VAN 1492 TOT 1666.

De kolonie Suriname, ook wel Nederlandsch Guiana genoemd, liggende

tusschen ongeveer 57° en 54° W. L. van Greenwich en tusschen 6° en

2° N. B., heeft eene uitgestrektheid van 2800 vierkante geographische

mijlen; hiervan is slechts een gedeelte van 700 mijlen als eenigzins

bekend of bezocht te beschouwen; het ter bebouwing van plantaadjes

uitgegeven gedeelte der kolonie bedraagt 30 mijlen, waarvan echter

niet meer dan 10 in eigenlijke cultuur zijn gebragt.

Indien men een blik slaat op eene eenigzins uitvoerige kaart van

Suriname, [2] verwondert men zich aldaar zoo weinig bebouwd land

te vinden; te meer bevreemdt ons dit, omdat alle berigten hierin

overeenkomen, dat het een vruchtbaar, een schoon, een rijk door

de natuur gezegend land is. Onwillekeurig rijst de vraag dan wel

eens in ons op: »Waarom zit men in Europa, in ons Nederland zoo

opeengehoopt? waarom klaagt men hier soms zoozeer over overbevolking,

over toenemend pauperisme? waarom wordt het bevel door God gegeven,

Gen. 9: 7: »Maar gijlieden, weest vruchtbaar en vermenigvuldigt,

teelt overvloedig voort op de aarde en vermenigvuldigt" op dezelve

niet in ruimere toepassing gebragt? en waarom heeft de mensch, de

door God geschapene mensch, de aarde niet meer vervuld? Waarom? Het

antwoord op deze vraag is niet altijd even gemakkelijk; in den loop

dezer geschiedenis zullen wij misschien eenige waarschijnlijkheden

opmerken, waardoor wij dit, ten minste in betrekking met Suriname,

beter verklaren kunnen.

Indien wij in den geest eenige eeuwen teruggaan en ons oog vestigen

op Guiana, waarvan Suriname een deel uitmaakt, dan ontwaren wij nog

meer doodschheid, nog minder menschelijk leven.

De landstreek Guiana, ook »de wilde kust van Zuid-Amerika" genaamd,

bevat niet slechts het Nederlandsche Suriname, maar tevens het

Engelsche Demerary, Essequebo en Berbice en het Fransche Cayenne,

en strekt zich aan beide zijden zelfs nog verder uit dan de schoone

rivieren, de Maranon- of Amazonen-rivier en de Orinoco, die als de

grensrivieren van Britsch en Fransch Guiana aangemerkt worden; de

Oceaan besproeit de noordelijke kust en ten zuiden wordt het door

bergen, die echter weinig bekend zijn, van het uitgestrekte Amerika

gescheiden.

Guiana maakt een deel uit van dat belangrijke werelddeel, hetwelk

wij Europeanen »de nieuwe wereld" noemen, nadat Europa, door de

ontdekkingen van Columbus in 1492 en vervolgens er kennis aan heeft

gekregen.

Amerika, »de nieuwe wereld" door ons genoemd, omdat het voor ons

nieuw was, kan zich evenwel, naar alle waarschijnlijkheid op eene

even vroege bevolking als ons Europa beroemen, en heeft voorzeker

zijne eigene oorspronkelijke bewoners gehad.

Sommige schrijvers [3] vermeenen redenen te hebben, om te gelooven,

dat in overoude tijden,--lang zelfs vóór die verschrikkelijke

natuurschokken, waardoor Amerika heeft opgehouden met het groote

vasteland van Europa verbonden te zijn,--reeds in die vroege oudheid,

zoowel Azië en Afrika als Europa in dat uitgestrekte werelddeel

volkplantingen hebben gesticht. Wat daarvan zij, wagen wij niet te

beslissen; dit schijnt echter vrij zeker te zijn, dat de inwoners

van het werelddeel, door Columbus en anderen ontdekt, reeds te dien

tijde verwantschap hadden door taal en zeden enz. met de inwoners der

andere werelddeelen. »God heeft uit éénen bloede het gansche geslacht

der menschen gemaakt."

Amerika met zijne uitgestrekte wouden, met zijne grasrijke vlakten, met

zijne hooge bergen, met zijne majestueuse rivieren, waarbij de grootste

van Europa als beekjes zijn, met de vruchtbaarheid van zijnen grond,

schijnt van eene verhoogde werking der natuurkrachten te getuigen,

ten minste in het planten- en delfstoffelijke rijk.

Zandwoestijnen, gelijk in Afrika, heide- of andere woeste gronden,

gelijk in Europa, vindt men er bijna niet.

Daar het zich in de lengte tot hoog in het noorden en laag in het

zuiden uitstrekt, zijn in Amerika allerlei klimaten. Wat heeft

sedert de ontdekking van Amerika zich het menschelijk verstand met

menigvuldige waarnemingen kunnen verrijken, hoeveel aanleiding gaf het

den Christen om God in de werken Zijner schepping te verheerlijken;

dan ook helaas! hoezeer heeft de heerschzucht der menschen, de

onverzadelijke gouddorst der Europeanen voedsel gevonden, bevrediging

gezocht; hoe woedden die hartstogten in datzelfde Amerika; hoeveel

onschuldig bloed, daar bij stroomen moedwillig geplengd, roept van

daar van de aarde tot den troon van Hem, die een vergelder en wreker

is van het kwaad.

Aan de noord-oostelijke kust van Zuid-Amerika en wel meer bepaald aan

de breede strook lands, bekend onder den naam van Guiana of wilde kust,

ligt Suriname. Suriname maakte een belangrijk gedeelte van Guiana

uit. Het is een land, gelijk wij zoo straks van Amerika aanmerkten,

rijk door de natuur bedeeld. Uitgestrekte eeuwen heugende wouden,

bevolkt met talrijke diersoorten, zoo viervoetige als vogelen,

bedekken deszelfs bodem; schoone rivieren als: de Marowijne, de

Saramacca, de Commewijne, de Suriname, de Coppename en de Corantijn,

vloeijen grootendeels uit het zuidelijk gedeelte van bergen af,

storten zich aan het noorden in den Atlantischen Oceaan uit, en

leveren, even als de tallooze kreeken, uitnemenden visch op. Slechts

vrij diep landwaarts in, ten zuiden, vindt men bergen; verder is het

land vlak en laag en in de bosschen zijn vele poelen of zwampen, die

in den regentijd tot kleine meeren aanwassen; met lang gras bedekte

savanen geven overvloedig voedsel aan de wilde zwijnen, woudezels

en herten; de zeekust, welke zich van het oosten naar het westen

uitstrekt, bestaat uit laag land, niet meer dan 10 en 15 palmen

boven het gemiddelde tij verheven, met kreupelhout bewassen; langs

hare geheele uitgestrektheid ligt eene breede, modderige zandbank,

die hier minder, daar meer in zee uitsteekt.

Dit land, waar een eeuwig groen, eene eeuwige lente als het ware

heerscht, dat zelden door stormen of aardbevingen ontrust wordt,

waar overvloed van visch en gevogelte, waar saprijke boomvruchten

en heerlijke moeskruiden in overvloed te vinden zijn, zoodat het in

deze opzigten voor geen land van den aardbodem wijkt, waar de mensch

alles voor de hand vindt, wat hij noodig heeft om zijne tijdelijke

behoeften te vervullen;--dat schoon en vruchtbaar land werd, vóór

dat het door de Europeanen ontdekt werd, door Indianen bewoond.

Indianen waren de heeren dezer ruwe, maar schoone schepping. Guiana met

zijne bosschen en stroomen, visch en wild, bergen en dalen, vruchten

en wouddieren, was het hunne; hier togen die kinderen der natuur

in talrijke scharen rond; hier sloegen zij hunne eenvoudige hutten

op, en terwijl de mannen ter jagt gingen of zich met de vischvangst

bezig hielden, bereidden de vrouwen het maal, of bepootten den grond

met aardvruchten, als yams, cassaves en anderen, of vlochten aardige

korfjes, of vervaardigden die nog door de Europeanen geprezene fraaije

potten, schotels en ander huisraad, of wel zij rijgden schitterende

kralen aan elkander, om zich schorten of andere voorwerpen tot opschik

of kleeding te maken.

De eigenlijke inboorlingen des lands, Arawakken en Warouwen genaamd,

waren van eenen vreedzamen aard; de Caraïben, vroegere bewoners

der eilanden, welke men in den grooten inham tusschen Zuid- en

Noord-Amerika vindt, schijnen door de vrees voor en door het geweld

der Europeanen gedreven, zich van tijd tot tijd in Guiana te hebben

nedergezet, en uit al hetgeen men daaromtrent verneemt, blijkt het,

dat zij woester van aard en wreeder van inborst waren dan de Indianen,

die in de bosschen van Guiana rondzwierven.

Het is dus niet te verwonderen, dat de Caraïben, van nature

krijgshaftig en daarbij listig en sluw, weldra eene zekere meerderheid

over de andere stammen uitoefenden. [4]

De volkeren, die Guiana bewoonden, en onder den algemeenen naam van

»Indianen" bekend zijn, waren van eene welgemaakte gestalte, met

regelmatige en over het geheel niet onbevallige wezenstrekken; zij

hadden zwarte oogen, terwijl het wit van dezelve zuiver glansrijk was;

de neus breed en rond, hunne lippen eerder dik dan dun, de tanden zeer

wit en vast, welken zij dan ook tot in den hoogsten leeftijd, ja tot

hunnen dood toe, meerendeels gaaf behielden. Dik, lang en zwart haar,

dat niet dan in eenen zeer hoogen ouderdom grijs werd, verstrekte hun

tot een groot sieraad; zij droegen echter geen baard, al de haren,

die om mond en kin groeiden, werden steeds door hen uitgetrokken;

ditzelfde deden zij ook met de wenkbraauwen, de vrouwen evenzeer als

de mannen; hunne kleur was een zeker rosachtig bruin, doch verschilde

evenwel naar de woonplaatsen; de in het bosch levenden waren blanker

dan zij, die zich meestal in het veld ophielden.

Zij beschilderden zich daarenboven met eene roode verwstof, Roucou

genaamd, en soms ook wel met eene zwarte kleurstof, zoo tegen het

steken der Muskieten, als tegen het branden der zon, voornamelijk

echter, omdat het door hen fraai gevonden werd. De Indiaansche vrouwen

waren doorgaans van eene matige grootte en welgemaakt, terwijl haar

gelaat eene zekere innemende zachtheid en goedaardigheid uitdrukte. [5]

Hare voornaamste sieraden, behalve de neus- en oorversiersels, die

zij met de mannen gemeen hadden, bestonden in snoeren van kralen,

als banden aan de handen, boven de ellebogen, aan de schouders en

verder om andere deelen van het ligchaam; van deze kralen-snoeren

vlochten en droegen zij schorten. Ter voltooijing van den opschik

diende een stuk been, ter dikte van een gulden en ter grootte van

een stuiver, plat geslepen, dat zij in groote menigte om den hals

droegen; korte trosjes, doch kleiner en dunner geslepen, aan welker

einde koperen plaatjes hingen, prijkten in de ooren; om den luister

van dit alles nog te verhoogen, staken zij nog in ieder oor een tand

van een kaaiman of krokodil; sommigen hadden verscheidene ketenen van

quiriba, zijnde eene soort van slakkenhuisjes, welke zij kunstig wisten

te bewerken. Voeg nu nog hierbij eenige halssieraden, uit de tanden

van apen en andere dieren zamengesteld, en een zilver of ander rond

plaatje, een halven duim groot, dat in het midden van den neus hing,

en het toilet eener Indiaansche schoone is volkomen in orde.

De mannen hadden meestal oor- en neusversiersels als de vrouwen,

verder bestond hunne voornaamste pracht in eene soort van mutsen met

veelkleurige pluimen.

Deze mutsen dienden echter niet slechts tot sieraad, maar ook tot

eene beschutting voor de heete zonnestralen.

Een band midden om het lijf, waarin zij een mes of iets dergelijks

staken, en een stuk katoen ter schaamtebedekking, ziedaar de geheele

kleeding van de mannen.

Het tatoueeren en beschilderen van het ligchaam met onderscheidene

figuren, voornamelijk tegen het naderen van groote feesten, was echter

mede bij hen in gebruik.

In het algemeen waren de Indianen, gelijk zij nog zijn, van een

vrolijken doch luijen aard; zoo zij zich niet met de jagt of met de

vischvangst onledig hielden, of hout voor hunne woningen veldden,

of hunne wapenen en vischtuig in orde maakten, of met het groote

werk, de vervaardiging eener Canoe bezig waren, bragten zij een groot

gedeelte van den dag in hunne hamak of hangmat door, hetzij met praten,

of het haar uit den baard te plukken, hetzij met op een of ander ruw

muziekinstrument te spelen, of tot afwisseling het geluid van een of

ander wild dier na te bootsen. Gastvrij zijnde, ontvingen zij dikwijls

bezoek van andere stamgenooten, wanneer het gesprek doorgaans over

de geliefkoosde onderwerpen jagt en visscherij liep.

Hoewel zeer tot sterken drank en wellust geneigd, waren zij in den

regel van een goeden zachtzinnigen inborst, doch meestal bijgeloovig,

vreesachtig en laf, de Caraïben uitgezonderd, die den oorlog beminden

en geene vrees kenden. Als men hen beleedigde was hunne wraak, over

het algemeen, hevig.

Zij bezaten eene zekere aangeboren eerlijkheid en regtvaardigheid,

die in al hunne handelingen uitblonk; zij betoonden zelfs eene

wellevendheid en vriendelijkheid, die men bij onbeschaafde volken niet

verwacht zoude hebben; indien zij met elkander een gesprek voerden was

het steeds met bedaardheid en zachtheid; nooit spraken zij elkander

op verachtelijke wijze aan; scheldwoorden waren hun bijna onbekend.

Ten opzigte van hunne godsdienst kan zeer weinig gezegd worden;

wel scheen bij hen een zeker onbestemd gevoel of bewustzijn van het

bestaan van een Opperwezen te zijn; maar dat zij hetzelve aanbaden of

eerbiedigden valt niet te bewijzen. Alleenlijk betoonden zij eenigen

eerbied aan de zon en de maan. Zij bezaten eenige kennis van den

loop der sterren, en deze kennis, hoe gering dan ook, was hun echter

van groot nut tot het opsporen van den weg in de wildernissen. Zij

geloofden aan een overgang na den dood in een ander leven; waarom dan

ook bij het begraven verscheidene zaken, welke men veronderstelde in

eene andere wereld noodig te hebben, bij den doode, in het graf werden

gelegd. Van godsdienstoefeningen of plegtigheden onder hen heeft men

geene sporen gevonden; echter vreesden zij zeer voor een boozen geest,

den duivel, van wien zij zeiden, dat hij hun veel kwaads berokkende,

en aan wien zij dan ook de meeste onheilen toeschreven, en dien

hunne priesters door bezweringen en andere goochelkunsten trachtten

te verdrijven. Die priesters, Pageyers genaamd, dienden tevens als

hunne artsen, en oefenden alzoo eenen grooten invloed op hen uit.

Hoewel zij eenige geneesmiddelen en kruiden, waarvan zij de

krachten kenden, dikwijls met goed gevolg gebruikten, namen zij,

bij gevaarlijke ziekten, toch steeds tot een der zoo even genoemde

Pageyers de toevlugt.

Deze moest de Jawahu of duivel, welke zij geloofden, dat hun de ziekte

toezond, bezweren en uitdrijven.

Een dezer bedriegers begaf zich dan des nachts alleen bij den zieke,

voorzien van eene witte calabas, die zij Wieda noemden, en in welke men

meende, dat eenige duivels huisvestten. De priester deed hierin eenige

steenen, blies er in en schudde dezelve heen en weder, om, zoo als hij

voorgaf, de daarin beslotene duivels te noodzaken hunne medemakkers,

die den zieke het ongemak aandeden, op te zoeken. Den ganschen nacht

door raasde, schreeuwde en bootste hij allerlei geluiden als van apen,

tijgers, papegaaijen en andere dieren na; dan weder was het alsof hij

met een onzigtbaren persoon sprak en deze hem antwoordde. Die Pageyers

wisten hunne stem zoodanig te wijzigen, dat men, buiten de hut staande,

werkelijk zou gedacht hebben, dat er een tweede persoon aanwezig was.

Kwam de lijder te sterven, o dan had de Pageyer steeds de eene of

andere uitvlugt, bij voorbeeld: de kranke had te veel kwaad gedaan

of hij had te lang gewacht, of de Jawahu had gezegd, dat hij te

zeer vertoornd was om af te laten enz. enz. enz.; genas de zieke

daarentegen, hetgeen nog al eens geschiedde, want daar deze door den

geweldigen angst en de spanning, waarin bij gebragt werd, meestal als

in een bad van zweet geraakte, zoo werkte deze verhoogde transpiratie

soms zeer gunstig, dan, ja dan werd de priester rijkelijk voor zijne

moeite beloond, men durfde hem bijna niets weigeren, maar gaf hem

al wat hij begeerde, al ware het ook de vrouw of de dochter van den

lijder zelve.

Die ongelukkigen, zij kenden den eenigen, den waren Geneesmeester

niet, en leefden alzoo, even als alle Heidenen, zonder waren troost,

in gestadige vreeze des doods, onder de dienstbaarheid der zonde.

De huwelijken onder hen werden zeer eenvoudig gesloten. Wanneer

een Indiaan trouwen wilde, zocht hij onder de hand zich bij de

bloedverwanten van haar, die hij tot vrouw wenschte te bezitten,

te vergewissen, dat hij geen afwijzend antwoord zou bekomen; daarna

deed hij een bezoek bij den vader der jonge dochter, hing dezen

een tafereel op van de armoede en ontbeeringen, die hij leed,

doordat hij geene vrouw had, waarop de vader alsdan met eenige

pligtplegingen antwoordde. Na een dergelijk onderhoud werd, naar

Indiaansche gewoonte, het eten binnengebragt en door het meisje den

jongeling voorgezet. Nam deze nu de spijze, zoo bleek het, dat hij

het ernstig gemeend had, en het huwelijk werd als gesloten beschouwd;

reeds denzelfden avond werd de hangmat der jonge dochter naast die

van den bruidegom vastgemaakt en de geheele zaak was afgeloopen. Wilde

een vader zijne dochter uithuwelijken, dan verzocht hij hem, dien hij

tot man voor zijne dochter wenschte, bij zich en liet hem dan spijze

voorzetten; gebruikte hij dezelve, alsdan was mede alles in orde.

Bij sommige stammen kwamen, wanneer de zaak tusschen de belanghebbende

partijen bepaald was, de bloedverwanten en vrienden bijeen, waarop

de vader of de naaste betrekkingen den bruidegom vermaanden, zorg

voor zijne vrouw te dragen; dagelijks uit jagen en visschen te

gaan en zijn kosttuin naarstig te bezorgen, om het huishouden wel

te kunnen voorzien; der bruid werd zeer op het harte gedrukt, dat

zij haren man eerbied bewijzen en hem getrouw moest zijn, dat zij

hem, telkens bij zijne te huis komst, spijs en drank voorzetten,

en verder alle pligten der vrouw behoorlijk in acht nemen moest;

waarop de plegtigheid met zingen, dansen en drinken werd besloten,

en eindelijk de bruidegom zijne vrouw naar zijne hut medenam. De

huwelijksformaliteiten waren hiermede geëindigd.

Schoon de veelwijverij bij de Indianen geoorloofd was, bezaten echter

weinigen onder hen meer dan twee of drie vrouwen, en wanneer zij er

meer namen, werd dit als een bewijs van aanzien en vermogen beschouwd,

omdat zij verpligt waren den vaders hunner vrouwen geschenken te

geven en haar, als het ware, van hen koopen.

Gewoonlijk had iedere vrouw hare bijzondere hut, waarin zij met hare

kinderen woonde. Het wild of de visch, door den man gevangen, werd

door hem onder haar, naar evenredigheid van het getal harer kinderen,

verdeeld. Het was der vrouw niet geoorloofd te eten, voordat de

man hiermede gereed was; de toestand eener vrouw is, gelijk bij

alle Heidensche volkeren, meer die eener slavin dan die eener

levensgezellin, eener echtgenoote in onze Christelijke maatschappij.

De wapenen der Indianen bestonden uit bogen en pijlen; de bogen waren

van letter- of ander hard hout, gewoonlijk vijf à zes voeten lang,

aan den buitenkant rond, en aan de punten spits toeloopende, en met

een koord of snaar gespannen; de pijlen hadden dezelfde lengte; van

riet gemaakt, was aan het achtereinde van iedere pijl een stuk hout,

drie à vier duimen lang, om de beweging te verhaasten; aan de andere

zijde of de punt werd zij voorzien van een stuk zeer hard hout, dat

spits gesneden, of wel met veeren of steenen punten met weêrhaken,

ook wel met een scherpen vischgraat of iets dergelijks voorzien

was. Één punt op de pijl was den Indiaan echter niet genoeg, soms

zette hij er drie, vijf ja zeven op, welke Possirou genoemd werden.

Dit wapentuig gebruikte de Indiaan niet slechts in den oorlog,

maar ook op de jagt en meermalen ook ter vischvangst; hij was in

het gebruik er van zoozeer geoefend, dat hij in één schot dikwijls

evenveel visschen doodde, als er punten aan de pijl waren.

Even als hunne stamgenooten in Zuid-Amerika woonden zij in dorpen of

gehuchten, die uit eenige hutten bestonden, bij elkander geplaatst

langs de rivieren en meren, zonder eenige schikking of orde, terwijl

zij dikwijls van woonplaats veranderden.

Deze hutten of carbets waren ellendige vierkante woningen, van vijftig

tot zestig voeten lang, doch niet zoo breed, van boven rond, en

achttien à twintig voeten hoog; houten staken en gevlochten boomtakken

waren de bouwstoffen voor de wanden; het dak werd met palm- of andere

bladeren gedekt; de eenige opening was de deur, die zoo laag was,

dat men haar bukkend moest binnengaan; de stookplaats in het midden

der hut zijnde, moest de rook door de deur een uitweg vinden.

Bij sommige stammen van Indianen in Amerika woonden verscheidene

huisgezinnen bij elkander; hier vond men dit echter zeldzaam,

ieder gezin woonde afzonderlijk; de Caraïben zelfs hadden meestal

tweederlei hutten als: één voor nachtverblijf, van hetwelk het dak,

tentsgewijze gebouwd, aan de einden bijna den grond reikte; de andere,

die des daags bewoond werd, was hooger en wijder, vierkant, op palen

opgehaald, aan twee en drie kanten open en verder met bladeren gedekt.

In hunne dorpen was doorgaans ééne groote hut, Tabony genaamd, die tot

wapenhuis diende, of tot eene verzamelplaats van de geheele bevolking,

waar zij hunne vergaderingen hielden, hunne feesten vierden en de

vreemdelingen ontvingen.

Deze gebouwen waren in den regel 130 à 140 voeten lang en 30 à

40 voeten breed, behalve het plein, dat met palisaden bezet was;

zij waren rondom open, verder van een genoegzaam getal hangmatten

voorzien, opdat de mannen op hun gemak de noodige zaken behandelen

konden; aan de vrouwen was dit voorregt niet vergund, deze moesten op

hare hielen in hurkende houding of anders op eene groote bank zitten.

Het huisraad van den Indiaan was zeer eenvoudig, en bestond in

de eerste plaats in de hangmatten, geschilderde potten, gevlochten

korfjes, en hierbij kunnen wij mede wel den boog en de pijlen rekenen,

die het grootste sieraad der woning uitmaakten.

Stoelen of banken werden door hen niet gebruikt; zoo zij al niet

op hunne hangmatten lagen, zaten zij altijd op hunne hielen in

nedergehurkte houding.

Alleen bezaten zij eenen houten stoel, Moulé genaamd, die bij het

ontvangen van bezoek gebruikt werd; een zeer gemakkelijke zetel was

het nu wel niet, zijnde zonder leuning en zitting en in het midden

zoo hol, dat men er tot aan de knieën toe inzakte en de knieën tot

aan de kin kwamen.

Wat inzettingen, wetten, enz. betreft, hiervan waren zij ten eenemale

onkundig; noch regeringsvorm, noch policie belette hen een ieder naar

zijn welgevallen te leven; onderscheid van rangen en standen werd onder

hen niet gevonden; hunne kapiteins of opperhoofden voerden slechts het

bevel in den oorlog, doch bezaten geene magt in burgerlijke zaken. En

toch, ofschoon deze Indianen van geene wetten wisten, geschiedde er

zelden manslag; zij leefden vreedzaam onder elkander; indien zich

echter het zeldzame geval voordeed, dat de eene Indiaan den anderen

doodde, werd dit òf door de maagschap gewroken, òf de doodslager

moest zekere vergoeding geven. Bij sommige stammen, o. a. bij de

Caraïben, die zeer jaloersch waren, werd overspel met den dood van

beide schuldigen, in het openbaar, ten aanzien van al het volk,

gestraft; bij anderen sloeg de man de echtbreekster dood; wederom

bij anderen had eene wedervergelding plaats en werd de overtreder

met gelijke munt betaald.

In den oorlog waren zij, voornamelijk de Caraïben, dapper maar tevens

wreed; de gevangenen werden òf tot slaven gemaakt òf op gruwelijke

wijze vermoord, terwijl zij onder de uitgezochtste pijnigingen de

grootste hardvochtigheid toonden.

Zoo leefden en woonden die kinderen der natuur, met hun goed en hun

kwaad; zondaars als alle menschen, in betrekkelijken zin goedhartig,

slechts bij het verheffen der hartstogten in den oorlog wreed.

Hadden zich toen onder hen mannen begeven, brandende van liefde tot

den Heer, die hen kocht met Zijn bloed, en die hen in zachtmoedigheid

en vertrouwen op 's Heeren hulp, het Evangelie der genade hadden komen

brengen, dan zou men hier misschien dezelfde heugelijke verandering

gezien hebben, als wij in deze dagen bij de veel woestere bewoners

der Zuidzee-eilanden opmerken; ware dit toen en vervolgens geschied,

hoe gansch anders zou de geschiedenis van Guiana nu zijn.

De bewoners van het Zuidelijk Europa, in de 16e en 17e eeuw, trokken

toen niet naar vreemde landen om het rijk huns Heeren uit te breiden,

om het heil, dat in Christus Jezus den menschen geworden is, aan

blinde Heidenen te verkondigen, men verliet ook toen huis en hof,

vaderland en magen, maar slechts uit zucht naar gewin.

Wij keuren het volstrekt niet af, dat men zich in een ander land gaat

vestigen, om aldaar, doende wat de hand vindt om te doen, het brood

des bescheiden deels te verdienen,--maar dat men dan toch steeds voor

oogen houde de vermaning van den Apostel (1 Petr. 2: 12) »Houdt uwen

wandel eerlijk onder de Heidenen, opdat zij uit de goede werken, die

zij in u zien, God verheerlijken mogen;" en dit deden de Christelijke

natiën van Europa niet; aan die Apostolische vermaning dachten zij

niet bij het verkeer met en bij hun verblijf onder vreemde Heidensche

volken, gelijk de geschiedenis ons gedurig leert.

De beroemde Christoforus Columbus had, gelijk algemeen bekend is,

in 1492 het vierde werelddeel, de Nieuwe wereld, ontdekt.

De haat en afgunst der Spanjaarden en Portugezen was door den

welverdienden roem van dezen grooten man tegen hem opgewekt. Wij

willen thans niet uitweiden over de onaangenaamheden en de kwellingen,

die Columbus aangedaan werden; het is ook niet noodig, zij zijn

genoegzaam bekend; algemeen weet men dat het vierde, door Columbus

ontdekte, werelddeel niet naar hem, maar naar een lateren ontdekker,

Americus Vespucius, Amerika is genoemd geworden.

De lust tot ontdekkingsreizen was opgewekt, de zucht en het streven

om daaraan deel te nemen werd gedurig sterker, en ook naar dat

gedeelte van Zuid-Amerika, later de Wilde kust of Guiana geheeten,

werd weldra de steven gewend om, zoo mogelijk, den roem van Columbus

te overschaduwen en om goud te vinden.

Kort nadat de Spanjaarden, onder Columbus, eerst de eilanden en

naderhand het vaste land hadden ontdekt, en zij hunne zeevaart in

verscheidene gewesten van dit nieuwe werelddeel begonnen uit te

breiden, werden er ontdekkingsreizen naar Guiana gedaan.

De eerste, waarvan de geschiedenis gewaagt, schijnt in 1499 te hebben

plaats gegrepen. [6]

Twee der bekwaamste zeelieden, toen ter tijde in Spanje bekend,

namelijk Alonzo Ojeda en Juan de la Cosa, werden, in den jare 1499,

naar de vaste kust van Zuid-Amerika gezonden, om hare gesteldheid

nader te leeren kennen; doch daar zij die ten deele woest, ten deele

door onbeschaafde wilden bewoond vonden, kruisten zij slechts langs

de kust, beoosten de rivier Orinoco naar het Westen, zonder evenwel

veel kennis van die landstreek op te doen, behalve die van eenige

rivieren, in dien tijd voor hen van weinig belang.

Vincent Juan Pinçon die Columbus op zijne eerste reize vergezeld

had, kwam in 1500, na eene zeer moeijelijke reis, aan de andere of

oostelijke zijde van Guiana, digt bij Kaap Nord. De aldaar gelegen

eilanden kwamen hem zeer aangenaam voor, en hij werd door de Indianen

wel ontvangen, welke hem veel vriendschap bewezen. De aan het vaste

land gelegen rivier de Maranon of Amazone rivier werd door hem een

eind weegs opgevaren, om haar verder te ontdekken; hij gaf zijnen

naam aan eene kleine rivier, die later ook Ojapoco geheeten werd; hij

heeft echter geene naauwkeurige beschrijving van dit gewest gegeven.

Een heerschend volksgeloof zeide, dat er ergens een Eldorado, een

goudland, moest bestaan, dat Peru en Mexico nog verre overtrof;

men sprak er van, dat diep landwaarts in, een land was gelegen,

waarin onnoemelijke schatten van goud en zilver en kostbare steenen

gevonden werden; waar de inwoners hunne huizen met gouden beelden

versierd hadden, ja er zelfs de daken mede bedekten; ook sprak men

er van, dat aldaar een meer van zout water bestond, dat van wege

zijne onmetelijke uitgestrektheid wel eene zee kon genoemd worden,

en het meer van Parima heette, waarvan het oeverzand met stukjes en

stofgoud rijkelijk voorzien was. Dit gerucht was veroorzaakt door

eenen wilde, die, naar hij voorgaf, aldaar was geboren, en dit berigt

had aan Don Belalcasar, nadat deze in 1535 de landen van Papian had

ontdekt en veroverd.

Dit land moest ter zijde van de Orinoco en dus in Guiana liggen. Hoe

ongerijmd deze geruchten ook waren, en hoezeer zij gedurig door de

ondervinding gelogenstraft werden, de gedachte aan de mogelijkheid

alleen om zulk een land te vinden, bewoog velen tot togten derwaarts.

Duizende gelukzoekers, voornamelijk Spanjaarden, vonden bij deze

togten den dood, maar de ondervonden moeijelijkheden schrikten niet

af; steeds trachtte men dieper het land in te dringen. Deze pogingen

werden voornamelijk van en nabij de rivier Orinoco beproefd; waar

de Spanjaarden zich reeds vroeg hadden gevestigd. Door zekeren Don

Diego de Ordas, die ook vele moeijelijke en vruchtelooze reizen ter

ontdekking van het Goudland gedaan had, werd in 1531 aan den Oostkant

van de genoemde rivier de Orinoco, vijf en negentig mijlen van haren

mond, eene stad gesticht, welke hij St. Thomas de Guiana noemde en

welke de eerste bezitting der Spanjaarden in die streek was.

Van hier dan en aan de andere zijde van de Maranon of Amazone rivier,

alwaar de Portugezen zich reeds vroeg gevestigd hadden, gingen de

meeste ontdekkingsreizen uit, en waren zij ook al vruchteloos voor het

beoogde doel, men leerde hierdoor toch allengs het land beter kennen.

Wij zouden te uitvoerig worden, indien wij een verhaal van al die

togten wilden geven; [7] dit toch blijkt uit alles, dat het bestaan

van een Eldorado, op verscheidene tijden en door zoo velen gezocht,

maar nooit gevonden, niet dan op losse geruchten en de ijdele

hersenschimmen der Spanjaarden en Portugezen was gegrond.

Vele ondernemingen zijn van tijd tot tijd beproefd en mislukt;

eene der laatsten van de zijde der Spanjaarden was die van Antonio

Berrejo, schoonzoon van Ximenes de Queseda, die sedert het jaar 1582,

verscheidene jaren lang, pogingen aanwendde, om het goudland Eldorado

te ontdekken.

Daar hij, niettegenstaande alle mislukkingen, nog steeds door eenige

berigten van Indianen misleid, in den waan bleef verkeeren, dat dit

zoo zeer begeerde land toch in Guiana lag, zond hij in het jaar 1593

Domingo de Vera, met eenig volk, om die onderneming uit te voeren. Ook

deze deelden met de anderen in hetzelfde lot. Echter nam gemelde de

Vera, op den 23sten April 1593, uit naam van Filips II, koning van

Spanje, bezit van Guiana.

Wij willen de acte, volgens welke die in bezitneming geschiedde,

hier mededeelen; zij luidde als volgt:

»Aan de rivier de Pato, den 23sten April 1593.--In tegenwoordigheid van

mij Rodrigues de Corança, secretaris van de Marine, heeft Domingo de

Vera, stedehouder van Antonio Berrejo, zijne soldaten doen vergaderen,

en nadat hij hen in slagorde had geschaard, deze aanspraak gehouden:

»Mijne vrienden, gij weet welke moeite onze Generaal Don Antonio

Berrejo zich heeft gegeven, en wat kosten hij sedert elf jaren gedaan

heeft, om het magtige rijk van Guiana en Eldorado te ontdekken. U

zijn ook niet onbekend de buitengewone moeijelijkheden, die hij in

deze roemruchtige onderneming heeft ondervonden; nogtans hebben het

gebrek aan levensmiddelen en de slechte staat van zijn volk deze

kosten en moeijelijkheden onnut gemaakt; hij heeft mij gelast weder

nieuwe ontdekkingen te doen.

»Uit dien hoofde moet ik bezit nemen van Guiana, in naam des Konings,

en van onzen Generaal, derhalve gelast ik u Franciscus Carillo, om

dat kruis, hetwelk op den grond ligt, op te nemen, en hetzelve naar

het Oosten te keeren."

»Carillo gehoorzaamd hebbende, wierpen de stedehouder en de verdere

soldaten zich voor het kruis op hunne knieën en deden hun gebed.

»Vervolgens nam Domingo de Vera een kop vol water, en dronk dien uit;

hij nam een tweeden, en stortte dien op den grond, zoo ver hij kon,

trok zijn zwaard, en sneed het gras rondom zich, alsook eenige takken

van boomen af, zeggende: »In den naam van God neem ik bezit van dit

land, voor Zijne Majesteit Don Filips onzen wettigen opperheer." Waarna

men weder nederknielde en alle omstanders, zoowel officieren als

soldaten, antwoordden: »Dat zij deze bezittingen zouden beschermen

tot hunnen laatsten droppel bloeds." Daarop gelaste Domingo de Vera

met den blooten degen in de vuist mij, Acte te geven van deze in

bezitneming en te verklaren, dat allen, die daar tegenwoordig waren,

er van tot getuigen verstrekten.

»(Was geteekend) Domingo de Vera, door mij secretaris Rodrigues

de Corança."

Niettegenstaande deze plegtige in bezitneming, vinden wij later weinig

blijken van de magt der Spanjaarden in Guiana; behalve langs de rivier

de Orinoco en van de Portugezen aan de rivier de Amazone.

Toen andere volken hunne bezitting en handel in die landstreek

uitbreidden, troffen zij nog wel sommige van die natiën aldaar

aan, en vonden zij ook nog wel eenige Indianen, die aan hunne magt

onderworpen waren, doch dit was slechts van zeer geringe beduidenis,

in vergelijking van de groote krachtsinspanning, waarmede hunne eerste

ontdekkingen geschied waren. Zij schijnen reeds vroegtijdig het

eigenlijke of midden Guiana verlaten te hebben; onder de oorzaken,

die daartoe medegewerkt hebben, behooren deze: dat voornamelijk de

Caraïben, door hunne wreedheden verbitterd en moede het slaafsche

juk te dragen, deze hoogmoedige meesters òf verdreven òf verwond

hebben; en de toenemende bloei hunner andere volkplantingen zal hun

mede een beletsel zijn geweest, om hier de noodige kracht tot behoud

te ontwikkelen.

Zooveel schijnt zeker te zijn, dat in het einde der zestiende en in

het begin der zeventiende eeuw in dat gedeelte van Guiana, hetgeen

thans Suriname heet, zich geene Europesche inwoners meer bevonden.

Diep landwaarts, in Engelsch en Fransch, zoowel als Nederlandsch

Guiana, vindt men nog verscheidene namen van Spaansche avonturiers,

welke die landstreek bezochten, op de rotsen uitgehouwen.

Ziedaar dan het eenig overblijfsel van al die moeite, van al dat

jagen en drijven naar goud: eenige namen geschreven op de rotsen.

De hoop om een goudland te vinden was toch, niettegenstaande

alle mislukkingen, nog niet geheel uitgedoofd. Een Engelschman, de

welbekende avontuurlijke ridder Sir Walter Rawleigh heeft te dien einde

in 1595 eene togt naar Guiana gedaan. Door de verhalen, die hij van den

door hem gevangen genomen Don Antonio Berrejo vernam, vatte hij een zoo

groot denkbeeld van de rijkdommen van dit nog zoo onbekende gewest op,

en was hij hiermede zoozeer ingenomen, dat hij geene zwarigheid maakte,

in zijne uitgegevene reisbeschrijving, daarvan te zeggen: »dat hij,

die meester van Guiana werd, meer goud bezitten, en over meer volks

heerschen zou dan de koning van Spanje en de Turksche sultan."

Wij hebben echter reeds genoeg van de ongegrondheid dier verhalen en

de ijdelheid dier droomen gezien, om ons langer bij deze nuttelooze

togten op te houden; alleen vermelden wij, dat op bevel van Rawleigh,

kapitein Laurens Keimis in 1596 uit Engeland werd gezonden, [8]

om de kust van Guiana naauwkeurig op te nemen. Hij voldeed hieraan,

bezocht de meeste rivieren tusschen de Amazone en Orinoco gelegen,

welke hij in zijne reisbeschrijving ten getale van 67, benevens de

namen der wilden, die derzelver oevers bewoonden opnoemt; hij dreef

ook eenigen handel met hen en keerde vervolgens naar Engeland terug.

Intusschen begonnen ook reeds andere volken deze kusten te bevaren,

om met de inboorlingen tabak, verw-, letter- en ander hout te ruilen

en daarmede handel te drijven.

Zoo ook blijkt uit oude geschriften, [9] dat de Hollanders en Zeeuwen,

kort voor het jaar 1580, de vaart niet slechts op de rivieren de

Amazone en de Orinoco, maar op de geheele kust van Guiana begonnen

zijn met acht, negen en meerdere schepen. De Staten van Holland

verklaarden in den jare 1581, [10] wel te mogen lijden, dat die vaart

door bijzondere personen ondernomen werd.

In 1599 zijn mede verscheidene rivieren van Guiana door de Hollanders

en Zeeuwen bezocht, en in den jare 1614, den 27 Maart, verleende 's

lands overheid een generaal octrooi, waarbij elk, die eenige nieuwe

havens, passages of plaatsen voortaan zou ontdekken, vrijheid kreeg, om

dezelve vier jaren lang, met uitsluiting van anderen, te mogen bevaren.

Adriaan ter Haaf, burgemeester van Middelburg, schijnt mede al vroeg

zijne schepen derwaarts te hebben gezonden, daar hij, in 1599, in een

adres aan de Staten van Zeeland ingeleverd, waarbij hij om soldaten

op zijne schepen verzocht, gewaagt van reeds van tijd tot tijd zijne

schepen naar de kust van Zuid-Amerika te hebben gezonden.

Omtrent dezen tijd formeerden de kooplieden van Vlissingen [11]

daar reeds eene volkplanting, en wierpen aan de Amazonen-rivier twee

sterkten op, de eene genaamd »Orange" en de andere »Nassau", welke

naderhand echter weder door de Portugezen werden vernield.

De Nederlanders hadden zich ook reeds vroeg aan de rivier van

Essequebo nedergezet, maar de Spanjaarden verdreven hen met behulp

der Indianen in 1596. Doch onze oude Nederlanders lieten zich niet

zoo spoedig afschrikken; kort hierna heeft de heer Joost van den

Hooge aan deze rivier weder eene volkplanting opgerigt, door hem

Nova Zelandia genaamd, en eene sterkte gebouwd, later »Kijk overal"

geheeten, welke reeds voor het jaar 1613 volkomen in wezen was.

De heer van Peere en eenige anderen vestigden mede, in het begin

der 17e eeuw, eenige nederzettingen in die streek, welke thans tot

Engelsch Guiana behoort, terwijl bij resolutie van de heeren Staten

van Zeeland, den 29 Junij 1634, aan een ieder verboden werd, de Wilde

kust te bevaren en aldaar volkplantingen te stichten, dan gemelde

heeren en den Heer de Peere alleen [12].

Wij vermeenen thans genoeg gezegd te hebben van de ontdekkingen en

eerste togten der Europeanen van en naar de Wilde kust en Zuid-Amerika

of Guiana in het algemeen, om eenigzins een, zij het dan slechts

een oppervlakkig denkbeeld hiervan te verkrijgen, en willen ons nu

meer bepaald met dat gedeelte van Guiana, thans Suriname geheeten,

bezig houden. Slechts van tijd tot tijd, indien dit tot goed verstand

noodig is, zullen wij van die andere gedeelten gewag maken, en willen

wij dan alzoo ook nog met een enkel woord spreken van de poging, door

de Engelschen en Franschen aangewend, om aan de rivier Wiapoco en

elders in het tegenwoordige Fransch Guiana volkplantingen op te rigten.

De eerste proef geschiedde door kapitein Charles Leigh, die met het

schip de Olijfplant, bemand met 46 koppen, den 22sten Mei 1604 in de

rivier de Wiapoco aankwam, alwaar hij en zijne lieden goed ontvangen

werden door den daar wonenden Indianenstam, met welken hij vervolgens

tegen de Caraïbische Indianen in oorlog trad.

Leigh was voornemens bij den berg Oliphe, eene volkplanting te

stichten, doch het volk werd weldra mismoedig, bij het zien der

groote en digte bosschen, die omgehakt moesten worden en hij besloot

toen zijne woonplaats eenige mijlen verder bij den berg Huntley te

vestigen. Eene verzochte versterking, die den 16 Mei 1605 uit Engeland

vertrok, werd door tegenwinden opgehouden, verviel op het eiland

St. Lucie, en werd aldaar grootendeels door de Indianen vermoord,

een gedeelte vlugtte naar de Caracas.

Een ander schip met dertig personen, koopmans- en andere goederen

afgezonden, bereikte den 15 Februarij 1606 zijne bestemming, maar vond

den kapitein Leigh en het grootste gedeelte van zijn volk ziek. Leigh

overleed weldra, en toen het schip vertrok bleven slechts 35 personen,

onder bevel van een zekeren Richard Saksie achter; doch het duurde niet

lang of ook deze Saksie vertrok met 14 anderen, op een Zeeuwsch schip,

naar Middelburg; 10 anderen met een Fransch schip naar St. Malo; de

overigen naderhand, den laatsten Mei 1606, met het schip »de Hoop",

naar Holland. Zoo werd deze volkplanting in twee jaren tijds gesticht

en weder opgebroken [13].

Later in 1608 schijnt er eene nieuwe proef aan de rivier Wiapo

ondernomen te zijn door Mr. Hartcourt met 30 man, die evenzeer

mislukt is.

De Fransche kooplieden te Rouan legden in 1624, na alvorens eenige

schepen derwaarts gezonden te hebben, eene bezetting in dit gedeelte

van Guiana, en besloten aldaar eene vaste handelsplaats op te

rigten. Zij plaatsten eene kleine volkplanting van 26 menschen aan de

rivier van Sinamari. Deze moet echter niet lang stand hebben gehouden;

in 1631 heeft zich zekere kapitein Chambon, met nog 12 Franschen,

daar op nieuw nedergezet, om peper te vergaderen.

Een Nederlander, David Pieterse de Vries, stichtte in het zuiden van

Cayenne in 1634 mede eene kleine volkplanting.

In 1626 werd door de Franschen een veel grootere aangelegd, aan de

rivier Conanam, W. N. W. van de Sinamari.--Hier werd eene versterking

gebouwd, en breidde zij zich meer en meer uit. Door moedwillige

handelingen tegen de Indianen, werden zij, door deze uit wederwraak,

verdreven.

In 1643 werd weder te Rouan eene Maatschappij opgerigt tot kolonisatie,

aan het hoofd van welke zekere Poncet Bretigny stond, die wegens

zijne wreedheid met verscheidene zijner volgelingen door de Indianen

vermoord werd. Eene nieuwe maatschappij, met groote krachten, (800

lieden, zoo mannen als vrouwen, gingen uit Frankrijk derwaarts),

beproefde op nieuw eene kolonisatie; onderlinge twisten tusschen de

verschillende maatschappijen beletteden echter den goeden vooruitgang,

en de Hollanders maakten van deze verdeeldheid gebruik. In 1657,

onder het bewind van Gerrit Spranger, namen zij daarvan een groot

gedeelte in bezit, doch bleven er ook niet lang meester van, gelijk

wij later zien zullen.

In het jaar 1630 is de eerste nederzetting door Europeanen in dat

gedeelte van Guiana, hetwelk thans ook Suriname wordt geheeten,

geschied.

Kapitein Marechal, vergezeld van 60 Engelschen, vestigde zich in

genoemd jaar aan de rivier Suriname, bijna 16 mijlen die rivier op;

hij bouwde aldaar een fortje; omringde het met palisaden, maakte nog 6

mijlen hooger op een huis voor 15 à 16 zijner lieden, en begon weldra

tabak te planten.

David Pieterse de Vries, een Nederlander, dezelfde, die in 1634 in

Cayenne eene volksplanting gesticht had, bezocht later de rivier

Suriname en vond aldaar eenige huizen, fortsgewijze met palisaden

omzet, en den kapitein Marechal met zijne landgenooten bezig zijnde

een kolonie te formeren en tabak te planten. [14]

Dan ook deze bezitting moet van geen langen duur zijn geweest;

hoewel wij den juisten tijd en de wijze harer opheffing nergens

vermeld hebben gevonden.

In 1640 hebben de Franschen, waarschijnlijk van Cayenne, zich daar

neder geslagen en de kolonie in bezit genomen; men zegt ook, dat

men den eersten aanleg van het fort, later fort Zelandia genaamd,

aan hen verschuldigd is, terwijl anderen, wij gelooven met minder

waarschijnlijkheid, de Spanjaarden daarvan de eer toekennen.

De Franschen hebben Suriname echter spoedig verlaten, zoo wegens het

ongezonde klimaat, veroorzaakt door de zware bosschen en veelvuldige

moerassen, als door de gedurige invallen der Indianen.

De Indianen, de zonen der wildernis, waren wel van tijd tot tijd door

de Europesche volken verontrust, doch na het vertrek der Franschen

waren zij weder alleen meesters en heeren.

Wie weet hoezeer zij zich hierover zullen verblijd hebben; wie weet

welke vreugdefeesten daarover in die uitgestrekte wouden gevierd zijn;

wie weet welke zegezangen er werden aangeheven, toen de laatste blanken

verdwenen waren; wie weet,--maar verdiepen wij ons niet langer in

gissingen, al heeft dit alles plaats gehad.--Spoedig is het gebleken,

dat die blijdschap over de verdrijving der vreemdelingen te vroeg

en te groot was, en die feesten zullen weldra opgehouden hebben, die

zegezangen verstomd zijn; want zij bleven niet lang alleen meesters en

heeren; op dien vruchtbaren bodem vestigden zich op nieuw Europeanen,

en sedert dien tijd is dat land in het bezit der Europesche natiën

geweest, en werd aldaar een toestand geboren, gelijk aan die in andere

landen en werelddeelen, alwaar de Europeaan vasten voet erlangde,

of die hij door de kracht des gewelds veroverde.

Lord Willoughby, Graaf van Parham, rustte in 1650 op eigene kosten een

schip uit, bestemd naar de kust van Guiana, hetwelk aan de rivier de

Suriname aanlandde, en waarvan de bemanning goed en vriendelijk door

de Indianen ontvangen werd.

Men sloot met hen verbonden en begon met allen ernst eene volkplanting

daar te stellen. Genoemde Lord zond vervolgens nog een schip van

20 stukken, benevens twee kleinere vaartuigen met onderscheidene

goederen derwaarts. Van tijd tot tijd ging hij voort om de nieuwe

kolonie van wat zij noodig had, te voorzien, en in 1652 kwam Lord

Parham zelf in Suriname, vertoefde er eenigen tijd en bragt door

woord en daad veel tot den voorspoedigen vooruitgang en bloei der

nog zoo kort opgerigte volkplanting bij. Als gouverneur-generaal der

West-Indische eilanden benoemd, vertrok hij echter weldra naar Barbadoz

[15]. In 1654 vlugtten eenige Franschen onder Braglione en Duplessis

uit Cayenne, van waar zij door de Gallibische Indianen verdreven waren,

en werden goed door den bevelhebber Ruff ontvangen [16].

De Engelschen legden er zich met ijver op toe, om den grond te

bebouwen, en deden wat mogelijk was om zich hier voor goed te vestigen.

Digt bij het fort, thans Zeelandia genaamd, dat zeer door hen versterkt

was, werden boomen geveld, omtrent twee à drie honderd morgen

lands vlak gemaakt, en spoedig kwam hier een gehucht van ongeveer

50 hutten of huizen tot stand. Dezen waren echter zeer eenvoudig,

op de Indiaansche wijze, zonder schikking of orde gebouwd; in het

fort zelf maakte men een laag huis, geheel van steen, ter bescherming

tegen de invallen der Indianen.

In 1654 werd het aantal Engelschen op 350 begroot; maar weldra nam de

kolonie in bloei toe, en verscheidene nieuwe aankomelingen versterkten

ze, zoodat het getal der nieuwe inwoners weldra tot 4000 wies. [17]

Aan wederzijden der rivier Suriname breidden zich hunne bezittingen

uit, voornamelijk in de nabijheid van het fort, alwaar later dan

ook de stad Paramaribo gebouwd is, en hooger op aan de rivier Para,

waar deze zich in de Suriname stort.

Nu werden voor het eerst eigenlijke plantaadjes aangelegd, en weldra

beliep hun getal 40 à 50. Hier werd hoofdzakelijk suiker geplant;

op eenigen nam men ook op nieuw de proef met de tabaksteelt, welke

echter niet zeer gelukkig uitviel; van meer belang was de houtvelling

voor het gebruik in de kolonie, zoo voor het bouwen der huizen als ter

oprigting der suikermolens. Beide waren in den beginne zeer eenvoudig,

de molens werden door paarden of ossen gedreven. De tigchelsteenen,

benoodigd tot het metselen der ketels, om suiker te raffineeren, werden

door de kolonisten mede zelven gemaakt. Onderling belang verbond hen

en alzoo kwamen zij meermalen op eene bepaalde plaats bij elkander en

bewerkten dan in gemeenschap datgene, waartoe afzonderlijke personen

niet in staat zouden geweest zijn [18].

Lord Parham, die zich werkelijk jegens deze volkplanting zeer

verdienstelijk had gemaakt, en die de eerste proef geheel op eigene

kosten had gedaan, werd in 1662 door koning Karel II, bij uitvoerigen

giftbrief [19] in het bezit van Suriname bevestigd.

Bij deze acte werd het volle eigendom der landen en kusten

van Suriname, den 2den Julij 1662, geschonken aan Sir Charles

Willoughby, Graaf van Parham, en aan Laurens Hide, tweeden zoon van

den grootkanselier graaf van Clarendon en aan hunne nakomelingen

of regtverkrijgenden.

De regering werd onder het opperbestuur van lord Parham vastgesteld, en

bestond uit een gouverneur, den raad en de gemeente, terwijl de kolonie

volgens de Engelsche wetten en eenige bijzondere keuren werd bestuurd.

Terwijl de kolonie in korten tijd in uitgebreidheid en belangrijkheid

toenam, kwamen er gedurig meerderen aldaar, om hun geluk te beproeven

of om andere oorzaken. Weldra vestigden zich hier mede uit Cayenne

een vrij groot aantal Joden, die door lord Parham, uit overweging van

het groote nut en voordeel, dat zij de nieuwe volkplanting konden

aanbrengen, in alles met de Engelschen gelijk gesteld en voorts in

hunne godsdienst en burgerregten gehandhaafd werden.

Zij deelden deze voorregten met hunne geloofsgenooten, die met lord

Parham uit Engeland waren aangekomen.

Daar de Joden steeds een zoo belangrijk gedeelte der bevolking hebben

uitgemaakt en nog uitmaken, willen wij deze nederzetting, een weinig

uitvoeriger mededeelen en vinden wij ons genoodzaakt de geschiedenis

hooger op te halen.

De Joden, die in grooten getale in Spanje en Portugal woonden

en aldaar, voornamelijk onder de overheersching der Mooren, tot

grooten luister en rijkdom waren gekomen, werden na de verdrijving

van de laatsten, door de katholieke vorsten van dat land zeer

verdrukt en vervolgd, gelijk ons de geschiedenis leert. Om deze

vervolging te ontwijken hadden velen zich in het nieuw ontdekte

Brazilië nedergezet, en hoewel zij daar ook nog veel van den haat

der katholieke geestelijken en anderen moesten lijden, was dit,

in betrekkelijken zin, toch minder dan in Spanje en Portugal.

Eene gouden eeuw brak voor hen aan, toen de Nederlanders voor een

goed deel meester in Brazilië waren geworden, en onder de roemrijke

regering van Maurits van Nassau namen zij in aanzien en rijkdommen

toe. Als een bewijs hiervan diene de vermelding van het feit, dat

toen Maurits in 1644 Brazilië verliet, de Joden hem verzochten, om

het prachtige paleis, door hem gebouwd, te mogen koopen, ten einde

hetzelve tot eene Synagoge in te rigten.

De zaken der Nederlanders gingen, gelijk bekend is, na het vertrek

van dezen kundigen landvoogd, spoedig achteruit, en weldra verloor

Nederland geheel het rijke Brazilië.

De voorspoedszon der Joden aldaar begon nu ook te tanen, en in 1654

werd hun de vrije godsdienstoefening en weldra zelfs het verblijf

op Portugeesch grondgebied ontzegd. De Stadhouder van Portugals

koning verleende evenwel aan de talrijke Joodsche bevolking nog

eenigen tijd, tot regeling harer zaken, mitsgaders een zestiental

schepen, met vrijgeleide, om naar Holland te stevenen. Een aantal

dezer Braziliaansche Joden vestigden zich op een ander punt in het

Nieuwe werelddeel. Sommigen hunner wendden zich naar Cayenne, dat,

gelijk wij hiervoren zagen, in 1656-1657 voor een groot gedeelte door

de Hollanders in bezit was genomen, en thans onder het bestuur van

Gerrit Spranger stond.

In 1659 werden door de Bewindhebbers der W. I. Compagnie aan David

(Cohen) Nassy belangrijke voorregten toegestaan, als: vrijheid van

godsdienstoefening, vrijheid van tienden voor den tijd van twintig

jaren en verlof om eene volkplanting in Cayenne te vestigen. De

W. I. Compagnie verleende dit charter aan David (Cohen) Nassy den

12den September 1659. Hierbij werden de grenzen bepaald, welke ten

opzigte der andere, op het vaste land van Cayenne, door hem in acht

moesten worden genomen.

Dit aan Nassy verleende Octrooi was zoo gunstig, dat in het volgende

jaar een getal van 152 Joden, uit Livorno, zich bewogen vond, om

derwaarts over te komen, die dan ook, zonder verhindering op hunnen

weg te ontmoeten, aldaar aankwamen en er zich, met grooten dank aan

God, onder hunne geloofsgenooten nederzetteden.

Genoemde Nassy muntte onder de andere Joden uit, en kan eenigermate

als hun hoofd beschouwd worden, terwijl hem dan ook den titel van

Patroon der Kolonie door de W. I. Compagnie werd toegekend; met hem

werden ook de contracten enz. gesloten.

Echter hadden noch hij, noch zijne geloofsgenooten lang genot van

de hun in Cayenne toegekende regten, daar Nederland spoedig daarna

Cayenne verloor.

Niettegenstaande Nederland te dien tijde met Frankrijk in vrede leefde,

verscheen er den 11den Mei 1664 eene Fransche vloot, onder bevel van

den heer de la Barre, luitenant ter zee, uit naam van de Fransche

Maatschappij der Evennachtslinie, op de reede van Cayenne.

De Hollandsche gezagvoerder Spranger, die geen kwaad vermoedde,

was buiten staat eene zoo groote magt af te keeren, te meer daar de

Indianen hem verlieten en landwaarts introkken.

Den 15den Mei 1664 werden het fort en de verdere bezettingen aan de

Franschen overgegeven, die de ingezetenen plunderden en velen van

hen naar Frankrijk medevoerden.

De Joden besloten alzoo, daar zij van nu af gedurig verontrust werden,

hunne volkplanting naar een ander oord te verleggen en kozen daartoe

Suriname, alwaar zij, gelijk wij reeds opgemerkt hebben, door lord

Parham met blijdschap ontvangen werden, daar zij èn door hunne kennis

van den landbouw èn door hunne rijkdommen, beide in Brazilië reeds

opgedaan en verkregen, welkome gasten waren [20].

Ten dien tijde of iets vroeger hebben zich ook eenige Nederlanders aan

de Commewijne nedergezet, ongeveer vijf en twintig mijlen landwaarts

in, die met de Indianen in vrede leefden en met hen eenen vrij grooten

handel in letterhout en andere artikelen dreven. Deze leefden aldaar,

vonden hun bestaan in een eerlijken handel en waren zonder slaven [21].

De Engelschen en Joden hadden echter reeds slaven; hoewel het

niet uitdrukkelijk gemeld is, blijkt dit echter uit den loop der

geschiedenis.

In Suriname's uitgestrekte wouden waren dus de Indianen niet langer

de eenige meesters en heeren, hadden de vroegere ontdekkingstogten en

het zoeken naar goud door de Europeanen opgehouden en waren de eerste

nederzettingen mislukt; de volharding der Europeanen had gezegepraald.

Europa had vasten voet in Suriname verkregen; de toestand was er

veranderd, Suriname was eene Europesche kolonie geworden, en zou dit

voor lang blijven. Zij is dit nog.

Voortaan zou de strijd over het bezit meer zijn tusschen de Europesche

natiën onderling dan tusschen haar en de oorspronkelijke bewoners;

deze worden naar de binnenlanden verdrongen en weldra niet meer

geteld; zij verminderen in kracht en magt, naarmate die bij de

vreemdelingen toenemen. Slechts van tijd tot tijd zien wij hen uit

hunne bosschen te voorschijn komen, om zwakke pogingen ter verdrijving

der vreemdelingen te beproeven; later om met hen handel te drijven,

en helaas! om van hen dien verderfelijken giftdrank te ontvangen, die

hunne gezondheid verwoest, die hen ontvatbaar maakt voor geestelijke,

voor eeuwige dingen.

Europa, Europa! heeft daarvoor de Heer des hemels en der aarde u VOOR

EEN TIJD magt gegeven om beheerscheres der wereld te zijn?

De Engelschen en anderen bouwden in dit hoekje der aarde hunne tabak

en suiker; de kolonie ging voorspoedig vooruit. Doch deze rustige tijd

zou niet lang duren; weldra werd zij door gebeurtenissen verstoord,

die wederom eene groote verandering te weeg bragten, welker vermelding

tot het tweede tijdvak behoort.

Geschiedenis van Suriname · 第 6 / 86 题