VAN 1667 TOT 1683.

Terwijl de Engelschen en anderen zich meer en meer voor goed in

Suriname trachtten te vestigen, en de nieuwe kolonie in betrekkelijk

korten tijd in bloei toenam, vielen er in Europa gebeurtenissen

voor, die eenen grooten invloed op de onderscheidene bezittingen der

verschillende Europesche natiën in de nieuwe wereld zouden uitoefenen,

waardoor Suriname in het bezit van een wel is waar klein, maar dapper

volk zou komen, hetwelk zich, trots allen wederstand en onderlinge

verschillen, langen tijd in dat bezit handhaven zou, en hetwelk

Suriname, na een twaalfjarig gemis, nu nog als eigendom bezit.

De kleine staat of republiek der Vereenigde Nederlanden was reeds

sedert 1661 in oorlog geraakt met Engeland, alwaar Koning Karel II,

na den dood van den protector Oliver Cromwell, in 1658 gestorven, in

1660 weder den troon zijns vaders bestegen had, en nu ten koninklijken

zetel verheven, spoedig de hulp, de ondersteuning, de bescherming

vergat, die hij als banneling in Nederland zoo ruimschoots had genoten.

De strijd werd van beide zijden met afwisselend geluk gevoerd; vooral

oogstten onze zeehelden, als de Kortenaar, de van Nessen, van Gent,

de Evertsen, de Vries, vooral Cornelis Tromp en de Ruijter, de schrik

des Oceaans, toen vele en welverdiende lauweren [22].

De Zeeuwen, die moedige waterleeuwen, gaven meer dan eens blijken, dat

zij niet ontaard waren van die heldendeugd, welke eenmaal Spanje's

grooten koning deed sidderen. Om overal zoo veel mogelijk den

algemeenen vijand afbreuk te doen, rustten zij in 1666 drie schepen

uit en eenige kleine vaartuigen, met 300 soldaten bemand, en stelden

dit eskader onder bevel van den kapitein ter zee Abraham Crynsen,

terwijl de kapiteins Julius Lichtenberg en Maurice de Rame over

de troepen het commando voerden. Deze kleine vloot zette koers naar

Suriname. Den 28sten Februarij 1667 stevenden deze drie oorlogsschepen

en eenige kleine vaartuigen de rivier Suriname op. De Engelsche vlag

woei van den stengel der schepen; zij zeilden de rivier op tot onder

de sterkten der Engelschen; hunne krijgslist, het voeren der Engelsche

vlag, mislukte; onkunde met de seinen verraadde hen. De bevelhebber der

sterkte, William Biam, die bij afwezigheid van lord Parham het bevel

voerde, liet terstond op het kleine eskader losbranden. Dan ook hier

was men op alles voorbereid; van de schepen werd de volle laag gegeven;

de krijgsknechten stapten aan land, en na eene korte schermutseling,

waarbij de aanvallers slechts één man verloren, werd de sterkte,

die slecht voorzien was, ingenomen, bij verdrag overgegeven, en des

namiddags woei voor den eersten keer de Prinse vlag, de Nederlandsche

vlag van het fort, sedert »Zeelandia" genoemd. De schielijke overgave

door de Engelschen was mede veroorzaakt, doordat 600 man van de

plantaadjes en overige deelen der kolonie, in allerijl ontboden,

eenige uren te laat kwamen. [23]

De onzen maakten een verdrag met de ingezetenen en suikerplanters

aan de rivieren de Commewijne en Suriname, waarbij bepaald werd, dat

dezen onverlet in hunne bezittingen zouden blijven, mits eed doende

aan den Staat.

De goederen van hen die weigerden, en die der afwezigen, benevens die

van den Engelschen gouverneur William Biam werden verbeurd verklaard

en de soldaten krijgsgevangen gemaakt. Voorts moesten de ingezetenen

honderd duizend pond suiker als brandschatting opbrengen [24].

De in de kolonie gevestigde Joden vervoegden zich tot Crijnsen,

om bestendiging der voorregten, hun door lord Parham verleend, te

erlangen; zij vonden een gunstig gehoor.

De bevelhebber Abraham Crijnsen stelde den heer Jozef Nassy aan tot

Commandeur der rivieren Eracubo en Canamana, en onder verscheidene

andere plegtige verklaringen, door hem uit naam der Staten van Zeeland

aan de bewoners der kolonie gedaan, behoort ook, dat hij den Joden

beloofde, dat zij de voorregten, hun door de Engelschen verleend,

zouden blijven genieten; en in het 3de en 4de artikel van zijne Acte,

later door de Staten van Zeeland goedgekeurd, werd er bijgevoegd,

»dat de Joden gerekend werden alsof zij geboren Hollanders waren." [25]

Na hierop het fort met eenige nieuwe werken versterkt, met palisaden

omzet en een garnizoen van 120 man achter gelaten te hebben, benevens

15 stukken geschut en levensmiddelen en den noodigen krijgsvoorraad

voor 6 maanden, vertrok Crijnsen met zijn eskader van daar, om nieuwen

roem en lauweren te behalen, die hij dan ook ruimschoots verwierf,

en waarvoor hij door de Admiraliteit van Zeeland met eerbewijzen en

bevordering beloond werd [26].

Hij bevrachtte ook een schip, dat naar Zeeland stond te vertrekken,

met den buit, welke op meer dan f 400,000 geschat werd.

Indien men rekent, dat men dezen buit prijs maakte op eene plaats,

die men overwonnen had, met het oogmerk om ze te behouden en te

vergrooten ten voordeele van den overwinnaar, dan moet men erkennen,

dat de kolonie Suriname toen reeds als eene gansch niet onbelangrijke

bezitting beschouwd kon worden.

Maurits de Rame bleef als bevelhebber achter.

De oorlog tusschen de republiek der Nederlanden en het koningrijk

Engeland nam kort hierna een einde. Den 31sten Julij 1667 werd te

Breda de vrede tusschen Holland en Engeland gesloten, en werd aldaar

bij het tractaat bepaald, dat al de plaatsen, die door de wederzijdsche

vijanden vóór of op den 10den Mei veroverd waren, aan den overwinnaar

zouden verblijven, maar dat alle na dien dag veroverde plaatsen aan

hunne vorige bezitters zouden worden teruggegeven.

Kwam alzoo Nieuw-Amsterdam, sedert New York genaamd, volgens dit

tractaat in handen der Engelschen, Suriname daarentegen bleef onder

de magt der Zeeuwen.

In Suriname had men evenwel nog geen dadelijk genot van dien gesloten

vrede.

Aldaar verkeerde men in geene geringe vrees door het vernemen

der tijding, dat de Engelsche bevelhebber John Hermans met een

eskader naar Amerika was vertrokken, om de Fransche en Nederlandsche

bezittingen in dat werelddeel te verontrusten. Die vrees bleek weldra

niet ongegrond te zijn. Hermans kwam in October, [27] met 1 groot

oorlogsschip, 6 fregatten en 2 kleine transportschepen voor Cayenne en

bemagtigde dat na eenigen wederstand van de zijde der Franschen. De

ridder De Lezy, die vruchteloos getracht had dit te beletten, nam

met twee honderd man de vlugt naar Suriname, en deelde het berigt

mede, dat men aldaar mede weldra een bezoek van de Engelschen te

duchten had; en die droevige verwachting werd spoedig eene droevige

wezenlijkheid. Hetzij, dat de tijding van den te Breda gesloten vrede

aan den bevelhebber van dit eskader nog onbekend gebleven was, hetzij

dat lord Parham, de gouverneur van Barbadoz, zich op deze wijze over

het verlies van zijn eigendom willende wreken, de hand in het spel had,

den 18den October 1667, verscheen genoemde John Hermans met zeven

oorlogsschepen en eenige kleinere, bemand met twaalf honderd man,

voor de rivier de Suriname, zeilde met eenige schepen dezelve op tot

voor het fort »Zeelandia", en begon dit met kracht te beschieten,

zoodat spoedig 34 man der belegerden, of gedood of gekwetst, negen

stukken geschut onbruikbaar gemaakt, de borstweringen en stormpalen

omver geschoten werden en eene bres werd gevormd, alwaar wel tien man

naast elkander door konden gaan; hierdoor werd de bezetting genoodzaakt

te kapituleren. Terwijl men hierover krijgsraad hield, klommen de

Engelschen over de muren en bemagtigden alzoo de sterkte. Eenige

der Fransche vlugtelingen, die hunne dienst den gouverneur hadden

aangeboden en zich dapper gedroegen, verhaalden later, dat het fort,

na eene moedige verdediging, werd ingenomen door verraad van den

majoor, die een der poorten voor de Engelschen ontsloot.

Hoe dit ook zij, het fort werd veroverd, de bezetting krijgsgevangen

gemaakt en alles geplunderd.

Meer dan 500 bewoners, voor het grootste gedeelte Engelschen en Joden,

wier suikerplantaadjes zich 4 mijlen ver langs de rivier uitstrekten,

moesten zien, dat hunne molens, ten getale van 32 of 33 werden vernield

of weggevoerd. Na een verblijf van drie weken keerde Hermans van daar

naar Barbadoz terug, alwaar hij zijne gevangenen met den bevelhebber

de Rame en andere Hollandsche officieren aan land zette [28].

Het tractaat, te Breda gesloten, moest echter nageleefd en de

kolonie Suriname weder overgeleverd worden; de bepalingen deswege

waren duidelijk.

Lord Parham, die wegens de ontrooving van de door hem gestichtte

en sedert door zijnen vorst aan hem en zijne nakomelingschap

ten eeuwige? dage geschonken volkplanting van wraaklust brandde,

zocht, daar hij de overgave der kolonie niet beletten kon, haar

zoo veel mogelijk afbreuk te doen. Hij zond zijnen zoon Henry met

een oorlogsschip en drie koopvaardijschepen, reeds nadat de vrede

afgekondigd was, naar Suriname, om de daar zijnde Engelschen te

overreden die kolonie te verlaten en zich naar eene Engelsche te

begeven, en om al de suikermolens en slaven met zich te nemen,

terwijl hij hen, die dit weigerden, als wederspannigen beschouwde.

Onze Staten klaagden daarover bij den Britschen koning, die zich

bereid toonde, eene rigtige uitvoering aan het vredesverdrag van

Breda te geven, en die dan ook aan lord Parham het bevel gaf, de

veroorzaakte schade te vergoeden en de kolonie voortaan niet verder

te verontrusten. In plaats van dit bevel op te volgen, stak Henry,

de zoon van lord Parham een suikermolen in brand, en wilde de vesting

niet ontruimen, die hij dreigde te slechten, vóór hij vertrok. Zelfs

liet hij van daar 168 slaven, 126 stuks vee, 21,000 pond suiker en 8

suikermolens naar Barbadoz vervoeren. Men liet van onze zijde niet na

aan den koning van Engeland daarover beklag en verzoek om herstelling

in te leveren.

Bij minnelijke schikking werd eindelijk goed gevonden, dat zij, die

volgens hun vrijen wil de kolonie wilden verlaten, dit konden doen met

hunne slaven en goederen; dat zij dezen ook vóór hun vertrek mogten

verkoopen; maar hun werd verboden hunne achter te laten bezittingen,

haven, schuren of molens te verwoesten; lord Parham werd door zijnen

vorst belast de door hem gemaakte schade te vergoeden. In hoeverre

aan dat laatste gevolg is gegeven blijkt niet duidelijk uit de

geschiedenis, en wat het eerste betreft: twaalf honderd Engelschen,

waaronder verscheidene Joden, die met lord Parham uit Engeland waren

gekomen, verlieten Suriname met hunne slaven en goederen en gingen

naar Jamaika, alwaar zij met blijdschap werden ontvangen. Later in

1677 vertrokken nog 10 Joodsche familiën, met hunne slaven, te zamen

322 personen uitmakende. [29]

Eindelijk werd de republiek der Nederlanden, ingevolge de schikkingen

(gevolgd op den tweeden oorlog) bij het 5de en 7de artikel van het

tractaat van Westminster, in dato 9-19 Februarij 1674, in het eigendom

van Suriname bevestigd [30].

Abraham Crijnsen, de dappere veroveraar in 1667, nam in het volgende

jaar 1668 weder bezit van deze kolonie en trachtte de verwarde zaken

aldaar te regelen.

De toestand der nieuwe kolonie was uiterst moeijelijk; zij begon zich

eenigermate te ontwikkelen onder het bestuur der Engelschen; onder

dezen bestond een gewenschte, vereenigende band, daar voornamelijk zij,

die in Engeland onder de regering van den protector Oliver Cromwell

over den gang der zaken aldaar ontevreden waren, zich naar Suriname

hadden begeven, en deze overeenkomst in staatkundige gevoelens

bevorderde de maatregelen, om met vereende krachten handen aan het

werk te slaan, ten einde in dat nieuwe werelddeel deze nieuwe kolonie

te vestigen en uit te breiden. De Joden met van Parham mede gekomen,

verblijd over de vrijheden en voorregten, welke zij hier genoten,

spanden mede hunne beste krachten in, ter bevordering van het algemeen

welzijn, en de Braziliaansche Joden paarden bij eenen even sterken

aandrang hiertoe nog daarenboven de kennis van den landbouw, die zij

in Brazilië hadden opgedaan en aanzienlijke rijkdommen, die zij aldaar

hadden verworven. Indien wij dit een en ander in aanmerking nemen,

verwondert het ons niet, dat men na een zoo kort aantal jaren reeds

van bloei en voorspoed spreken kon.

Dan nu, hoezeer was die toestand veranderd. Gezwegen van de

noodlottige gevolgen van den oorlog, van de brandschatting door

Crijnsen opgelegd; gezwegen van de verwoesting en plundering later

op bevel van Willoughby, lord van Parham geschied, welke schade

hierdoor veroorzaakt was, dit alles kon hersteld worden; maar zwaarder

drukte der nieuwe kolonie het vertrek van 1200 volkplanters, die

met hunne slaven en goederen naar Jamaika gingen; hierdoor werd eene

moeijelijk te herstellen breuk gemaakt; vele naauwelijks ontgonnen

gronden lagen door gebrek aan werkende handen niet slechts ledig,

maar keerden weldra tot den natuurstaat terug, hetgeen in de tropische

gewesten zoo spoedig het geval is, indien de werkende hand der menschen

ophoudt het onkruid uit te roeijen en verder den grond tot cultivatie

geschikt te maken. Hoe men in dit gebrek trachtte te voorzien zullen

wij nader zien; men begrijpt dat dit echter eerst langzamerhand

kon geschieden. Eene andere moeijelijkheid voor het Nederlandsche

bestuur was hierin gelegen, dat de in de kolonie overgeblevenen,

voor een groot gedeelte meer Engelsch dan Hollandsch gezind waren,

hetgeen uit den aard der zaken gemakkelijk te verklaren is.

Daarbij kwam nu het verschil tusschen de Algemeene Staten en de Staten

van Zeeland over het eigendomsregt en het gezag van en over Suriname.

Reeds zeer spoedig ontstond hierover verschil en wel bij de benoeming

van een Gouverneur.

Zeeland matigde zich het gezag, ten minste het Dominium utile over

deze kolonie aan, als zijnde door den Zeeuwschen Commandeur Crijnsen

veroverd, en besloot alzoo den kapitein Philip Julius Lichtenberg,

als Gouverneur naar Suriname te zenden. De Algemeene Staten echter

oordeelden, omdat die verovering ten hunne koste geschied was,

dat Lichtenberg den eed op zijn last en bevelschrift voor hen

moest afleggen, en geboden hem zijn vertrek tot nader orde uit te

stellen. Later echter wilden H. H. M. hem op den 26sten November 1668

een lastbrief geven. Hieraan ontbrak nog slechts de goedkeuring der

Staten van Zeeland; dan deze, uit vrees dat Crijnsen inmiddels mogt

vertrekken, en oordeelende, dat de onderbevelhebber onbekwaam was

om met kracht tegen de ondernemingen der Engelschen te handelen,

zonden intusschen genoemden Lichtenberg den 4den December 1668,

zonder behoorlijk eerst den eed op zijne commissie gedaan te hebben

naar de kolonie.

De redenen, door Zeeland hiervoor ter verontschuldiging van dezen

maatregel bijgebragt, werden geldig geoordeeld en de Algemeene Staten

gaven Crijnsen, of bij deszelfs afwezen den op hem in rang volgenden

persoon volmagt, om Lichtenberg den eed af te nemen.

Was dit verschil alzoo in der minne geëindigd, er rezen andere bezwaren

op. De Staten van Holland beweerden, dat deze volkplanting als eene

overwinning der Generaliteit en niet als van Zeeland alléén moest

beschouwd worden, om de hierboven aangehaalde redenen, en dat het alzoo

allen ingezetenen van den Staat moest vrij staan, zich aldaar neder

te zetten of er handel op te drijven. De gecommitteerden van Zeeland,

om verdere moeite en onaangenaamheden met de andere Provinciën te

vermijden en te voorkomen, stelden voor om de kolonie aan de Algemeene

Staten af te staan, met voorbehoud echter, dat zij hun regt niet aan

de West-Indische compagnie mogt overdragen; dat zij de verpligting

op zich namen voor eene behoorlijke verdediging te zorgen; dat zij

verlof zouden verleenen om jaarlijks vijf à zes honderd slaven te

halen, waar die het best te verkrijgen waren; dat de lasten, voor de

uitbreiding der kolonie benoodigd, zouden worden gevonden uit eene te

betalene recognitie door de aldaar komende en van daar vertrekkende

schepen, en verder uit hoofdgelden en andere belastingen meer, in de

kolonie te heffen, welke echter zoo gematigd moesten gesteld worden,

dat deze minder waren dan in andere volkplantingen werden geheven,

en eindelijk, dat zij de provincie Zeeland hare gemaakte onkosten met

de intressen zouden vergoeden. Over en weder werden voorslagen gedaan

en verworpen en de zaak bleef onbeslist. Zeeland bleef provisioneel in

het bezit van Suriname, terwijl echter den Algemeenen Staten een zeker

oppergezag toegekend werd, totdat door de Staten van genoemde provincie

op reeds daartoe in 1679 aangeboden voorwaarden, de kolonie in 1682

door de geoctroijeerde West-Indische maatschappij overgenomen werd.

Voor wij deze overname iets nader beschrijven, willen wij zien hoe het

gedurende deze verschillen in Nederland en de kolonie zelve toeging. De

berigten daarvan echter zijn weinige en zeer onvolledig. Lichtenberg,

die den 4den December 1668 Nederland verlaten had, kwam behouden in

Suriname aan, en vond aldaar nog den Commandeur Crijnsen, in wiens

handen hij den 10den Februarij 1669 den eed aflegde.

Vele moeijelijkheden en bezwaren had hij, gelijk wij zagen, te

overwinnen; in hoeverre hij hierin zou geslaagd zijn, is wegens

gebrek aan bescheiden moeijelijk op te maken; dit slechts weten wij,

dat tijdens zijn bestuur die Joden, welke vast besloten waren de

volkplanting, ook nadat zij onder Nederlandsch bestuur was gekomen,

niet te verlaten, zich tot den gouverneur vervoegden en hem verzochten

de bevestiging hunner vrijheden en voorregten, benevens eenige nieuwe

artikelen deswegens, die ter hunner geruststelling konden dienen;

hetwelk hun dan ook door hem ten volle werd toegestemd. De Joden

bouwden na verkregene vergunning in 1672, op eene verhevene plaats,

nabij de 10 akkers en het land van Thorrica een klein vlek met eene

kleine Synagoge, om daarin op hunne feestdagen godsdienstelijk te

kunnen vergaderen.

Lichtenberg werd intusschen door ongesteldheid belet zich met het

bestuur te belasten; reeds in het begin van 1671 ging hij weder naar

Nederland, en later keerde hij niet weder naar Suriname terug.

Toen volgde er eene tusschenregering; de naar Nederland

vertrokken gouverneur werd opgevolgd door den kapitein Pieter

Versterre, commandeur en raad van policie, onder den titel van

luitenant-gouverneur, den 8sten April 1672; hij overleed den 22sten

Maart 1677. Abel Thisso, raad van policie, nam toen het bestuur onder

denzelfden titel waar, en wel van 1 April 1677 tot 2 December 1677,

wanneer hij het gouvernement overgaf aan den uit Nederland aangekomen

kapitein Tobias Adriaensen, die aldaar tot bestuurder was benoemd,

onder den titel van »kapitein commandeur der provincie van Suriname,"

doch deze keerde reeds in Maart 1678 naar Nederland terug [31].

Door de gedurige twisten over Suriname tusschen de Algemeene Staten

en die van Zeeland, werden de belangen dezer volkplanting zoo zeer

verzuimd, dat prins Willem III, aan wien de souvereiniteit van

Suriname was opgedragen, zich de zaken aantrok. Hoewel de daarover

aangeknoopte onderhandelingen nimmer voortgezet zijn, benoemde de

prins zijn gewezen secretaris, Pierre du Moulin, den 6den Maart 1676,

om daarheen als bevelhebber te vertrekken. Deze du Moulin stierf

echter reeds in 1676 nog voor zijn vertrek, en alle bemoeijingen van

den prins zijn toen geëindigd. [32]

Bij resolutie der Algemeene Staten van 15 Januarij 1678 werd tot

gouverneur benoemd Johannes Heinsius, die in 1653 secretaris van

den raad van justitie in Brazilië was geweest. Deze nam in December

1678 het bestuur over van Abel Thisso, die dit na het vertrek van

Adriaenssen weder had waargenomen. [33]

Had Heinsius in vorige betrekkingen roem verworven, men koesterde

alsnu ook hooggespannen verwachtingen van zijn bestuur; dan hij

vermogt weinig tot verbetering van den ongelukkigen toestand te doen.

Deze was ook met regt droevig en moeijelijk; behalve de reeds

genoemde bezwaren, als tweespalt tusschen de hoofden in Holland en

tweespalt en onrust tusschen de kolonisten onderling, die tijdens de

tusschenregeringen zeer vermeerderd waren, had men weldra nog met een

anderen vijand te strijden, namelijk met de oude inwoners van het land,

de Indianen.

Dezen, gelijk wij reeds vroeger vermeld hebben, hadden lord Parham

en de zijnen eerst met welwillendheid ontvangen en met hen verbonden

gesloten. De uitbreiding van kolonisatie door Europeanen was echter

nimmer gunstig voor de oorspronkelijke bewoners. Zij werden dan

ook langzamerhand meer en meer teruggedrongen; echter konden zij,

voornamelijk de Caraïben, die dapper en wel in den oorlog bedreven

waren, het met geene goede oogen aanzien, dat de Europeanen zich van

hunne landen meester maakten, en ook hen van tijd tot tijd in slavernij

zochten te brengen. Wel leenden de Caraïben in het eerst er zich toe,

toen zij bemerkten, dat de Hollanders gretig waren op het bezit van

slaven, en daarom van hunne opperhoofden, de bij hunne onderlinge

vijandelijkheden, buit gemaakte gevangenen wilden koopen, om dezen

voor messen, vischtuigen, spiegels en andere snuisterijen af te staan,

[34] doch spoedig werden zij gewaar, dat het mede weldra op hen gemunt

zou zijn. Deze en andere redenen, (waaronder sommige schrijvers [35]

noemen, dat zij niet wilden dulden, dat hun land door eene andere

natie zou geregeerd worden, dan door die welke zich het eerste van

allen, dat is de Engelsche, aldaar gevestigd had), waren oorzaak,

dat zij zich tegen de Nederlanders te weêr stelden. Reeds onder de

Engelschen hadden zij van tijd tot tijd aanvallen op de plantaadjes

gedaan, hetgeen het door den schrijver der Historische proeve beweerde

schijnt te wederspreken, doch deze aanvallen bestonden toen meer uit

enkele op zich zelve staande feiten; en nu, ofschoon zij al niet een

geregelden oorlog voerden met groote magt, vielen zij echter van tijd

tot tijd op de plantaadjes, beroofden dezelve en doodden de blanken;

nu werden de vijandelijkheden gedurig en heviger dan vroeger herhaald.

De magt, welke de kolonisten daar tegenover te stellen hadden, was zeer

gering. De Joden, die het hoogst aan de rivier gezeten waren, hadden

den meesten overlast hiervan. Zij vormden toen kleine afdeelingen,

om daarmede op de Indianen af te gaan en streden meermalen met

groote dapperheid tegen hen. Maar wat vermogten zij tegen hen, die

èn door hunne bekendheid met het terrein èn door hun grooter aantal

gevaarlijke vijanden waren. Geregelde militaire magt hier tegenover

te stellen was onmogelijk, daar slechts 50 man krijgsvolk zich toen in

de kolonie bevond. Reeds in 1679 werd, door eenige belanghebbenden in

Suriname, een krachtig smeekschrift aan de Algemeene Staten ingezonden,

waarin sterk werd aangedrongen op hulp en bijstand tegen de drukkende

invallen der Indianen, en waarin voorstellen tot vermeerdering der

krijgsmagt werden gedaan.

Dit aanzoek werd zeer ersterkt door drie brieven, welke Heinsius mede

afzond, in welke hij een treurig tooneel ophing van den toestand der

kolonie, en waarbij hij om onmiddellijke versterking, zonder welke hij

achtte, dat het onmogelijk ware de kolonie te behouden en de kolonisten

te beschermen, aanhield. Bij de aankomst van dit smeekschrift en de

brieven van den gouverneur besloten de Algemeene Staten, op voorstel

der provincie Holland, om drie honderd man krijgslieden naar Suriname

te zenden; over de kosten daartoe benoodigd was men het niet eens;

den 17den Januarij 1680 besloot de provincie Zeeland, die op zich

te nemen, doch in plaats van 300 man zond men er slechts 150 naar

Suriname, die reeds in 1682 weder terugkeerden [36].

Ook schijnen in dien tijd door sommige kolonisten pogingen te zijn

aangewend, om Suriname weder onder het gezag der Britsche kroon te

brengen, ten minste van zekeren Jood Fonseda wordt dit uitdrukkelijk

gemeld, zoodat de Staten het noodig achtten aan den buitengewonen

gezant der Nederlanden in Engeland te schrijven om dit tegen te houden,

als zijnde buiten order van de regering in Suriname en buiten weten van

de Staten-Generaal geschied. Tevens werd aan den gouverneur Heinsius

het ongenoegen van H. H. M. kenbaar gemaakt, omdat, toen in den Raad

voorgeslagen werd, om bijstand van de Engelschen of Franschen te

verzoeken, hij zoodanig voorstel niet dadelijk had gestuit; hem werd

ernstig bevolen, in het vervolg dergelijke voorslagen onmiddellijk

krachtig te bestrijden. Heinsius had ook zeker koper geld in Suriname

laten munten, gestempeld met een papagaaitje en geteekend 1, 2, 4,

welke gangbaar waren tegen één, twee en vier duiten; dan ook dit werd

door de Staten verboden.

Was het door hem te verrigten werk moeijelijk en zwaar, het duurde

echter kort; weldra werd hij van het tooneel dezer wereld afgeroepen;

hij overleed in April 1680. [37]

Na zijn dood matigden zich de 12 Raden van policie het gezag in de

kolonie aan; doch hebben de commandeurs E. van Hemert, en na diens

dood, in September 1680, Laurens Verboom de kolonie in werkelijkheid

bestuurd.

Door de vele klagten, die gedurig uit Suriname tot hen kwamen en de

vele moeijelijkheden, aan het bestuur verbonden afgeschrikt, wilden

de Staten van Zeeland zich van het eigendom der kolonie ontdoen,

en geraakten zij hierover in onderhandeling met de West-Indische

Compagnie.

Den 14den November 1679 werd door de Staten van Zeeland daarover

een voorstel gedaan, waarbij o. a. de volgende voorwaarden gesteld

werden: dat de W.-I. Compagnie verpligt zou zijn de eerste 10 jaren

300, de tweede 10 jaren 200 en de derde 10 jaren 100 man krijgsvolk,

benevens hunne officieren, ten hare koste te onderhouden; dat, uit

aanmerking van de onmogelijkheid, dat eene kolonie, zonder groote

kosten in den beginne te maken, uitgebreid zou worden, men de eerste

zes jaren vrijdom zou verleenen van alle lasten, en na dien tijd

slechts de helft der lasten, waarmede de kolonisten thans waren

bezwaard, tenzij uit vrijen wil door hen anders mogt begeerd worden;

dat de vaart en de handel op deze kolonie voor alle ingezetenen van

Nederland vrij zouden zijn, daar men door op deze wijze te handelen èn

de ingezetenen van Nederland èn de opgezetenen van de nabij gelegene

Fransche, Engelsche en Spaansche koloniën zou aanmoedigen, om zich

in menigte derwaarts te begeven en te vestigen, hetgeen het eenigste

middel ware ter bevordering van den bloei der kolonie.

Na eenige nadere overleggingen en bepalingen is, volgens accoord

van 6 Junij 1682 de kolonie Suriname door de Staten van Zeeland aan

de West-Indische Maatschappij overgedragen voor eene som van twee

honderd en zestig duizend gulden, welk verdrag, eenigzins gewijzigd,

den 6den Januarij 1683 van wederzijde geteekend is.

Wij gelooven, dat het aan sommigen onzer lezers niet onaangenaam zal

zijn met een enkel woord iets nader van die West-Indische Maatschappij

te vernemen.

Hoewel reeds vroeger verscheidene pogingen waren aangewend, om even

als de in 1602 opgerigte Oost-Indische Compagnie eene West-Indische

Maatschappij tot stand te brengen, was dit eerst in 1621 gelukt. Toen

werd bij octrooi van 3 Junij eene W.-I. Compagnie opgerigt voor den

tijd van 24 jaren.

Vloten werden door haar uitgerust om de Spanjaarden afbreuk te doen

en buit te behalen, waarin men gelukkig slaagde; de zilver-vloot,

door den admiraal Piet Hein genomen, vermeerderde spoedig het

kapitaal dier maatschappij; Brazilië werd voor een groot gedeelte,

benevens Curaçao veroverd; aanzienlijke dividenten werden uitgekeerd,

doch weldra verkeerde de kans; het verlies van Brazilië, benevens vele

anderen verliezen meer, deden de zoo zeer bloeijende W.-I. Maatschappij

achteruitgaan; in plaats van groote dividenten uit te keeren geraakte

zij zoodanig in schulden, dat toen haar octrooi weder in 1669 vernieuwd

moest worden, zij, na langdurige discussiën, integendeel door een

besluit van de Staten op den 20 September 1674 werd vernietigd, en

eene nieuwe W.-I. Maatschappij, met een octrooi voor 25 jaren, of

van 1675 tot 1700, werd opgerigt. De schuld der oude Compagnie werd

op 30 en het kapitaal der deelgenooten op 15 ten honderd geschat;

van dien tijd af hielden de groote voordeelen op, die de eerste zoo

bloeijende W.-I. Compagnie had opgeleverd.

De rente-uitdeelingen stegen later nooit boven 10 en daalden zelfs

omstreeks 1740 beneden 2 1/2 pCt., waardoor de waarde der aandeelen

tot 40 ten honderd was gedaald. Dit octrooi werd telkens voor 30

jaren verlengd. [38]

Deze nieuwe West-Indische Maatschappij werd alsnu bezitster van

Suriname, waartoe haar door de Algemeene Staten den 23sten September

1682 octrooi verleend werd.

Bij dit octrooi, hetwelk zoolang, als het ware, om het met een woord

van dezen tijd uit te drukken, de grondwet van Suriname is geweest,

werd in 32 artikelen de verhouding tusschen het moederland en de

kolonie vastgesteld en de wijze van bestuur bepaald; in hetzelve

werden billijke en voordeelige beschikkingen voor de blanke bewoners

der kolonie gemaakt, tevens werd der Compagnie aanbevolen zorg te

dragen, dat men ten allen tijde voorzien mogt worden van een of

meer bedienaars des Goddelijken Woords, ten einde de kolonisten en

verdere opgezetenen in de vreeze des Heeren en in de leer der zaligheid

geleid en onderwezen worden mogten, en zij gelegenheid hadden tot het

gebruik, der Heilige Sacramenten; daarbij (wonderlijke tegenstelling)

werd de Compagnie verpligt om, daar men tot het in cultuur brengen

der kolonie niets anders wist of wilde dan zwarte slaven of negers,

dezen steeds in genoegzame getale te leveren; (de W.-I. Compagnie had

het monopolie hiervan) en eindelijk, omdat men tot bevordering van den

bloei der kolonie de vermeerdering van Europeanen noodzakelijk achtte,

waren de schepen, die uit Nederland naar Suriname gingen, gehouden,

om indien de Compagnie dit mogt begeeren, ieder twaalf personen over

te voeren, voor eene som van f 30 de persoon, kinderen beneden 12

jaren de helft. [39]

De West-Indische Maatschappij, ziende welke zware kosten er tot het in

stand houden dezer volkplanting vereischt zouden worden, voor en aleer

men daarvan eenige aanmerkelijke voordeelen kon trekken, besloot in

het jaar 1683, dus weinige maanden nadat men de kolonie overgenomen

had, 2/3 deel te verkoopen en wel 1/3 aan de stad Amsterdam en 1/3

aan Cornelis van Aerssens, heer van Sommelsdijk, enz.

De conditiën van dit koopcontract werden te Amsterdam den 21sten Mei

1683 geteekend.

De nieuwe eigenaars noemen zich in dit contract »de geoctroijeerde

sociëteit van Suriname", welke titel sedert is gebleven. [40]

De Staten-Generaal behielden het oppergezag en verbonden zich tot

de verdediging der kolonie bij te dragen, waartoe dadelijk 300 man

uitgelezene troepen werden aangewezen.

De heer van Sommelsdijk verbond zich bij dit contract om zelf als

gouverneur naar Suriname te gaan, en hij aanvaardde dezen zwaren en

moeijelijken post zonder aanspraak op bezoldiging te maken, gelijk

blijkt uit Artikel 6, dat woordelijk aldus luidt:

»Ten zesde, dat de heer van Sommelsdijk sal aannemen, selfs in

persoon voor Gouverneur naar de colonie van Suriname te gaan; ende

gelijck sijn Edele heeft gepraesenteert buyten eenige belastinge

van de gemelte Societeyt, ende uyt liefde, sonder daarvan eenige

vergeldinge te ontfangen; des dat ten laste van de Societeyt aan

sijn Edele jaarlijks sal werden toegesonden sodanige quantiteyt

Rijnse en Franse wijnen, mitsgaders speceryen, als de Societeyt

honestement oordelen sal te behoren; onder die expresse conditie

nogtans, dat syn Edele, gedurende desselfs gantsche administratie of

Gouvernement redenen van misnoegen hebbende gegeven, revocabel sal

syn, gelyck oock, in cas van satisfactie van syn Edele Gouvernement,

bij desselfs aflyvigheyt op syn Edele Descendenten (bequaam geoordeelt

werdende) favorable reflexie voor anderen tot de successie, en met

preferentie sal werden genomen, in dier voegen, dat op diegene van

Descendenten, dewelcke den heer van Sommelsdijck, of bij sijn Edele

leven sal nomineren, of by Testamente designeren, voor de andere sal

werden gereflecteert. Edogh niet capabel geoordeelt zijnde, reflexie

werden gemaakt op d'andere syn Edele Descendenten, dewelke capabel

soude wesen; gelyck oock in cas van de minderjarige Descendenten,

op deselve (meerderjarigh geworden, en capabel bevonden werdende)

insgelycks met praeferentie voor andere sal werden gereflecteert."

De alleenhandel in slaven verbleef aan de W.-I. Compagnie, doch der

geoctroijeerde Sociëteit van Suriname werd met eenige beperkende

bepalingen vrijheid gegeven, des noods, zelve hierin te voorzien,

mits betalende voor iederen slaaf f 15 aan de W.-I. Compagnie.

De provincie Zeeland gaf hare toestemming tot dit contract niet dan

onder deze voorwaarden:

»dat geene persoonen in den vaderlande ofte in Suriname zouden worden

toegelaaten tot eenige directie ofte bewind van de voorsz. colonie,

die professie zouden doen van den Paapschen Godsdienst, ende dat

vervolgens ook niemand van de Paapsche Religie part of deel in de

voorsz. Sociëteit zoude mogen hebben of te houden, nochte ook voor

iemand anders in de voorsz. Sociëteit occupeeren, ofte eenig bewind,

gezag, directie ofte administratie hebben. En voorts op dat vast

vertrouwen, dat aan de beleedigde ingezetenen van de hooggemelde

provincie in Eere en Goed behoorlijk en promptelijk reparatie en

satisfactie zoude werden gegeven." [41]

De oude pretentiën, welke Zeeland alzoo op Suriname had, schijnen te

dier tijde nog niet geheel vereffend geweest te zijn.

Zoo waren de zaken omtrent het eigendom en bestuur van Suriname

voorloopig geregeld. Een krachtig en bekwaam man stond gereed om

met vaste hand het bestuur te leiden, en zoo mogelijk doortastende

verbeteringen daar te stellen.

Zulk een bestuurder was hoogst noodig in de kolonie Suriname, want

zij was in eenen allertreurigsten toestand.

Het vlek Paramaribo bestond uit slechts dertig huizen, meest herbergen

en smokkelkroegen, uitgezonderd twee à drie, als dat van den heer

commandeur Verboom, en die, welke door eenige officieren met hunne

vrouwen en den ontvanger bewoond werden.

De plantaadjes waren door het vertrek van vele Engelsche en Joodsche

kolonisten in vervallen toestand.

Op die, welke nog bestonden, was wreede en onmenschelijke behandeling

der slaven gewoonte; men verminkte ja zelfs doodde hen vaak wegens

de geringste overtreding; ieder was in deze zijn eigen regter.

Losbandigheid was onder de planters zoo groot, dat regt en geregtigheid

bij hen als onbekend waren. Onderlinge twisten verdeelden hen; de

een verweet den andere oorzaak van het verval te zijn. De Indianen

verontrustten gedurig de kolonie en er was geene kracht, geene

geregelde zamenwerking om hen te wederstaan.

Voorwaar eene droevige schildering is het, waarmede wij ons tweede

tijdvak besluiten, en toch zij is niet te zwart gekleurd, bijna met de

eigen woorden gaven wij hierbij terug, wat de oudere schrijvers er van

getuigden, en wij begrijpen het, bij de vele heterogene deelen, waaruit

de bevolking van Suriname was zamengesteld, kon niet die vereeniging,

die band bestaan, welke haar onder het bestuur van Willoughby, lord

van Parham in zoo korten tijd reeds aanvankelijken bloei had doen

verwerven; het lage peil der zedelijkheid, alle slavenstaten gemeen,

en de slechte behandeling der slaven, waaruit zoovele onheilen

voor de kolonie voortvloeiden, en de weinige overeenstemming, die

er tusschen de regering in het moederland, hare vertegenwoordiging

in Suriname en de kolonisten bestond, beletteden hare ontwikkeling,

en deze drie genoemde zaken: ongelijksoortige bevolking, lage peil

der zedelijkheid, gepaard met slechte behandeling der slaven, en

gebrek aan overeenstemming tusschen de kolonie en het moederland,

werkten steeds belemmerend en verhinderden de volkplanting tot

die welvaart, tot dien bloei te komen, waartoe men anders door de

natuurlijke gesteldheid van dit door God zoo rijk gezegend land

had kunnen geraken; waartoe de uitgebreide handel van Nederland zoo

ruimschoots gelegenheid schonk; waartoe de energie van den Nederlander

van dien tijd anders zoo uitnemend in staat stelde.

De kiemen tot die welvaart, tot dien bloei bestonden en vertoonden

zich van tijd tot tijd; wij zullen in onze verdere geschiedenis, in

het groote en belangrijke tijdvak, waartoe wij thans genaderd zijn,

verschillende sporen daarvan zien; wij zullen ze ras zien opschieten,

maar ook even spoedig weder zien verwelken; wij zullen de waarheid

der spreuk: »Die Weltgeschichte ist das Weltgerichte" opmerken en wij

zullen moeten erkennen, dat Gods woord getrouw is, hetwelk ons leert:

»dat geregtigheid een volk verhoogt, en zonde de schandvlek der natiën

is", en: »dat de godzaligheid tot alle dingen nut is, hebbende de

belofte zoowel des tegenwoordigen als des toekomenden levens."

Bij het einde van dit thans behandelde tijdvak was het droevig in

Suriname gesteld; de kolonie was haren ondergang nabij;--dan de

komst van Cornelis Aerssens, heer van Sommelsdijk, zou eene groote

verandering te weeg brengen; hij mag dus wel als de tweede stichter,

als de grondvester van wat Suriname toch, niettegenstaande vele

ongunstige omstandigheden, nog werd, beschouwd worden. Van dien

tijd af kunnen wij ook de geschiedenis beter en geregelder nagaan;

ofschoon er nog steeds verscheidene leemten in over moeten blijven.

Geschiedenis van Suriname · 第 8 / 86 题