

te verkondigen.

Sedert de vruchtelooze pogingen der Spanjaarden en Portugezen om goud

in Suriname te vinden; sedert het gebleken was, dat de grootsche

denkbeelden daarover van den Engelschen avonturier Walter Raleigh

ijdel waren; sedert dat de, op bevel van van Sommelsdijk en eerst

na zijnen dood teruggekomen, tot het opsporen van het goudrijke

(?) meer van Parima uitgezondene officieren en soldaten de onwaarheid

dier velerlei sprookjes van Eldorado enz. op nieuw bevestigd hadden,

sedert had men er van afgezien om zoo diep in de aarde te wroeten ten

einde schatten te ontdekken; men behoefde immers den bodem slechts

eenige voeten om te werpen en er vervolgens het zaad in te strooijen

en het welig opschietende suikerriet en de snelgroeijende koffijheester

beloonden beter den arbeid, en het goud, daarvoor in ruiling verkregen,

vloeide ruimschoots in de beursen der volkplanters. Dan in 1742 wilde

men toch nog eens weder beproeven of men het nog niet gemakkelijker

kon bekomen. In genoemd jaar werd door Wilhelm Hack en anderen eene

compagnie opgerigt tot het zoeken naar mineraal, edelgesteenten en

andere kostbare stoffen.

Heeren Directeuren der »geoctroyeerde sociëteit van Suriname"

verleenden hiervoor een octrooi, waarbij het den ondernemers,

bij uitsluiting van anderen, vergund werd, alomme door de gansche

kolonie onderzoek te mogen doen naar goud, zilver, koper, tin, lood,

edelgesteenten en anderen profijt gevende voorwerpen, hoe dezelve

voorkwamen, of ook genaamd mogten zijn, zoo op als onder de aarde

[115].

Hoewel gemeld wordt dat de heeren Hack, wat de onkosten betrof,

wel besloten waren, om deze onderneming voor eigene rekening aan te

vangen, zoo hebben zij, in aanmerking van den naijver, die bij wèl

slagen, daaruit tegen hen kon ontstaan, gewild, dat alle onderdanen

van den Nederlandschen staat hierin aandeel konden verkrijgen, en

mitsdien eene maatschappij of vennootschap opgerigt, onder den naam

van »Geoctroijeerde Surinaamsche Mineraal-compagnie."

Deze was verdeeld in 32 stammen en iedere stam in 4 taxen, alzoo het

geheel in 128 taxen of aandeelen. Ieder aandeel werd bepaald op f 750,

te betalen een derde of f 250 binnen veertien dagen na het tot stand

komen der onderneming; de overige f 500, naar vereischte van zaken,

van tijd tot tijd.

Weldra werden verscheidene mijnwerkers naar Suriname gezonden; de

oorlog was op nieuw aan de ingewanden der aarde verklaard.

Bij den berg Victoria, alwaar hun door de sociëteit, die vijf aandeelen

bij wijze van recognitie verkreeg, een streek lands van tien mijlen

in den omtrek geschonken was, begon men den arbeid, doch met geen

zeer gelukkig gevolg.

Door verzuim van de noodige voorzorgen stortte een gedeelte van het

werk in, en werden veertig menschen onder die instortende massa levend

begraven [116].

Er werd wel eenige erts gevonden en naar Europa verzonden; doch

deze hield naauwelijks zoo veel metaal in, dat de vracht hieruit kon

betaald worden; zoodat deze onderneming evenzeer mislukt is als de

vroegere goudzoekingen.

De mijnwerkers hebben daarop eenige kostgronden en eene houtplantaadje

aangelegd; maar ook dat heeft niet aan de verwachting beantwoord. [117]

In 1747 noodigde men eenige Duitsche landbouwers uit, om zich als

zoodanig naar de kolonie te begeven.

Men beoogde hiermede niet slechts om het aantal blanken te

vermeerderen; maar wenschte tevens hierdoor eene soort van voorpost

tegen de gedurig in hunne aanvallen stouter wordende wegloopers

te vormen.

De uitnoodiging werd door eenige Paltzer boeren aangenomen en zelfs

verlieten een paar Zwitsersche huisgezinnen hunne bergen om hunne

buidels, gelijk zij hoopten, in Suriname te vullen.

Men had hun beloofd overvloed van grond te zullen verleenen, en hun

tevens van bouwgereedschappen en koeijen te voorzien.

De Paltzers en later de Zwitsers kwamen behouden en vol goeden moed

in Suriname aan. Men kon het hun aanzien, dat zij als tot werken

geboren waren; men wees hun meer land aan, dan zij bearbeiden konden;

men verschafte hun beesten en bouwgereedschappen; men hield alzoo

woord jegens hen; maar het land, hetwelk men hun aanwees, lag aan

het zoogenaamde Orangepad, boven Para, in de binnenlanden, een der

ongunstige en onvruchtbaarste streken. Men vermeende hier van afstand

tot afstand posten ter beteugeling der wegloopers en woningen voor

de volksplanters aan te leggen; dan dezen, hoewel zij later zelfs

slaven tot hulp kregen, konden het in dat eenzaam en woest oord

niet uithouden.

Van twee Zwitsersche familiën wordt nog gemeld, dat zij door von

Spörche op een ander gedeelte der kolonie geplaatst, dat hun benevens

de gereedschappen, twee slaven, eene koe en eenige schapen werden

toegevoegd, en dat zij daarop zoo ijverig aan het werk gingen, dat zij

na eenige weken voor omstreeks f 1200 hout naar Paramaribo verzonden.

Werd men door dit goede begin aangemoedigd, die hoop verdween spoedig

in rook, weldra vonden allen zich teleurgesteld; hevige ziekten

braken onder de kolonisten uit; onderlinge twisten belemmerden

gemeenschappelijk overleg; gedurige aanvallen der wegloopers

verontrustten hen en in het zwelgen van drank en het leiden van een

liederlijk leven zochten de meesten een tegengift tegen het heimwee en

die onderscheidene teleurstellingen, en gelijk nu wel te verwachten

was, liep alles te niet en eer vier jaren verstreken waren, was ook

deze proeve van kolonisatie voorbijgegaan [118].

Zoo ging het later met andere proeven ter kolonisatie door vrije

arbeiders in Suriname; waren die elders goed, namen zij elders soms

eene groote vlugt, in Suriname mislukten zij steeds.

In een land, waar het stelsel van slavernij heerscht, is geene plaats

voor de ontwikkeling van vrije landbouw of van industrie.

De door de slavernij vergiftigde zedelijke atmospheer houdt alle

ontwikkeling tegen, doet ze verkwijnen, doet ze sterven.

Wat slavernij is, zullen wij op nieuw in het volgende hoofdstuk zien.

Geschiedenis van Suriname · 第 13 / 86 题