Van de komst van van Sommelsdijk (1683) tot den inval van Cassard
(1712.)
De man, die bestemd was om eene verandering ten goede, om in den bij
het einde van het vorig tijdvak geschetsten ellendigen toestand van
Suriname heilzame verbeteringen te brengen, maakte zich tot zijn
vertrek gereed, niettegenstaande vele vrienden, o. a. ook prins
Willem III, het hem ten sterkste afraadden. Hij scheepte zich den
derden September 1683 in, en weldra kliefde het schip de baren,
hetwelk hem naar Suriname zou voeren.
Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijk, Plaat, Bommel, Spijk, Sire
en Marquis van Chatillon, Baron van Bernière in Basois, Kolonel van
een regiment ruiterij, Gouverneur van Suriname, was de afstammeling
van een niet slechts aanzienlijk en rijk, maar tevens verdienstelijk
en achtingswaardig geslacht, welker leden het land in onderscheidene
betrekkingen met eere gediend hadden. Onze Cornelis van Aerssen was in
zijne jeugd opgevoed als page aan het hof van Willem II, die in zijnen
vader een trouwen dienaar had; [42] hij was een speelmakker van Willem
III, die steeds veel vriendschap voor hem koesterde. Reeds vroeg in de
krijgsdienst getreden, gaf hij weldra blijken van moed en bekwaamheid,
bij den veldtogt in 1672, in welken hij het bevel over eene compagnie
ruiterij voerde, die te Maastricht in bezetting lag. Blonk zijne
dapperheid aan het hoofd van zijn regiment uit, niet minder toonde
hij zijne bekwaamheid bij verschillende moeijelijke zendingen.
Waren reeds deze hoedanigheden zeer begeerlijk voor een landvoogd,
die bestemd was om in eene zoo zeer verwarde kolonie zoo mogelijk
rust en orde te herstellen en een beteren gang van zaken voor te
bereiden, op dit alles werd de kroon gezet door zijnen opregten warmen
godsdienstzin. »Hij was een uitnemend vriend van God en godsdienst,"
zegt een der oude schrijvers over Suriname, [43] »en hij was dagelijks
bedacht, om door zijn eigen voorbeeld zijne onderhoorigen den waren
eerbied hiervoor in te boezemen, en als een baak hun de beoefening
van alle christelijke deugden aangenaam te maken; en zij, die hem
hierin het meest volgden, waren zijne beste vrienden, onaangezien
hun staat, geslacht en sekse; daarentegen was hij een vijand van alle
baldadigheid, ontucht en ongebondenheid, en ging hij deze ondeugden
met mannenmoed in grooten en kleinen te keer."
Was hij een ernstig en godvreezend man, hij had daarbij een
edelmoedig ridderlijk karakter, en bij zijne gehechtheid aan de
Hervormde godsdienst en zijne achting voor de godsdienstigen, welke
hij gaarne beschermde en begunstigde, paarde hij tevens eene, voor
die tijden groote verdraagzaamheid; hij was gemeenzaam en weldadig
jegens iedereen, maar ook gestreng regtvaardig; als eene schaduwzijde
van zijn karakter moeten wij opmerken, dat hij soms wel wat onstuimig
en met geweld te werk ging, daar hij een oploopend, driftig gestel
bezat en zich zelven hierin niet altijd meester was, waardoor soms
veel goeds verloren ging.
Wij zullen hem nu op het tooneel zijner werkzaamheden zien.
Hij kwam den 24sten November 1683 te Paramaribo aan. Bij de overname
van het bestuur uit handen van den commandeur Verboom vond de nieuwe
Gouverneur de geheele kolonie door twisten en oneenigheden verscheurd,
en verder in dien ellendigen toestand, als waarvan wij bij het einde
der vorige afdeeling gewaagden.
Hij ging dadelijk met krachtige hand aan het werk om dien toestand
te verbeteren.
Een zijner eerste pogingen daartoe was de instelling van een Raad van
policie en justitie, die hij reeds in het begin van 1684 zamenstelde,
tot groot genoegen van de welwillende ingezetenen, want zoo ergens,
dan was hier voornamelijk groote behoefte aan eene geregelde policie
en regtspleging, daar tot dien tijd een iegelijk als het ware zijn
eigen meester was, en regt en geregtigheid bijna onbekende zaken
waren. Hij ondervond echter reeds dadelijk groote moeijelijkheid,
voornamelijk door gebrek aan bekwame en geschikte lieden voor deze
belangrijke betrekkingen; hij moest naar zijn beste weten hiermede
te werk gaan en de beschuldiging, later tegen hem ingebragt, dat hij
de Raden van justitie en policie niet behoorlijk gekend had, verliest
daardoor hare gegrondheid; zij, die liever naar de lust van hun hart
wilden leven, waren natuurlijk tegen deze maatregelen gekeerd; het
straffeloos begaan van misdrijven werd hierdoor echter tegengehouden,
en was dit voor van Sommelsdijk genoeg om op dezen weg voort te gaan,
het was hem echter niet genoeg afzonderlijke Raden en regters te
hebben aangesteld, hij hield het toezigt hierover; hij deelde met
hen de bestiering over de policie en civiele justitie en hij voer
voort onderscheidene goede wetten te maken. Gedurende zijn bestuur
zijn vele heilzame resolutiën en placcaten gemaakt en uitgevaardigd,
ten einde de huishoudelijke zaken der kolonie te regelen.
Ook werd door hem eene weeskamer en eene desolate boedelkamer opgerigt.
Als ijverige Hervormde handhaafde hij ook de bepalingen, die in het
moederland goldden, omtrent de viering van den Christelijken rustdag,
welke bepalingen in 1634 door de Algemeene Staten ook verbindend waren
verklaard voor de volkplantingen in de nieuwe wereld. Maar nu kreeg hij
de Joden tegen zich; dezen vermeenden hierdoor in hunne privilegiën
verkort te zullen worden, en bragten hun beklag daarover in bij de
geoctroijeerde sociëteit van Suriname (de gezamenlijke eigenaars),
waarvan het gevolg was, dat de directeuren den heer van Sommelsdijk
aanschreven, om zich stiptelijk te houden aan de vrijheden, door de
Israëlieten tijdens het bestuur der Engelschen verkregen, en waaronder
ook behoorde, dat zij en hunne slaven des Zondags mogten arbeiden
en reizen.
Van Sommelsdijk hield zich voortaan hieraan zoo stipt, dat de Joden
zich later niet meer over hem beklaagd hebben.
In Suriname was tot heden nog slechts een hervormde predikant
(Ds. Baselius, die van 1668 tot 1689 de dienst te Paramaribo
waarnam.) Door de zorg van van Sommelsdijk werd daar, waar de
Commewijne zich met de Cottica vereenigt, in 1688 eene kerk gebouwd,
en deze door Ds. Anthonius Ketelaar ingewijd, die echter reeds in
het volgende jaar overleed. [44]
Van Sommelsdijk verbood de huwelijken en de gemeenschap met de
negers. Handelde hij in dezen overeenkomstig de denkwijze van zijnen
tijd, aan de andere zijde bleek hij hier boven te staan, door met
allen ernst de verregaande wreedheden, die sommige meesters jegens
hunne slaven pleegden, te keer te gaan; hij vaardigde eene wet uit,
waarbij het verboden werd, dat iemand voortaan zijne slaven zou mogen
verminken of met den dood straffen; terwijl die slaven, welke eene
dergelijke straf verdiend hadden, aan den Raad van justitie moesten
worden overgeleverd.
Zijne geregtigheid was onkreukbaar en zijne vonnissen zonder aanzien
van personen; hij ontzag daarin niet hen, die magt of invloed bezaten;
zoo liet hij o. a. een zeker Indiaansch opperhoofd, wegens het dooden
van ééne zijner vrouwen, onthoofden. Ter bescherming van de invallen
der Indianen deed hij twee forten oprigten--één geregeld fort in
den vorm van een vijfhoek aan de zamenvloeijing van de Commewijne en
Cottica, later naar hem »Sommelsdijk" genaamd, en een, bij wijze van
een versterkt steenen huis, aan de Para Kreek. Hij bepaalde zich echter
niet bij deze verdedigingsmaatregelen, daar de Indianen de kolonie te
dien tijde zeer verontrustten en zoo magtig waren, dat zij de gansche
westzijde van de rivier Suriname hadden afgeloopen, zoo moest men
hen door krachtige middelen zien te bedwingen, en verscheidene togten
werden dan ook door en onder van Sommelsdijk tegen hen ondernomen. In
den eersten togt verwoestte hij vijf hunner dorpen aan de oostzijde
van de Coppename; doch het gelukte hem niet om Indianen gevangen te
nemen. Dezen, met de verschillende sluipwegen in de wildernis bekend,
ontgingen hem steeds, en trokken verder landwaarts in; doch daar zij
gevoelden, dat zij toch tegen de magt der Europeanen niet opgewassen
waren, gelukte het den gouverneur met hen eenen voordeeligen vrede te
sluiten; waarbij de drie natiën Caraïben, Warauen en Arawakken voor
vrije lieden werden verklaard, die nooit dan om misdaden in slavernij
zouden worden gebragt.
Sommige schrijvers, o. a. de schrijver der Historische proeve,
verhalen, dat van Sommelsdijk, daar de Indianen anders in de blanken
geen vertrouwen wilden stellen, de dochter van een Indiaansch
opperhoofd tot bijwijf nam, en zij voegen er bij, dat deze vrouw ten
tijde van den Gouverneur Mauritius nog in leven en toen reeds 80 jaren
oud was, en inwoonde bij mevrouw du Voisin, weduwe van den heer de
Cheusses, in leven Gouverneur van Suriname, welke aan de familie van
Sommelsdijk verwant was. [45]
Wat daarvan zij laten wij aan meer naauwkeurige geschiedvorschers
over; het strookte zeker weinig met den ernstigen en godsdienstigen
zin van van Sommelsdijk; maar--men vindt zoo gedurig inconsequentiën
in het gedrag, zelfs van personen, die als beroemd en vroom bekend
zijn, en het blijkt zoo gedurig, dat ook zij zondaars waren.
De gouverneur sloot ook eenen vrede met de boschnegers van Copenname,
afstammelingen der reeds onder de Engelschen van hunne meesters
weggeloopen slaven, die zich in de ontoegankelijke wouden gevestigd
hadden.
Hij heeft mede pogingen aangewend, om de binnenlanden nader te
onderzoeken, en om zoo mogelijk het meer van Parima te ontdekken;
hij zond daartoe een officier met vijf soldaten landwaarts in, doch
het was eene vergeefsche poging; eerst na zijn dood teruggekomen,
berigtten zij, dat hunne boot was omgeslagen; dat zij bij dit ongeval
hun dagregister verloren; dat zij niets hadden gezien dan wildernissen
en wilde menschen, enz. [46]
Een der grootste bezwaren tot vooruitgang der kolonie, het gebrek aan
een behoorlijk aantal Europeanen, geneigd en geschikt om zich met den
landbouw bezig te houden, trachtte van Sommelsdijk op onderscheidene
wijze te verminderen.
Op zijn verzoek werd dan ook op 20 Julij 1684 door de Staten van
Holland besloten, om in overleg met de directeuren der geoctroijeerde
sociëteit van Suriname, de misdadigers in de provincie Holland, in
plaats van in de tuchthuizen op te sluiten, naar Suriname te zenden,
om hen aldaar aan 's lands werken als anderzins te gebruiken. De
Gouverneur schijnt de hoop gekoesterd te hebben, dat zij zich door
behoorlijk gedrag en geregelde werkzaamheden langzamerhand een
beter lot waardig zouden gemaakt hebben; dan hij had zich hierin
misrekend. De woeste hoop van dieven en vagebonden, die het luije
leven gewend waren, beviel het volstrekt niet om zoo bezig te worden
gehouden; zij poogden weldra zich uit die slavernij te bevrijden; zij
verbraken daartoe hunne boeijen en begaven zich op eenige gestolene
vaartuigen op de vlugt naar de Orinoco. De zoon van van Sommelsdijk,
de heer de Chatillon, joeg hen met eenige soldaten na en bragt de
meesten hunner weder terug.
Naderhand heeft de kolonie zich van deze bezending van misdadigers,
als slechte ingezetenen, weten te ontslaan. [47]
(Op den togt ter vervolging der gevlugte misdadigers heeft de heer
de Chatillon de eerste cacaoboom ontdekt en in Suriname gebragt).
Beter slaagde de poging om vreemdelingen, en voornamelijk Franschen,
tot het gaan naar de kolonie te bewegen.
Vele uitgewekene Franschen gingen tijdens het bestuur van van
Sommelsdijk naar Suriname; de voorname aanleiding daartoe was, dat
een zijner voorvaders, François van Aerssens, vele jaren ambassadeur
van de republiek der Nederlanden bij Hendrik IV en Lodewijk XIII
geweest zijnde, [48] in Frankrijk met vele doorluchtige Protestantsche
geslachten vriendschapsbetrekkingen had aangeknoopt, en deze door
den gezant aangeknoopte vriendschapsbetrekkingen waren door zijne
nazaten met naauwgezetheid onderhouden. De heer van Sommelsdijk
had zelf eene Fransche vrouw, uit een adelijk geslacht gesproten,
ten huwelijk genomen. [49]
Toen van Sommelsdijk alzoo als Gouverneur naar Suriname vertrok,
waarvan hij tevens voor 1/3 medeëigenaar was, gingen verscheidene
honderde Fransche uitgewekenen mede. Onder hen waren vele
ambachtslieden, zoo als metselaars, smeden, timmerlieden en
verscheidene landbouwers, aan welke laatsten door van Sommelsdijk,
bij hunne aankomst in Suriname, gronden werden uitgedeeld. In 1686
kwamen nieuwe uitgewekenen aan, en werden eenige jaren later door
anderen gevolgd. Verscheidene onder hen werden vermogend; koophandel
en nijverheid, maar vooral landbouw werden door hen belangrijk
uitgebreid. Vele Fransche namen van plantaadjes herinneren nog aan
vroegere bezitters. Belangrijke regeringsposten werden later door
sommigen hunner met getrouwheid en ijver vervuld, en Jean Coutier,
die van 5 Maart 1718 tot 2 September 1721 gouverneur was, zoo mede
Mr. Karel Emelius Henry de Cheusses, die van 9 November 1728 tot 26
Januarij 1734 dit ambt bekleedde, en daarna door zijn broeder, Jacob
Alexander Henry de Cheusses werd opgevolgd, waren afstammelingen dier
Refugiés. Wigbold Crommelin, die in 1748 commandeur en van 1757 tot
1768 gouverneur-generaal was, werd te Haarlem geboren, doch zijne
voorouders waren Fransche uitgewekenen, enz. enz. enz.
Spoedig werd in de stad Paramaribo eene Waalsche kerk gebouwd, en de
uitgewekene predikant Dalbas gekozen, om deze ontluikende gemeente
te besturen.
Dalbas, Fauvarque en andere Waalsche predikanten, hebben ook pogingen
aangewend ter uitbreiding van het Christendom onder de Indianen. Pierre
Saurin verliet zijne rustige standplaats te 's Hertogenbosch, om zich
geheel aan de bekeering der Indianen te wijden. [50]
De Synode der Waalsche kerken in Nederland stond in het jaar 1700
eene somme gelds toe, tot ondersteuning van de werkzaamheden dier
zending in de bosschen van Guiana.
Van den uitslag dezer pogingen is weinig bekend; dan hoedanig die
ook geweest zij, de eeuwigheid zal het openbaren. Intusschen moet
het ons Nederlanders tot beschaming verstrekken, dat slechts door
vreemdelingen belang gesteld is geworden in het waarachtig heil dier
heidenen, in eene Nederlandsche kolonie; eerst door de uitgewekene
Franschen, later door de Duitsche broedergemeente.
Behalve deze uitgewekenen kwamen ook weldra verscheidene
Labadisten zich in Suriname vestigen. De secte der Labadisten had na
onderscheidene lotwisselingen, sedert 1675 te Wieuwerd in Friesland,
op het kasteel Thetinge, eenige rust gevonden. Genoemd kasteel was
het eigendom van van Sommelsdijk. Deze was de Labadisten genegen
en sloot alras eene overeenkomst, waarbij hij genoemd kasteel en
andere bezittingen in Friesland aan zijne drie ongehuwde zusters voor
haar erfdeel afstond. Daar deze zijne zusters tot de gemeente der
Labadisten behoorden, zoo werd krachtens de gemeenschap van goederen,
die bij hen was ingevoerd, dit kasteel eene tijdelijke bezitting der
Labadisten. Toen zij nu het aanstaande vertrek van van Sommelsdijk,
wiens drie zusters tot hunne voornaamste huisgenooten behoorden,
vernamen, begrepen zij van deze gelegenheid partij te kunnen trekken,
om elders hunne kerk uit te breiden.
Daar in dat verre, maar tevens zoo rijk door de natuur gezegend land,
vermeenden zij, behoefden zij zich slechts te vestigen om, niet slechts
het brood des bescheiden deels, maar een volkomen overvloed te vinden;
daar zouden zij ongehinderd hunne kinderen kunnen onderwijzen en
opvoeden voor den Heer; daar zouden zij de blijde boodschap des heils
in Christus den blinden Heidenen kunnen verkondigen.
Met het schip, dat van Sommelsdijk naar Suriname zou overbrengen,
gingen eenige afgevaardigden mede, om het terrein te verkennen.
Bij de terugkomst dezer afgevaardigden stemde hun getuigenis geenszins
overeen. De een prees alles en beloofde zich gouden bergen, de andere
had van niets anders dan van ellende en van gevaren te spreken.
De eersten werden geloofd.--Van Sommelsdijk drong mede op hunne
overkomst aan. Weldra vertrok dan ook een goed getal naar Suriname;
zekere Robijn was de aanvoerder der kleine schare; Hesener vergezelde
als herder en leeraar de dochtergemeente van Wieuwerd.
De overtogt ging voorspoedig, en van Sommelsdijk bood hen bij hunne
aankomst in alles de behulpzame hand. Hij raadde hen aan zich niet
te ver van Paramaribo te verwijderen, opdat hij ze des te beter
zou kunnen beschermen. Van Sommelsdijk had gaarne gezien, dat
Hesener nu en dan preekte in de Gereformeerde kerk, doch dit werd
afgeslagen. Hij was voornemens, de pas aangekomen nieuwe slaven op
hunne plantaadjes te doen arbeiden, totdat zij verkocht zouden zijn
aan andere meesters. Maar zijne raadgevingen en aanbiedingen baatten
niet. De Labadisten verkozen, als te Wieuwerd, geheel afgezonderd te
wonen. Men trok de rivier op. Dat kostelijke groen, die heerlijke
plantengroei bragt allen in verrukking, en op meer dan tien uren
afstands van Paramaribo, ver verwijderd van de wereld, legden zij
hunne plantaadje aan, die zij »la Providence" noemden.
Alles ging naar wensch; de verwachtingen die zij koesterden werden
dagelijks grooter, en te Wieuwerd ontving men de heerlijkste tijdingen
van de dochtergemeente.
Terwijl men zich te Wieuwerd gereed maakte eene tweede bezending
derwaarts uit te rusten, begon men op »la Providence" alles in te
rigten, gelijk men dit noodig oordeelde en naar het voorbeeld der
gemeente in Wieuwerd. Maar tot den veldarbeid kon men moeijelijk slaven
ontberen, en hoewel dit den broeders tegen de borst stuitte, schikten
zij zich naar de omstandigheden. Ter hunner eere moet gezegd worden,
dat zij in den beginne alle moeite deden om den armen slaven hun juk
aangenamer te maken; men deed hen wel, en behandelde hen met zachtheid
en als broeders; maar toen de nieuwe volkplanters hiervan niet dadelijk
goede vruchten zagen, raakte hun geduld schielijk ten einde en voerden
zij eene gestrenge harde tucht in. Hoe weinig bedenkt de mensch,
dat God langmoedig is, en dat Zijne goedertierenheid tot bekeering
leidt, en hoe weinig betoont hij lust Hem hierin na te volgen. Indien
de mensch in zijne goede bedoelingen tegenstand ondervindt bij hen,
wier geluk hij wenscht te bevorderen, hoe spoedig verlaat hij dan den
goeden weg en--ten minste zoo deden de Labadisten, en later wordt van
hen ook op andere plaatsen in Amerika aan den Hudsonrivier, waar zij
zich vestigden, getuigd, dat zij hunne slaven wreedelijk mishandelden
en door hunnen slavenhandel, die toch zoo zeer tegen hunne leeringen
aandruischte, velen tot ergenis waren.
Hunne pogingen ter bekeering der Heidenen hadden mede niet den
gewenschten invloed, en spoedig zagen zij hiervan af.--Hoezeer
verschilde hunne handelwijze in deze met die der Moravische
broedergemeente, die op hope tegen hope voortging, en wier arbeid
dan ook door den Heer zoo heerlijk gezegend werd.
Weldra ondervonden de Labadisten ook, dat zij dwaas hadden gedaan
met den goeden raad van van Sommelsdijk, om zich in de nabijheid
van Paramaribo te vestigen, in den wind te slaan. Zij lagen daar zoo
ver verwijderd van de andere plantaadjes, bloot aan de invallen der
Indianen en weggeloopen slaven, waarbij zich vele deserteurs voegden,
die de militaire tucht ontvloden waren. Men moest alzoo dag en nacht
op zijne hoede zijn; hierbij kwam de landziekte, die velen eenen
vreesselijken dood bereidde; het gemis van de spijs, de gemakken,
de rust en het klimaat van het geliefde vaderland deden zich spoedig
gevoelen; inwendige verdeeldheden wachtten hen en toen de nieuwe
bezending [51] uit Wieuwerd aankwam, vond deze, in plaats van een
Eden, zoo als men zich voorgesteld had, een hospitaal en eene plaats,
waar de liefde geweken en de tucht verslapt was. Sommigen keerden naar
Friesland terug, anderen gingen naar een ander gedeelte van Amerika aan
de Hudsonrivier; nog eenigen tijd rekte de stichting der Labadisten
in Suriname haar kwijnend bestaan, lang duurde dit echter niet;
eenige overgeblevenen vermengden zich onder de andere opgezetenen,
maar de stichting of nederzetting als zoodanig ging te niet [52].
Waarschijnlijk zou het met »la Providence" niet zoo treurig zijn
afgeloopen, indien men niet zoozeer door onkunde en eigenwijsheid
verblind, meer gehoor had gegeven aan den waarlijk goeden raad van
van Sommelsdijk, en daar er waarlijk vrome menschen onder hen werden
gevonden, zouden zij, zoo zij hun beginsel van strenge afsluiting niet
zoo bepaald gehandhaafd hadden, welligt tot eenen zegen voor de kolonie
hebben kunnen verstrekken. In allen gevalle aan van Sommelsdijk is
die mislukking niet te wijten, en behoort zij volgens ons oordeel,
onder die welgemeende pogingen genoemd te worden, welke door hem
ter bevordering van den bloei en welvaart van Suriname ondernomen
zijn. Men beoordeele niet steeds de daden naar hunne uitkomsten,
men zou alsdan meermalen een zeer onbillijk oordeel vellen.
Eene andere loffelijke poging van van Sommelsdijk ter verbetering van
den toestand was die, waarbij hij trachtte om eene verandering onder
den militairen stand te maken, die, gelijk een oud geschiedschrijver
zegt, [53] »grootendeels in alle spoorloosheden versoopen lagen;
dus," vervolgt dezelfde schrijver, »fnuikte hij alom de overdaad
en inzonderheid in het gebruik van onmatige spijs en drank, als de
baarmoeder van ongeregelde wellusten zijnde, en speende hen met een
matig, doch tevens voldoend onderhoud, en bij dit zocht hij hen door
eene gedurige bezigheid van alle ongebondenheid af te trekken." De
soldaten, vroeger door hun losbandig gedrag eene plaag voor de
inwoners, werden door van Sommelsdijk gebezigd tot het verrigten
van zwaar werk, waaronder het uitdelven der Sommelsdijksche kreek,
en het aanleggen en opwerpen van de twee forten tegen de invallen der
Indianen, vroeger reeds beschreven, als het voornaamste is aangeteekend
[54].
Uit het hier medegedeelde blijkt genoegzaam, dat de heer van
Sommelsdijk met kracht en ernst de hand aan het werk sloeg, om niet
slechts den verwarden toestand te verbeteren, maar tevens den bloei
der kolonie te bevorderen.
Rust en vertrouwen keerden weder. De kolonisten, door verscheidene
nieuw aangekomenen versterkt en nu, na den gesloten vrede, niet
langer door de gedurige invallen der Indianen verontrust, begonnen
hunne plantaadjes aan beide zijden der rivier uit te breiden--van 50
plantaadjes werd dit gedurende zijn bestuur tot 200.
Voornamelijk kwamen de Joden weldra tot eene groote welvaart. De heer
Samuel Nassy schonk in 1682 aan de Portugeesch Joodsche natie eene
uitgestrektheid gronds, of Savanne, later de Joden-Savanne genaamd. In
1691 voegde Nassy hier nog 25 akkers van het nabijgelegen land bij,
dat nog, in hetzelfde jaar, onder het bestuur van den opvolger van van
Sommelsdijk, gouverneur Scharphuijs, door eene gift van 100 akkers,
uit naam der eigenaars in Holland vergroot is [55].
Deze Savanne, welke haren naam ontleende aan de uitgestrekte weilanden,
die dezelve omringden, lag 8 à 10 mijlen van Paramaribo, aan de boven
Suriname, op eene hoogte, die zich 30 à 36 voeten boven het waterpas
verhief, hebbende aan de beide zijden eene diepe vallei, die aan
de Savanne de volkomene gedaante eener landengte gaf. Deze plaats,
bestemd om als het ware, een vereenigingspunt der Portugeesch Joodsche
natie te worden, werd volgens een geregeld plan met huizen bebouwd;
de ruimte, die men daarvoor aanwendde, was een langwerpig vierkant van
450 voet lang en 300 breed, en was met vier dwarsstraten doorsneden.
De huizen, op de hoeken van dit vierkant gebouwd, waren groot en
gemakkelijk; de andere eenvoudig, enkele echter fraai te noemen.
Die huizen, welke van achteren uitzagen op de vallei en op den oever
der rivier, hadden ieder een klein tuintje op de helling der hoogten,
welke tuintjes beplant waren met laag geboomte en moeskruiden,
en welke, wanneer men de rivier opvoer en de Savanne naderde, een
alleraangenaamst gezigt opleverden.
Het grootste sieraad van het vlek echter was de Synagoge, die daarop in
1685 van tigchelsteen gebouwd werd. Zij was 90 voeten lang, 40 breed en
33 hoog, en werd ondersteund door vier groote houten pilaren, waarboven
een fraai gewerkt gewelf was ter bekleeding van het dak des gebouws.
Aan de eene zijde had men het vertrek der vrouwen omhoog, en regt
daartegenover dat der mannen, alwaar men eene groote kast van cederhout
vond, waarin de rollen der wet werden bewaard; deze was van zeer schoon
maaksel en versierd met goed uitgevoerd beeldhouwwerk. Deze Synagoge
pronkte daarenboven met zilveren kroonen, waarmede de rollen der wet,
bij plegtige gelegenheden versierd werden, en andere versieringen van
hetzelfde metaal, groote kaarskroonen van geel koper met verscheidene
armen en verschillende soorten van kandelaars, waaronder zich zeer
kostbare bevonden.
Onder de Synagoge, of liever onder het vertrek der vrouwen, had men
de regentenkamer, en die waarin het archief bewaard werd; (tevens
hield hier hunne bijzondere regtbank zitting).
Alles was zoo goed gebouwd, en het geheel had zoo iets deftigs, dat
die Synagoge de bewondering trok van allen, die haar voor de eerste
maal zagen.
De Savanne bereikte spoedig een grooten bloei; zij werd, gelijk men
bedoeld had, het vereenigingspunt, het centrum der Joodsche gemeente;
weldra wies het aantal huizen tot 70 à 80 aan.--Ieder huisgezin,
dat zich daar nederzettede, kreeg 4 à 5 slaven, benevens de noodige
levensmiddelen voor niet van de Joodsche eigenaars der plantaadjes
in de nabijheid. De inwoners hielden zich inzonderheid bezig met het
vervaardigen van planken en timmerhout, waarbij zij hun bestaan vonden.
Voornamelijk ter viering van het Loofhuttenfeest werd deze Savanne druk
bezocht. De meeste Joden der kolonie, zoowel zij die op de plantaadjes,
als zij, die in de stad woonden, kwamen aldaar te zamen; alle huizen
waren met gasten opgevuld en aan feesten en partijen ontbrak het dan
niet [56].
De Joden, die voornamelijk aan het hoogere gedeelte der rivier Suriname
hunne plantaadjes aangelegd hadden, hadden dan ook in de eerste plaats
veel van de invallen der Indianen te lijden gehad. Gelijk wij reeds
vroeger vermeldden, behoorden zij dan ook onder de eersten, die de
wapenen tegen hen opnamen, en meermalen moedig en met goed gevolg tegen
hen streden; dit werd door de geheele bevolking erkend; hun invloed
werd hierdoor vermeerderd en zij maakten alzoo gemakkelijk aanspraak
op voorregten, ja zelfs op meer gezag in de kolonie, dan anders in
die tijden wel het geval zou geweest zijn [57]. Na den vrede, door
van Sommelsdijk met de Indianen gesloten, werden zij bijzonder gebaat
en dit was mede oorzaak hunner zoo spoedig toenemende uitbreiding
en welvaart.
Niettegenstaande het wezenlijk en vele goede, dat van Sommelsdijk door
zijn krachtig bestuur aan de kolonie bewees, was het er echter ver af,
dat iedereen tevreden was.
Er waren zoo velen, wier belang niet medebragt, dat de verwilderde
zaken wederom in den regten plooi werden gebragt; in troebel water
hadden zoo velen gevischt en zagen nu tot hun schrik, dat hun rijk
een einde nam.
Anderen meenden door hem verongelijkt te zijn; wederom anderen
klaagden, dat hij hen met hoogheid en barschheid behandelde.
Weldra waren er dan ook vele beschuldigingen tegen hem èn bij de
Sociëteit van Suriname èn bij de Algemeene Staten ingebragt; de
voornaamste dezer waren, dat hij de ingezetenen hooger bezwaarde,
dan dit volgens het octrooi geschieden mogt.
Deze beschuldiging was zonder grond, want volgens het vierde artikel
van het octrooi vermogt hij 2 1/2 ten honderd eischen van alle
goederen, ieder keer als zij verkocht werden.
Later is door de Staten bepaald, dat dit regt slechts zou gevorderd
worden van de goederen, die naar Holland werden uitgevoerd; doch deze
bepaling bestond nog niet te dien tijde. Eene andere beschuldiging
tegen hem, was »dat hij den een boven den andere zou begunstigd hebben
in het waarderen der suiker." Ook dit bewijst te veel om iets te
bewijzen en kan wegens de algemeenheid der beschuldiging niet klaar
wederlegd worden [58].
Van Sommelsdijk heeft in 1687, bij publicatie, alle inwoners,
die iets tegen zijn gouvernement hadden in te brengen, opgeroepen
om hunne klagten in te brengen, verklarende hij zich bereid om hun
volle bevrediging en genoegdoening te geven; stellende zich in deze
niet als gouverneur maar als particulier persoon, en willende dit
doen ten overstaan van het hof; hij verlangde dit, ten einde zich
voor zijn vertrek naar het vaderland, waartoe hij scheen besloten te
hebben, van alle valsche beschuldigingen te zuiveren. Hij heeft deze
oproeping driemaal hernieuwd, maar--niemand verscheen, niettegenstaande
hij hen, bij niet verschijning voor kwaadsprekers en lasteraars
verklaarde. Zouden wij niet met hetzelfde regt hen hiervoor mogen
houden? [59]
Nog was er bij de Staten eene aanklagt tegen hem verschenen, namelijk,
dat hij tegen het oogmerk der Staten, twee Paapsche geestelijken in de
volkplanting had toegelaten, waarover de Staten aan van Sommelsdijk
schreven: »dat men in de kolonie Suriname geene predikanten had,
[60] maar dat men integendeel toeliet, (zoo als den heeren Staten van
Zeeland berigt werd) dat de Paapsche godsdienst aldaar in de kolonie
werd uitgeoefend, en onder anderen door een Paapjen, in de nabijheid
van het fort, die gezegd werd door zijne kluchten en fabeltjes der
Papisten ook Indianen en ons eigen volk tot zijn gehoor te trekken
[61].
De zaak had zich aldus toegedragen. De heer van Sommelsdijk had
zekere som gelds, ter voldoening van zijn quotum in de sociëteit,
opgenomen van een koopman te Amsterdam, Philippus van Hulten, welke de
R. C. godsdienst beleed. Toen van Sommelsdijk naar Suriname vertrok,
stelde hij dezen van Hulten aan als gemagtigde voor zijn aandeel
in de sociëteit. Deze man, een ijverige Roomsche, zond in wereldsch
gewaad twee priesters naar Suriname, die echter kort na hunne aankomst
overleden.
Hiervan maakten de vijanden van van Sommelsdijk, vooral de Zeeuwen,
zoo grooten ophef, alsof de geheele kolonie in gevaar was, waarop de
Staten, slechts ten halve onderrigt, bevalen, dat die priesters naar
Nederland zouden teruggezonden worden.
Van Sommelsdijk liet de ligchamen der overledene priesters opgraven
en zond hun gebeente naar Zeeland, met den volgenden brief, dien wij,
om den eigenaardigen stijl van dien man te leeren kennen, in zijn
geheel laten volgen: [62]
»Edele Groot Achtbare Heeren! Met schipper Johannis Plas hebbe ik aan
de Heeren Staten van Zeelandt toegesonden de beenderen van de drie
alhier overledene Papen, welcke sy gelieve Geestelycken te noemen;
Ick gelove dat soo een kist vol ducaten haar beter contentement en
vergenoegen soude doen, maar dat syn vrughten, die tot nogh toe hier
niet er wassen, doch hope, dat by faute van dien, d'abondantie der
suyckeren haar schreeuwende keelen sal versoeten en versachten, en
met syroop en jalep haar van hare rasende koortsen genesen, en haar
dan betere kennisse van saken doen bekomen van hetgeene hier passeert."
Waarmede
Edele Groot Achtbare Heeren!
UE. Groot Achtbare onderdanige Dienaar,
(was geteekend)
C. van Aerssens van Sommelsdijk.
Actum Suriname, den 5 Sept. 1687 [63].
Na hevige klagten over deze daad door de Staten van Zeeland, werd
door de Algemeene Staten bevolen, de lijken dier priesters weder naar
Suriname over te voeren en in de vorige begraafplaats bij te zetten
[64].
Weinig malscher waren de antwoorden van den beleedigden man over de
andere onregtvaardige beschuldigingen tegen hem ingebragt. Wegens de
beschuldiging, dat hij 4 pCt. van de natte waren geheven, en zelf in
eene andere negotie gedeeld had, en de aantijging van eenige kapiteins,
dat hij hen grootendeels benadeelde, door de suiker door zijne lieden
te doen laden en hen af te wijzen, schreef hij o. a. in eene missive
aan de Staten 26 Julij 1687,--»de redenen, waaromme desen last op
de natte waren is gestelt, is dese, dat hier veele dronckaarts syn,
die weinigh te kercken gaan, om haar te premoveren, het voordeel en
genot van haar geldt te kercke te komen halen, alsmede te kennen te
geven, dat wy van de droncke verckens ook eenigh voordeel en genot
weten te trekken enz." [65]
Over de klagt der schippers zegt hij op denzelfden ronden, doch
eenigzins ruwen toon, dat hij de schippers zijne aanklagers opgespoord
heeft, in welke klagten »van het begin tot het eynde geen waar woordt
en is, voor Godt en in conscientie geen de minste inhibitie oyt
zynde gedaan aan de schippers, van niet te mogen inladen de bequame
en gekeurde suykeren, dit zyn de listigheyt en de lagen, waarmede de
schippers hare reders bedriegen ende abuseren, niet distinguerende
het verbod van de ongekeurde suykeren" enz.--vervolgens noemt hij
hen de kapers van de goudkust [66].
Over hunne handelwijze jegens de West-Indische compagnie liet hij
zich in dier voege uit: »De W. I. compagnie op de cust van Afrika,
als een groot ligchaam zonder ziel, is door haar, onder de dekmantel
van vreemde commissiën, aldaar dickwils gepluymt, nu zoude de questie
zyn in Amerika van het selvige te doen, maar wees gepersuadeert, dat
nu ick weet, met wat luyden ick te doen hebbe, ick my wel sal weten
te defendeeren; myn verkopen kunt ghy wel, maar de leverantie sal je
(de Staten) zwaarder vallen dan geïmagineert werdt," enz. [67]
Op een ander bezwaar, dat hij zich niet in alle opzigten aan de
letterlijke bepalingen zijner instructie gehouden had, antwoordt hij:
»De enckelde negotie en de commercie heeft geene overeenkomste nogh
rapport met de grootmakinge van een Staat, ofte Colonie bysonderlyk
als die is, en werdt geforceert en gedwongen. De Experiëntie heeft
my geleert het geene ick niet en wiste, en hetgeene waarop ick niet
gedagt en hadde. En hadt ick als een geck myn instructie naar de
letter gevolgt, zoude de Staat, de Stadt, de W. I. Compagnie en ick
reden van berouw hebben van het ondernomene, hetgeene (Godt sy gelooft
en gedankt) nu so niet en behoort." [68]
Van Sommelsdijk sprak hier eene waarheid uit, die helaas te dikwijls
voorbijgezien is.
Is ons land groot geworden door den koophandel, en wordt deze met regt
de zenuw van den Staat genoemd, aan de andere zijde is het even waar,
dat door eenen te ver gedreven koopmansgeest, die slechts uit zucht
naar gewin handelde en hiervoor alles ten offer bragt, gruwelen zijn
geschied in de overzeesche bezittingen, waarvan de herinnering alleen
ons de oogen schaamrood doet nederslaan. Even waar is het dat niet
slechts het geluk van enkele personen, maar van geheele volkeren aan
dien te ver gedreven koopmansgeest zijn opgeofferd; even waar is het,
dat..... maar wij vervolgen onze geschiedenis.
Gelijk wij zagen, bragt van Sommelsdijk door zijne opene en eerlijke,
zij het ook wel wat ruwe wederlegging zijner valsche beschuldigers,
dezen tot zwijgen; en indien wij terugzien op hetgeen hij gedurende
zijn vierjarig bestuur tot stand bragt, kunnen wij hem den naam van den
nieuwen grondvester of hersteller der kolonie Suriname niet ontzeggen.
De onvermoeide landvoogd legde ook den grond tot de stad Paramaribo
bij het fort Zeelandia, volgens een regelmatig plan, [69] en weldra
zag deze plaats er gansch anders en beter uit, dan hij haar bij zijne
aankomst vond.
Tot deze en dergelijke werkzaamheden werden dan ook meermalen de
soldaten gebezigd. Onder den zwaren arbeid, die de gouverneur van
hen eischte, wordt voornamelijk genoemd het maken van eene steenen
glooijing aan den rivieroever bij het fort Zeelandia;--die daartoe
benoodigde zware, door de Negers uitgekapte steenen, moesten zij, bij
gebrek aan geschikte werktuigen dragen, hetgeen in dit land zeker een
zeer moeijelijk werk was [70]. Hierbij kwam, dat men door gebrek aan
aanvoer uit het moederland, genoodzaakt was geweest het dagelijksch
rantsoen te verminderen [71].
De geest van muiterij, die hen reeds lang bezield had, werd daardoor
zeer versterkt; deze openbaarde zich dan ook weldra door hunne
weigering om te werken, tenzij zij meerder rantsoen kregen. Den
algemeen beminden commandeur Verboom gelukte het dit ongenoegen
te stillen, maar twee dagen later, den 19den Julij 1688 brak die
muiterij op nieuw uit. Terwijl de heer van Sommelsdijk in een laan
van oranjeboomen voor het Gouvernementshuis op en neder wandelde, in
gezelschap van den commandeur Verboom, kwamen daar elf zaamgezworene
rebellen, half beschonken, met hunne geweren gewapend, tot hem en
eischten op een hoogen toon vermeerdering van rantsoen en vermindering
van werk. Van Sommelsdijk, dien wij reeds als een oploopend mensch
hebben leeren kennen, in plaats van hen te woord te staan, verstoord
over dit gedrag en deze schending der krijgstucht, tastte naar zijn
houwer, om deze baldadigen terug te drijven, doch toen hij den arm
ophief, schoten zij allen tegelijk op hem, en viel hij door zeven en
veertig wonden doorboord levenloos neder. De commandeur, Verboom door
eene wond in den buik getroffen, overleed negen dagen later [72].
Zoo was het einde van van Sommelsdijk, het einde van een man,
die, wij herhalen het nog eens, veel tot den bloei van Suriname
heeft toegebragt, en die door zijne godsvrucht, zijn open, eerlijk
en regtvaardig karakter, onze volle sympathie verdient, maar die
misschien wel wat te haastig, te driftig hervormen wilde, en die
door zijne oploopendheid en wel eenigzins barsch en norsch karakter,
zich vele vijanden verwierf.
De muitelingen plunderden nu het magazijn, namen het fort Zeelandia
in en benoemden opperhoofden.
De kapitein Abraham van Vredenburch, die wegens het verwonden van
den commandeur Verboom als bevelhebber der troepen moest optreden,
begaf zich onmiddellijk op het vernemen der tijding naar het fort, om
aldaar, zoo mogelijk, de oproerigen tot onderwerping te brengen; maar
dit gelukte hem niet, de muitende soldaten schoten op hem, en namen
hem met den luitenant de Raineval en den secretaris de Graaf gevangen.
Dienzelfden avond begroeven de muitelingen het lijk van den vermoorden
landvoogd, met krijgseer binnen het fort.
Bijna onmogelijk kan de toen bestaande verwarring geschetst worden. Bij
Hartsinck vindt men in zijn tweede deel, bladz. 651 tot 671, daarvan
een tafereel opgehangen, waardoor men er eenigzins over oordeelen
kan. De muiters waren nu genoegzaam meester van de geheele kolonie en
men was genoodzaakt, tot beveiliging van het leven der ingezetenen,
een verdrag met hen aan te gaan, waarbij zij beloofden de kolonie
te verlaten tegen eene geldelijke vergoeding, en waarbij hun geheele
kwijtschelding van straf zou worden verleend.
Het gelukte den kapitein Vredenburch uit het fort te ontkomen en
vervolgens, bijgestaan door den Joodschen kapitein Nassy en den
raadsheer Bagman, met eenige gewapende burgers, gezegd fort door de
rebellen te doen ontruimen. Zij zochten nu op het schip de Salamander
te ontkomen, doch door onderlinge twisten verdeeld, werden zij
eindelijk door de gewapende burgers en anderen gevangen genomen.
Hoewel er in Suriname nog eene groote verwarring bleef heerschen,
werd de hoop op het herstel der rust door die gevangenneming zeer
verlevendigd, en op last van den Raad van Policie werd den 30 Julij
een dank- en bededag gehouden.
Nu was men het niet eens hoe met de gevangen genomen muiters te
handelen. De zwaar gekwetste commandeur Verboom deed de Raden van
Policie bij zich komen, en gaf de Raden in bedenking of men de
moordenaars wel zou kunnen straffen, uit hoofde hij commandeur,
benevens de andere officieren en burgers van Paramaribo, met de
rebellen een verdrag hadden aangegaan, enz. De Raden antwoordden
daarop, dat zulk een verdrag niet bestaan kon, als zijnde gemaakt
door hem en verdere officieren, die in het geweld der rebellen waren,
en door ontwapende burgers, en dus gedwongen; dat zoodanig accoord
mede nul en van geen waarde was, als zijnde buiten hunne toestemming
geschied, en dat zij in dat verdrag niet konden bewilligen zonder
te zondigen, en zich eene groote straf op den hals te halen bij God
en hunne principalen, ingeval zij de moordenaars ongestraft lieten
vertrekken, enz. enz. Waarop de heer commandeur hun te gemoet voerde,
dat het aan hunne beslissing stond, en dat hij hoopte, dat God hen
wilde bijwonen met den geest der wijsheid, om niet alleen de zaak wèl
uit te voeren, maar ten beste van het land te betrachten, waartoe hij
met ernst bij hen aandrong. Den volgenden dag, den 28sten Julij 1688,
overleed Verboom, die om zijne minzaamheid algemeen bemind was.
Het proces ging nu zijnen gang, en den 3den Augustus werden 3 der
belhamers geradbraakt en 8 gehangen. De overige 60 man, die mede deel
aan het complot hadden genomen, werden niet langer in dienst gehouden,
maar voor en na, bij vijf of zes, naar Holland overgevoerd en volgens
beloften aldaar vrijgelaten [73].
De rust alzoo hersteld zijnde, werden de officiers en burgerij door
den heer G. Muenix, als president, uit naam van den Raad voor hunne
goede diensten bedankt, en ging ieder weder tot zijn gewoon bedrijf
en naar zijne woning terug [74].
Intusschen hadden de raden van policie zich na den dood van den
commandeur Verboom alle gezag aangematigd, vooral door den invloed van
den fiscal G. Muenix hiertoe aangespoord. De kapitein van Vredenburch
leverde hiertegen den 13den September 1688 protest in, daar hem het
regt van opvolging van den commandeur toekwam.
De raad bood hem zitting aan en stelde voor de zaken gezamenlijk
te behandelen. Om de reeds bestaande verwarring en oneenigheid
niet te vermeerderen, nam van Vredenburch dezen voorslag aan, maar
behield zich zijn regt voor, zich in de notulen steeds teekenende,
»ongepraejuditieerd" zijnen rang [75].
Toen de tijding van het droevig uiteinde van den gouverneur van
Sommelsdijk in Nederland bekend werd, bood de geoctroijeerde Sociëteit
van Suriname, volgens het bepaalde bij het 6de artikel van het met
den overledene gesloten verdrag, den zoon des heeren van Sommelsdijk,
den heer van Châtillon, luitenant ter zee aan, om in zijns vaders
plaats, gouverneur van Suriname te worden. Er waren èn voor mevrouw
van Sommelsdijk èn voor haren zoon te droevige herinneringen hieraan
verbonden, en na rijp beraad bedankte hij voor die eer [76].
Mevrouw van Sommelsdijk bood haar aandeel te koop aan de Sociëteit,
doch deze wilde hiertoe niet overgaan. Den 12den Februarij 1692 gaf
zij kennis aan den burgemeester van Amsterdam, dat Koning Willem III
van Engeland het had gekocht.
Hartsinck en anderen gissen, dat deze koop naderhand vernietigd is,
omdat bekend is, dat den 19den April 1770 de stad Amsterdam van de
erven van Sommelsdijk haar aandeel kocht voor de som van f 700,000,
te betalen in drie termijnen. Meer aannemelijk komt ons in deze
voor, het gevoelen van den heer Mr. C. Ph. Vlier uit Suriname, (zie
Surin. Almanak 1833, blz. 239) die denkt, dat dezelfde aanbieding,
welke bereids door mevrouw van Sommelsdijk aan de Sociëteit gedaan was,
ook herhaald is aan den Koning van Engeland; doch dat deze, evenmin als
de Staten van Holland, die koop ooit gesloten heeft. Hoe dit ook zij,
vervolgt de heer Vlier, wij mogen hieruit gerustelijk afleiden, dat de
kosten tot onderhoud dezer volkplanting in die dagen kwalijk konden
worden bestreden door de voordeelen, die de Sociëteit van daar trok,
wijl het anders moeijelijk te begrijpen is, waaraan de weigering der
overname van het een derde aandeel van mevrouw van Sommelsdijk zij
toe te schrijven.
De onderlinge twisten tusschen de verschillende magten in Suriname
hielden aan. Onder hen, die zich in dit tusschenbestuur veel
aanmatigden, behoort vooral de reeds genoemde Israëliet Samuel
Nassy. Hij had zich door zijn moedig gedrag en goed overleg zeer
verdienstelijk gemaakt in het beteugelen van den opstand der muitzieke
soldaten, en droeg er veel toe bij, dat zij eindelijk gevangen
werden genomen. Door dit een en ander had hij veel invloed gekregen,
en koesterde hij misschien wel eenige hoop, om tot gouverneur der
kolonie te worden benoemd.
Een man van groote middelen zijnde, had hij op de Joden-Savanne op
eigene kosten een gasthuis voor zijne behoeftige geloofsgenooten laten
bouwen, en door meerdere weldaden zijne natie zeer aan zich verpligt,
zoodat de Joden hem steeds als hun beschermer aanzagen, hoewel hij
toch ook van verscheidene kanten veel tegenwerking ondervond, toen
hij, gesteund door brieven van de Amsterdamsche rabbijnen, trachtte
eenige hervormingen bij hen tot stand te brengen, inzonderheid ten
opzigte hunner zoo menigvuldige feestdagen [77].
Deze tegenstand werd zoo hevig, dat er ongeregeldheden en opstanden
tusschen de Joden onderling ontstonden, dat zij zelfs handgemeen en
er verscheidene gekwetst werden. Dan niet slechts bij de Joden was er
over dergelijke zaken twist, ook tusschen de Hervormde predikanten
en andere beambten heerschten twisten en wanorde, waardoor groote
opschuddingen en gemor onder de ingezetenen veroorzaakt werd.
De militie was sedert den dood van van Sommelsdijk nog niet regt
aan het bedaren; de fortificatiën waren in slechten staat; in het
kort, de staat van zaken was zeer verward [78], en het was noodig,
dat er als landvoogd in Suriname weder een man kwam, die de noodige
vereischten bezat om dien verwarden boedel wat teregt te brengen. De
keus der Sociëteit viel, (en zij werd door de Staten bekrachtigd) op
den toen met verlof in Nederland zijnden raad van policie en heemraad
van Thorarica, Johan van Scharphuisen, die met eene versterking van
krijgsvolk en voorraad van oorlogs- en mondbehoeften naar de kolonie
vertrok, in gezelschap van den heer Chatillon, die mede ging om de
zaken zijns vaders te regelen.
In het begin van de maand Januarij 1689 scheepte hij zich in en had
eene zeer moeijelijke reis, eerst door het ijs, later door buitzieke
kapers, zoodat het schip zoo ontramponeerd werd, dat een gedeelte van
het scheepsvolk begon te morren en eenige hunner in de kajuit kwamen,
alwaar van Scharphuisen met den heer Chatillon, kapitein Lohuijzen en
zijn secretaris aan tafel zaten. Zij zeiden, dat niemand der matrozen
gezind was om met een zoo ontramponeerd schip in zee te blijven, maar
dat zij verzochten de eerste haven de beste binnen te loopen. Van
Scharphuisen vraagde hun, of hij en zijn gezelschap ook niet mede
voeren en zoowel als zij het leven te verliezen hadden; en voegde hun
toe, dat zij onvoorzigtig waren en eigenlijk de galg of de nok van
de raa kwamen eischen; doch dat hij, hunne onnoozelheid inziende,
hun dezen misslag vergeven wilde, mits dat zij zich stil en rustig
hielden en hun best deden om het schip zoo veel mogelijk weder in
staat te brengen om te kunnen zeilen.
Door deze mannelijke taal tot rede gebragt, dropen zij stilletjes
af, sloegen handen aan het werk, en met stoppen en stengen werd het
vaartuig zoo ver in staat gebragt, dat de reis kon voortgezet worden,
zoodat zij zonder verderen tegenspoed den 8sten Maart 1689 voor de
rivier van Suriname aankwamen, en de gouverneur den 10den aan land
ontvangen werd. [79]
Wij deelden deze bijzonderheid mede om te doen zien, dat men in een
man als van Scharphuisen wel eenig vertrouwen stellen kon, om als
opvolger van van Sommelsdijk op te treden. Dat het hem echter niet
gelukte regel en orde in dien verwarden toestand te brengen, zullen
wij verder zien. Dadelijk na zijne komst poogde hij de inwendige
twisten te stillen; hij stelde, behalve de reeds bestaande raad
van policie, wien de criminele jurisdictie was opgedragen, uit een
dubbel getal personen, door de ingezetenen gekozen, volgens artikel
23 en 24 van het octrooi, een collegie van zes personen aan, die met
hem de civiele justitie zouden beheeren, welke tot heden door den
raad van policie was bestierd; zoo mede een bijzonder collegie voor
kleine zaken, ter beslissing en bevrediging van kleine verschillen
tusschen de ingezetenen (een soort van vredegeregt), om deze alzoo
zoo spoedig mogelijk tot een goed einde te brengen. Mede werden door
hem opzigters der gemeene weiden benoemd, daar het vóór dien tijd
hiermede zeer onordelijk toeging. [80]
Grondig bekend met den landbouw, en zelf eigenaar eener plantaadje
aan de Boven-Suriname, zocht hij ook door zijn voorbeeld de wijze
van cultuur te verbeteren.
De verbetering der vestingwerken, die in slechten staat waren, werd
zeer gewenscht en hij onderzocht met de raden van policie wat het
eerst en het best tot beveiliging der kolonie te doen ware.
Terwijl hij hiermede bezig was, nog geene twee maanden na zijne komst
in Suriname, den 6den Mei 1689, stevende eene Fransche vloot van 9
oorlogsschepen en 1 bombardeer-galjoot, onder bevel van den admiraal
du Casse, de rivier Suriname op; overviel de aan den mond der rivier
gestationeerde Bark, en trachtte de kolonie te overrompelen.
De inwoners echter door eene nadere en bedekte wacht in tijds
gewaarschuwd, hielden onmiddellijk krijgsraad en besloten tot
tegenweer.
Zij gedroegen zich dapper, en het toen nog zoo nietige fortje Zeelandia
stond een drie daagsch bombardement door; de vereenigde pogingen van
het krijgsvolk, der burgers en der scheepslieden deden de bedoelingen
van den Franschen admiraal, om de Commewijne op te varen, mislukken,
waarna de Franschen, na een groot verlies te hebben geleden, de rivier
afzakten en met het eskader in zee staken.
De admiraal du Casse had ook te vergeefs beproefd om, door op
de eerzucht van den heer Chatillon te werken, daardoor tweespalt
tusschen hem en den gouverneur te verwekken. Hij had hem daartoe een
vleijenden brief gezonden, waarin hij betuigde verheugd te zijn, zulk
eenen braven cavalier als den heer Chatillon te ontmoeten, noemende
hem: »Heere van Suriname" enz. De heer Chatillon, te edelmoedig en te
getrouw aan de belangen van den Staat, en, hoewel nog jong, te kloek,
en te verstandig om aan zulk eene vleijerij het oor te leenen, hielp
met alle magt de trouwelooze Franschen afkeeren, en het smartte alzoo
de geheele kolonie, toen hij den 10den Mei, door het te vroeg afgaan
van een stuk geschut, hetwelk hij met zijnen kamerdienaar bediende,
zwaar aan zijne handen en in zijn aangezigt gekwetst werd; en een
ieder verheugde zich, toen hij gelukkig weder spoedig herstelde,
[81] terwijl hij na zijne herstelling weder naar Nederland terugkeerde.
Nadat de Franschen alzoo weder in verwarring zee kozen en de kolonie
een tijdlang van die lastige indringers bevrijd was, en men zich
alzoo ongestoord aan verbeteringen en noodzakelijke hervormingen had
kunnen toewijden, ontbrandde het vuur der tweedragt weder op nieuw,
en voornamelijk tusschen de Joden, of nog liever tusschen den Jood
Nassy en den gouverneur.
Nassy had zijnen invloed zeer zien toenemen door zijn heldhaftig
gedrag bij den aanval van du Casse, [82] en de spanning werd gedurig
heviger. Eindelijk besloot hij Suriname te verlaten; hij vertrok van
daar en vestigde zich te Amsterdam; dan in plaats dat dit vertrek aan
van Scharphuisen vrede bezorgde, ontsproot daaruit voor hem eene bron
van nieuwe moeijelijkheden; want niet slechts bleef de spanning in de
kolonie voortduren, doordat nu de hoofden der Israëlietische bevolking
zich tegen den gouverneur verklaarden, hem beschuldigden de oorzaak
van het vertrek van den zoo hoog geachten Nassy te zijn en wat dies
meer zij, maar zij zonden daarenboven hunne klagten naar Nassy en
den baron Belmonte, mede een Israëliet, die nu bij de autoriteiten
van Nederland zochten te bewerken, dat hij zou teruggeroepen worden.
Van Scharphuisen wachtte dit echter niet af; hij verzocht en verkreeg
zijn ontslag, en tot zijn opvolger werd benoemd de heer Mr. Paulus
van der Veen, die den 14den Mei 1696 het bestuur van hem overnam.
Van Scharphuisen vertrok naar Nederland met het schip Brigdamme, welk
schip op de reis door Fransche kapers genomen en hij als gevangene
te St. Malo opgebragt werd.
Dan nu ondervond hij, dat een edelmoedig gedrag meermalen reeds hier
beloond wordt, daar hij, terwijl al het andere volk naar Dinant in
strikte gevangenis werd gevoerd, met zijnen secretaris en bedienden
in een logement te St. Malo mogt verblijven, en het hem veroorloofd
werd vrijelijk door de stad te gaan, vervolgens onder het stellen van
borgtogt naar Rouaan te vertrekken, alwaar hij weldra een paspoort van
wege den koning van Frankrijk verkreeg, die hem deze gratie bewees,
omdat hij zijne onderdanen, die in zijne handen gevallen waren,
zoo goed had behandeld.
Het was namelijk gebeurd een paar maanden na den zoo dapper afgeslagen
inval der Franschen, dat een hunner oorlogsschepen van 24 stukken
met 160 man tusschen de rivieren Coppename en Corantijn in den
modder vast raakte. De schepelingen, door honger en dorst gekweld, en
door de moeijelijke reis afgemat, moesten zich op genade of ongenade
overgeven; op bevel van Scharphuisen werden zij geherbergd en gespijsd
en vervolgens onder eenige voorwaarden naar een der Fransche eilanden
teruggezonden. [83]
Bij de terugkomst van den heer van Scharphuisen in het Vaderland werd
hij duidelijk gewaar, dat zijne vijanden niet stil hadden gezeten,
en hem bij zijne hoofden, de directeuren der geoctroijeerde Sociëteit,
hadden zwart gemaakt, zoodat zij zich ontevreden betoonden over zijne
administratie en gouvernement in Suriname. Hij werd ter verantwoording
geroepen, en daartoe werden hem verscheidene punten en artikelen ter
hand gesteld, om zich daarop te verantwoorden, gelijk hij dit dan
ook uitvoerig gedaan heeft.--Beide stukken zijn onder de titels van
»Punten en Artikelen" en »Berigt en antwoord van den gouverneur Jan
van Scharphuisen," uitgegeven te Amsterdam bij de wed. Aart Dirkzoon
Oossaan, 1697. [84] De uitslag hiervan wordt noch door Hartsinck,
noch door de schrijvers der Historische proeve medegedeeld.
Van de regering van zijnen opvolger Mr. Paulus van der Veen, die van 14
Mei 1696 tot 2 Maart 1707 de kolonie als gouverneur bestuurde, wanneer
hij op zijn verzoek eervol ontslagen werd en naar Nederland vertrok,
vindt men in de geschiedenis niet veel vermeld; alleen schijnt het
te blijken, dat de kolonie eene vrij gewenschte rust genoot en de
landbouw zich meer en meer begon uit te breiden.
Hij werd opgevolgd door Mr. Willem de Gruyter den 20sten Maart 1707,
welke echter den 27sten September van hetzelfde jaar overleed. Na een
tusschenbestuur van den sedert 1703 benoemden commandeur François
Anthony de Rayneval, dat echter nog al lang duurde, namelijk van
27 September 1707 tot 19 Januarij 1710, werd Johan de Goyer tot
gouverneur benoemd, en aanvaardde hij deze betrekking den 19den
Januarij 1710. [85]
Suriname geraakte, daar het nu tot eenige rust gekomen was, tot een
bloeijenden staat, wat den landbouw betreft, schoon de eenige cultuur
slechts in die van het suikerriet bestond. Deze en het vellen en
verzenden van letterhout waren de bronnen, waaruit de welvaart der
blanke bevolking ontsproot, terwijl de ongelukkige slaven, .... doch
hierover later, wanneer wij meer bepaald hunnen toestand wenschen
te beschouwen.
Suriname, hoewel een zeer vruchtbaar land, was echter zeer moerassig;
maar hetgeen andere volken ten hinderpaal zou zijn geweest, was
zulks voor de Hollanders niet. »De Hollandsche natie, zoo geschikt
om moerassen te bebouwen," zegt zekere schrijver, [86] »bragt den
eigen aard van haar land in deze over, en het is namelijk daardoor,
dat zij met vermijding der groote onkosten, die de Engelsche wijze van
doen vereischte, op eenen vochtigen en drassen grond eene volkplanting
heeft weten te stichten, die door hare hooge waarde weldra door andere
mogendheden met afgunstige oogen beschouwd werd."
Het was alzoo, minstens genomen, hoogst onvoorzigtig, dat de
Staten en de Sociëteit geene betere maatregelen namen tot derzelver
verdediging tegen eenen buitenlandschen vijand, niettegenstaande door
de kolonisten, voornamelijk na den gelukkig afgeweerden aanval van
du Casse, daarover vertogen werden ingediend.
Gedurige twisten en oneenigheden tusschen de inwoners en verschillende
autoriteiten waren mede voor een deel hiervan de oorzaak; er heerschte
geen eendragt, en dat deze toch magt maakt, is niet slechts het
onderschrift van het Nederlandsche wapen, maar wordt als zoodanig
door de geschiedenis gestaafd.
Weldra zou men in Suriname de wrange vruchten plukken van de
onvoorzigtigheid van zich niet behoorlijk tegen eenen buitenlandschen
vijand gewapend te hebben.
Reeds onder het bestuur van Mr. Paulus van der Veen in 1696 was de
heer Gennis, admiraal van eene niet onaanzienlijke vloot, van plan
geweest om Suriname aan te tasten; maar bij het vernemen, dat er twee
groote oorlogsschepen aan den mond der rivier lagen, had hij daarvan
afgezien; [87] dan uitstel bleek in deze niet altijd afstel te zijn.
De oorlog tusschen onze republiek en Frankrijk was naauwelijks op nieuw
uitgebarsten, of deze Mogendheid, die, door de nabijheid van Cayenne,
beter dan eenige andere èn met de belangrijkheid van den landbouw in
Suriname èn met de geringheid harer verdedigingsmiddelen tegen eenen
verradelijken aanval bekend was, gaf den vrijbuiter Jacques Cassard,
bevelhebber van een eskader, vrijheid om zich derwaarts te begeven.
Den 8sten Junij 1712 kwam hij met eenige schepen de rivier Suriname
opvaren. De geestdrift onder de bevolking tot dapperen wederstand
ontwaakte evenzeer als in 1689; men ontving de Franschen dan ook zoo
dapper, dat zij den 14den Junij reeds weder zee moesten kiezen. Dit
was echter slechts als een voorspel.
Den 8sten October van hetzelfde voor de kolonie zoo noodlottige
jaar 1712, kwam Cassard weder, en nu met 8 groote oorlogsschepen,
welke te zamen 336 stukken geschut voerden en 30 kleinere vaartuigen,
waarop 3000 man soldaten, de rivier opvaren.
De 3000 man landingstroepen stonden onder bevel van de heeren de
Gotteville de Belile, de Breteuil, d'Epinoy en de Sorgues. [88]
De Franschen beschoten den volgenden dag Paramaribo; de onzen maakten
zich tot eene hardnekkige verdediging gereed, en de vijand deinsde
schijnbaar af, zich vergenoegende met van tijd tot tijd eenige bommen
in de stad te werpen. Mogt men toen eenige hoop gekoesterd hebben,
dat men van dit lastig bezoek verlost was, weldra bleek het, dat
die hoop ijdel was, daar de Franschen verder de rivier opzeilden en
op verscheidene plantaadjes landden, alwaar men niet in staat was
hun het hoofd te bieden, hoewel er bij menige schermutseling dapper
gestreden werd.
Hierdoor kwam men in moeijelijke omstandigheden; de vijand was weldra
meester van de rivier de Suriname en Para, en verschillende plantaadjes
werden door hen bezet.
Daar de mannen meest allen naar Paramaribo ter verdediging der forten
waren vertrokken, vlugtten de vrouwen en kinderen, zoo uit de stad
als van de plantaadjes met hunne tilbare have door bosschen, kreeken
en moerassen, onder geleide van eenige slaven, onder het uitstaan
van armoede en kommer van de eene plaats naar de andere.
Zoo waren deze vrouwen dan aan de genade van hare slaven overgeleverd;
hoe gemakkelijk zou het dezen geweest zijn, zich over de wreede
behandeling, die zij zoo vaak op last hunner meesteressen ondergingen,
thans op deze hulp- en weêrlooze vrouwen te wreken. Men vindt
hiervan echter in de geschiedenis niets aangeteekend; maar wel,
dat verscheidene dezer slaven van deze gelegenheid gebruik maakten,
om hunne vrijheid te verkrijgen, door in de bosschen te vlugten en
zich bij de andere wegloopers te voegen.
Hetzelfde was het geval met velen van hen, die door hunne meesters,
om ze voor Cassard te verbergen, boschwaarts waren gezonden, maar die
na den aftogt van den vrijbuiter geen lust gevoelden, om zich weder
onder het juk te krommen.
De vijand was weldra zoo goed als meester der kolonie. Alleen de
Pauluskreek was voor zijnen aanval bevrijd gebleven. De heer Simon
van Halewijn had op zijne plantaadje aldaar, het eiland genaamd,
alles tot eene moedige verdediging gereed gemaakt, batterijtjes
doen oprigten en hierop zeven stukken kanon geplaatst, terwijl hij,
behalve zijne gewapende slaven, dertien blanken bij zich vereenigd
had. Dan hetzij Cassard zijn volk wilde sparen en zich toch reeds
genoeg meester zag om de kolonie te kunnen dwingen, hetzij om andere
redenen, de Pauluskreek bleef verschoond.
Cassard had reeds den 11den October 1712 de regering voorgeslagen,
dat men eene brandschatting zou opbrengen en dat hij wenschte hierover
te onderhandelen.
Men had dit toen echter afgeslagen; maar nu de zaken zoo reddeloos
stonden, en hij den 20sten op nieuw eenen brief zond, waarbij hij
brandschatting eischte, met de bedreiging, van anders alle plantaadjes
langs de rivier te zullen plat branden, enz. besloot men om met hem in
onderhandeling te treden, en den 2den October kwam op de plantaadje
Meerzorg, toebehoorende aan den raad van policie P. Amsing, eene
overeenkomst daaromtrent tot stand.
De som, door Cassard geëischt, en waarop niet af te dingen viel,
was groot en bedroeg ruim een derde deel der bezittingen--f 747,350
Surinaamsch of f 682,800 Holl. cour.
De som werd, gelijk uitvoerig bij Hartsinck is opgeteekend, [89]
betaald met slaven, suiker, diverse provisiën aan de vloot geleverd,
kabeltouwen, koperwerk, ketels als anderzins, zilverwerk, gemunt geld
en 22 wisselbrieven à f 37464,16 Holl. Cour. of f 44957,16 pap. geld
op Holland. Alstoen zijn uitgevoerd 734 negerslaven berekend tegen
f 350 de persoon, en tevens vindt men in gezegde rekening nog vermeld
voor f 2300 roode slaven of Indianen.
Daar de Caraïben soms met andere stammen in oorlog leefden, verkochten
zij de buit gemaakte gevangenen als slaven aan de Kolonisten. Bij het
verdrag, onder van Sommelsdijk met hen aangegaan, was dan ook slechts
bepaald, dat de Caraïben, Arawakken en Warauen niet tot slaven mogten
worden gemaakt.
Cassard vertrok den 12den December 1712 uit de kolonie, na de goederen
enz. te hebben overgenomen, waarvoor hij behoorlijk kwitantie passeerde
[90].
Treurig waren de gevolgen van dezen ramp voor Suriname; want daar
de opgebragte som over de inwoners moest verdeeld worden, gaf die
betaling aanleiding tot zeer vele moeijelijkheden en hevige tweespalt
tusschen de ingezetenen en het gouvernement; terwijl hierbij kwam
de vermeerdering van het aantal wegloopers (Marors), hetwelk door
alle schrijvers als het allernoodlottigst gevolg dier gebeurtenis
wordt aangemerkt.
Wij willen in een volgend hoofdstuk hierbij iets langer stilstaan,
alsdan tevens den toestand en den landbouw te dien tijde een weinig
nader beschouwen, benevens de mislukte proeven ter kolonisatie
enz. enz.