Wij moeten thans naar de pic-nic en Tom en Becky's aandeel in de
pret terugkeeren. Zij hadden met de anderen door de donkere gangen
gehuppeld en de bekende wonderen van de grot bezocht,--wonderen
met wel te grootsche namen bestempeld, zooals: het "Salon," de
"Kathedraal," het "Paleis van Aladdin," enz. Aan het daarop gevolgd
"verstoppertje" spelen hadden zij ijverig deelgenomen, totdat zij
van de inspanning moede waren geworden. Daarna eens opwandelende,
waren zij in een kronkelpad afgedwaald en hadden daar, bij het licht
hunner omhooggehouden kaarsen, het krabbelschrift van namen, datums,
adressen en motto's gelezen, waarmede de rotswanden (met kaarssnuitsel)
beschreven waren. Al voortgaande en pratende, hadden zij niet eens
bemerkt, dat zij zich in een gedeelte der grot bevonden, op welks
muren geene namen te lezen stonden. Hier schreven zij hun eigen
naam met kaarssnuitsel op een vooruitstekend rotsblok en gingen
verder. Kort daarop kwamen zij op eene plaats, waar een, over een
zandrif naar beneden vlietend en een laag kalksteen met zich voerend
waterstroompje, in de langzaam voortgaande eeuwen, een versteende
Niagara van schitterend en onvergankelijk stalactiet had gevormd.
Om Becky pleizier te doen, kroop Tom met zijn tenger lichaam
tusschen de steenen door, om de plaats te verlichten. Te midden dier
rotsenmassa ontdekte hij eene door de natuur gevormde trap, door nauwe
muren ingesloten, en bij dat gezicht werd hij door den lust tot een
ontdekkingstocht aangegrepen. Becky verklaarde zich bereid hem te
vergezellen en zij maakten met den walm der kaars een teeken, dat hen
den terugweg zou doen weervinden, en gingen op verkenning uit. Zij
sloegen allerlei paden in, tot ver in de grot; zij maakten nog eens
een merkteeken en gingen steeds voort om nieuwe wonderen te zoeken,
die zij aan de bovenwereld zouden vertellen. Op eens ontdekten zij een
ruim hol, van welks zoldering een massa glinsterend druipsteen afhing,
in lengte en vorm aan een menschenbeen gelijk. Vol bewondering en
verbazing wandelden zij daarin rond en verlieten het hol weder door
een der vele gangen, die er op uitliepen. Hun weg bracht hen bij
een tooverachtig schoone springbron, welker bodem met schitterende
gekristallisseerde waterdroppen als ingelegd was. De bron stond midden
in een grot, met muren door allervreemdsoortigste pilaren gestut,
gevormd door de verbinding van groote stalactieten en stalagmieten,
die wederom aan het eeuwenlang neerdruppelen van water hun ontstaan te
danken hadden. Onder dit dak hadden zich dikke zwermen vledermuizen
bij duizendtallen opeengehoopt. Door het licht verschrikt, kwamen
deze dieren bij honderden naar beneden en fladderden met een akelig
geschreeuw woedend om de kaarsen been. Tom kende hun aard en het
gevaar, dat van dien kant dreigde. Hij greep Becky bij de hand en
duwde haar in een der vele gangen--en voorwaar niet te vroeg, want
een vledermuis sloeg, juist toen zij den grot verlieten, met hare
vleugels Becky's licht uit. De booze dieren vervolgden de kinderen
nog een tijdlang, doch de vluchtelingen liepen telkens een nauwen
gang in en ontkwamen eindelijk aan deze gevaarlijke beesten.
Kort daarna ontdekte Tom een onderaardsch meer, welks eindelooze
lengte zich in de duisternis verloor. Ofschoon hij groote geneigdheid
had om de oevers van dat meer te gaan verkennen, kwam hij tot het
besluit, dat het beter zou zijn een oogenblik te gaan zitten, on
uit te rusten. En nu eerst wekte de doodelijke stilte van het oord
verlammend op hun jeugdig gemoed.
"Tom, ik verbeeld mij, dat wij sedert uren niets van de anderen
gehoord hebben."'
"Becky, ik geloof dat wij veel dieper zijn dan zij, maar ik weet niet
in welke richting, in het noorden, zuiden of oosten. Ik geloof niet,
dat het mogelijk is hen hier te hooren."
Becky begon bang te worden.
"Ik zou wel eens willen weten, hoe lang wij al hier zijn.--Zou het
niet beter wezen terug te keeren?"
"Ja, dat geloof ik ook."
"Kunt gij den weg terugvinden? Ik zie niets dan kronkelpaden en
slingerwegen."
"Ik zou het wel kunnen, maar ik ben bang voor de vleermuizen. Indien
zij ook mijn kaars uitdeden, zouden wij er ellendig aan toe zijn. We
moeten het met een anderen weg beproeven.
"Och, ik hoop maar dat wij niet zullen verdwalen. Dat zou zoo
vreeselijk wezen!"
En het meisje begon te beven bij de gedachte aan die ontzettende
mogelijkheid.
Zij liepen een gang in en gingen zwijgend een geruimen tijd voort,
naar elke nieuwe opening kijkende, om te zien of zij ook iets ontdekten
dat hun bekend voorkwam, doch 't was alles even vreemd. Telkens als
Tom de plaats opnam, bespiedde Becky angstig zijn gelaat en telkens
antwoordde hij vroolijk:
"O, wees zonder zorg; dit is het pad niet, maar wij zullen het rechte
zeker vinden."
Bij elke mislukte poging echter verloor de knaap iets van zijn moed
en nu op goed geluk, in allerlei richtingen, verschillende gangen in
te slaan, in het wanhopend vertrouwen, dat hij den doorgang dien zij
noodig hadden, wel vinden zou. Voortdurend riep hij:
"'t Zal wel gaan." Doch er lag hem zulk een looden wicht op het hart,
dat de woorden hun klank verloren en luidden alsof hij geroepen had:
"Alles is verloren."
Becky klampte zich angstig aan hem vast en deed haar best om niet
te schreien, maar de tranen sprongen haar ondanks haar zelve uit de
oogen.--Eindelijk riep zij uit:
"O, Tom, ik geef niets om de vleermuizen! Laat ons liever langs den
ouden weg teruggaan. 't Is alsof wij hoe langer hoe verder van het
rechte pad afdwalen."
Tom hield stil.
"Luister!" zeide hij.
Niets dan diepe stilte,--eene stilte zoo groot, dat de kinderen hun
adem konden hooren.
Tom begon te roepen. De kreet weerkaatste door de holle gangen en
stierf in de verte weg, in een geluid dat aan een spotlach deed denken.
"O, doe het niet meer, Tom! het is al te akelig!" zeide Becky.
"'t Is akelig, maar 't is toch beter, Becky. Misschien kunnen zij
het hooren."
De woorden "misschien kunnen" joegen Becky een rilling door de
leden, nog kouder dan het spookachtig geluid had gedaan, want zij
waren de taal der wanhoop. De kinderen stonden stil en luisterden,
alweder zonder gevolg. Opeens keerde Tom op zijne schreden terug en
verhaastte zijn stappen. Een oogenblik later verried eene angstige
onbeslistheid in zijne manieren aan Becky het vreeselijk feit: hij
had het spoor van den terugweg verloren!"
"O, Tom, heb je geen teekens gemaakt?"
"Becky, ik was zoo dwaas! Ik dacht, dat wij niet langs dezen kant
zouden behoeven terug te gaan. Ik kan den weg niet meer vinden. 't
Is alles even verward!"
"Tom! Tom! wij zijn verloren. Wij zullen het daglicht nooit meer
zien. O, waarom hebben wij de anderen verlaten?"
Zij zonk op den grond neder en barstte in zulk een waanzinnig
gekrijt uit, dat Tom bang werd dat zij zoude sterven of het verstand
verliezen. Hij ging naast haar zitten en sloeg zijne armen om haar
heen: zij verborg haar gezichtje tegen zijn borst, hield hem stijf
vast en stortte hare angsten en haar tot niets leidend berouw tot hem
uit;--en de verwijderde echo's verkeerden dat alles in een hoonend
gelach. Tom smeekte haar moed te houden, maar zij antwoordde dat dit
haar onmogelijk was.
Toen begon hij er zich een verwijt van te maken, dat hij haar in dezen
ellendigen toestand gebracht had. Dit had eene goede uitwerking; want
zoodra hij zich zelven beschuldigde, beloofde zij, dat zij haar best
zou doen om zich goed te houden en dat zij zou opstaan en hem volgen,
werwaarts hij haar wilde heenleiden, als hij haar beloofde niet meer
zoo te praten; beiden hadden zij immers, zoo zeide zij, schuld.
Zoo gingen zij dan weer verder,--zonder doel, enkel op goed geluk
af. Het beste ook wat zij doen konden, was te loopen, steeds te
loopen. De hoop scheen voor een oogenblik te herleven, niet omdat er
eenig uitzicht op redding was, maar dewijl het in haar natuur ligt
steeds te herleven, zoolang zij door de jaren en de ervaring van
teleurstellingen, haar veerkracht nog niet verloren heeft.
Een poos daarna nam Tom Becky's kaars en blies die uit. Dat was
een veelbeteekenende spaarzaamheid. Ook zonder dat het gezegd werd,
begreep Becky wat dit beduidde en de hoop ontzonk haar weder. Zij
wist, dat Tom nog eene geheele kaars en drie of vier eindjes in den
zak had en toch zuinig moest zijn.
Allengs begon het vermoeiend zwerven hun invloed op hen uit te
oefenen. De kinderen trachtten te doen alsof zij 't niet merkten,
want de gedachte alleen aan zitten, terwijl elke minuut kostbaar was,
was vreeselijk. Zich bewegen, hoe dan ook en waarheen dan ook, was
vorderen en kon met een gewenschten uitslag worden bekroond. Stilzitten
daarentegen, was den dood inroepen en zijn komst verhaasten.
Eindelijk weigerden Becky's zwakke leden haar verder te dragen. Zij
legde zich op den grond neder, en Tom zette zich naast haar. Zij
spraken van huis, van hunne ouders, van hun heerlijk bed en voor alle
dingen van het verrukkelijke licht; Becky schreide en Tom verzon van
alles on haar op te beuren! Maar alle troostwoorden waren afgesleten
en klonken als bijtende spot. Uitgeput van vermoeidheid viel Becky
ten laatste in slaap. Tom was er blijde om en bleef op haar bedroevend
gelaat turen. Hij zag het, onder den invloed van vriendelijke droomen,
weer glad en effen worden en bemerkte, dat een glimlach op hare
lippen neerdaalde en zich er bleef vestigen. Die kalmte bracht zijn
eigen gemoed ook eenigszins tot rust en zijne gedachten dwaalden
terug naar vroegere tijden en nevelachtige herinneringen. Te midden
zijner overpeinzingen ontwaakte Becky met een vroolijk lachje,--doch
het stierf op hare lippen weg en werd gevolgd door een diepen zucht.
"O, hoe kon ik slapen? Ik wou dat ik maar nooit, nooit meer was wakker
geworden! Neen, neen, Tom, zie mij niet zoo angstig aan! Ik zal het
nooit meer zeggen."
"Ik ben zoo blijde dat gij geslapen hebt, Becky. Gij zult nu minder
moede zijn en wij zullen den weg vinden."
"Wij kunnen het probeeren, Tom, maar ik heb zulk een mooi land in
mijn droom gezien--en daarheen zullen wij gaan, denk ik."
"Misschien nog wel niet. Houd je goed, Becky, en laat ons voortgaan."
Zij stonden op en dwaalden hand in hand, hopeloos voort. Zij trachtten
den tijd te begrooten, dien zij in de grot hadden doorgebracht, maar
dien bij benadering berekenen konden zij niet. Het scheen hun dagen
en weken te zijn, ofschoon dat onmogelijk was, want hunne kaarsen
waren nog niet opgebrand.
Een langen, zeer langen tijd daarna zeide Tom, dat zij zachtjes
moesten loopen en luisteren of zij ook water hoorden druppelen,
daar zij bij een bron moesten zijn. Deze vonden zij ook werkelijk
en Tom stelde voor om weer wat te rusten. Beiden waren doodmoede en
toch zeide Becky, dat zij nog wel een eind verder zou kunnen gaan;
maar tot hare verbazing wilde Tom daar niet van hooren. Daarom gingen
zij weder zitten, en Tom maakte zijne kaars met klei aan den muur
vast. Ieder was in zijn eigen gedachten verdiept; een geruimen tijd
werd er geen woord gesproken. Becky verbrak het stilzwijgen het eerst.
"Tom," zeide zij, "ik heb zoo'n honger."
Tom haalde iets uit den zak.
"Herken je dit?" zeide hij.
Becky trachtte te glimlachen en zeide:
"Het is onze bruidskoek, Tom!"
"Ja, ik wou dat hij tienmaal grooter was, want het is alles wat
wij hebben."
"Ik had hem voor de pic-nic medegenomen, on hem met u te deelen, Tom,
zooals groote menschen doen;--maar ik vrees dat het onze...." Zij
voltooide den volzin niet. Tom verdeelde den koek en Becky at met
graagte, terwijl Tom zijne helft langzaam opmuisde. Er was overvloed
van water om bij het eten te gebruiken. Eindelijk opperde Becky de
vraag, of het niet beter zou zijn weder verder te gaan. Tom zweeg
een oogenblik en zeide toen:
"Becky, kun je verdragen, dat ik je iets zeg?"
Becky werd bleek, doch knikte toestemmend.
"Nu dan, Becky, wij moeten hier blijven, omdat hier water voorhanden
is; want dit kleine stukje is ons laatste eindje kaars."
Becky barstte in tranen en weeklagen uit.
Tom deed zijn best on haar te troosten, doch zonder baat. Eindelijk
riep zij uit.
"Tom!"
"Wat is er, Becky?"
"Zou men ons missen en trachten op te sporen?"
"Ja, zeker."
"Zou men nog bezig zijn met zoeken?"
"Ik geloof het bepaald en ik hoop het."
"Wanneer zou men ons het eerst gemist hebben?"
"Toen zij naar de boot terugkeerden, denk ik."
"Tom, het kon wel zijn, dat het toen donker was;--zouden zij dan wel
opgemerkt hebben, dat wij er niet waren?
"Ik weet het niet. Maar in elk geval moet je moeder je gemist hebben,
zoodra zij te huis waren."
Een uitdrukking van schrik op Becky's gelaat bracht Tom tot bezinning
en hij zag, dat hij een misslag had begaan. Tom en Becky zouden
dien avond niet naar huis gegaan zijn. De kinderen spraken niet meer
en bleven zitten peinzen. Een nieuwe uitbarsting van droefheid van
Becky deed Tom zien, dat ook zij dacht aan 't geen er in zijne ziel
omging,--namelijk, dat de Zondagochtend al voorbij kon zijn, eer
mevrouw Thatcher tot de ontdekking kwam, dat Becky niet bij juffrouw
Harper was. De kinderen hielden de oogen strak op het stukje kaars
gevestigd en verbeidden met een kloppend hart, angstig het oogenblik,
waarop het zou wegsmelten en uitgaan. Zij zagen het pitje eindelijk
alleen staan; zij zagen de zwakke vlam rijzen en dalen, dalen en
rijzen en het dunne rookkolommetje klimmen; zij zagen een laatste
flikkering aan den top--en toen heerschte de vreeselijkste duisternis.
Hoe lang het duurde, eer Becky tot het bewustzijn kwam dat zij in
de armen van Tom lag te schreien, zou geen van beiden hebben kunnen
zeggen. Zij wisten alleen maar, dat zij beiden, na een schijnbaar
oneindig lang verloop van tijd, uit een soort van verdooving wakker
werden, on hun ellendig bestaan voor te zetten. Tom dacht dat het
Zondag, misschien ook Maandag was. Hij trachtte Becky aan het praten te
krijgen, doch zij was sprakeloos van verdriet en wanhoop. Om haar te
troosten zeide Tom, dat men hen stellig al lang gemist had en bepaald
nog aan het zoeken was. Hij zou nog eens roepen, want wellicht waren
er menschen in de nabijheid. En dat deed hij ook, maar de verwijderde
echo's herhaalden in de duisternis zijn geluid zoo akelig, dat hij
geen moed had nogmaals zijne stem te verheffen.
Weder gingen er uren voorbij en weder begon de honger de arme
gevangenen te kwellen. Gelukkig had Tom nog een stukje koek bewaard,
't welke zij verdeelden en opaten. Maar 't was alsof dit armzalig
mondjevol hen nog hongeriger maakte.
Op eens riep Tom uit:
"Stil! hoort gij niet wat?"
Beiden hielden den adem in en luisterden.
Daar klonk een geluid alsof er in de verte geroepen werd. Tom
beantwoordde dat geroep oogenblikkelijk en ging, Becky bij de hand
nemende, op den tast de gang door, in de richting van waar het geluid
gehoord was. Een oogenblik hield hij stil om nogmaals te luisteren
en weder klonk het geroep, ditmaal iets naderbij.
"Zij zijn het!" zeide Tom. "Zij komen! Ga maar mede; wij zijn nu op
den rechten weg."
De kinderen waren uitgelaten van vreugde. Toch liepen zij behoedzaam
voort, want valputten waren geen ongewoon verschijnsel in de grot en
daarvoor moest gewaakt worden. Zij hadden dan ook nog niet lang hun
weg vervolgd of zij moesten stilhouden. Het gat waarvoor zij stonden
kon drie, maar ook honderd voet diep zijn. Aan verder gaan was geen
denken. Tom ging op zijn buik liggen en reikte naar beneden zoo ver
hij kon, doch voelde geen bodem. Hier moesten zij dus blijven wachten,
totdat er hulp komen zou. Weer luisterden zij scherp; het verwijderd
geluid werd blijkbaar zwakker; nog een oogenblik en alles was weder
doodstil.
Welk eene bittere teleurstelling! Tom schreeuwde zich heesch, doch
tevergeefs. Toch bleef hij Becky moed inspreken. Nogmaals ging er
eene eeuwigheid van angstig wachten voorbij, zonder dat het geroep
herhaald werd.
De kinderen slopen naar de bron terug. Langzaam kropen de uren
voort en zij vielen weer in slaap, on uitgehongerd en rampzalig te
ontwaken. Naar Toms gissing moest het thans Dinsdag wezen. Daar viel
hem iets in. In hun buurt waren eenige zijgangen. Zou het niet beter
zijn deze te onderzoeken, dan werkeloos te blijven zitten wachten? Hij
haalde een vliegertouw uit den zak, maakte dat aan een vooruitstekend
rotsblok vast en ging verder, en Becky kwam achter hem aan, terwijl hij
het touw loswond, naarmate zij voortslopen. Twintig stappen verder liep
de gang op een viersprong uit. Tom legde zich op de knieën en kroop op
handen en voeten voort, totdat hij een der hoeken om was. Hij deed eene
poging om het nog een eind verder te brengen; en op datzelfde oogenblik
kwam achter een rots, op geen twintig pas afstands, eene menschenhand
te voorschijn, die eene kaars vasthield. Tom slaakte een kreet van
vreugde en onmiddellijk daarop werd de hand gevolgd door het lichaam,
waaraan zij toebehoorde--en dat was van Injun Joe! Verlamd van schrik
bleef Tom als aan den grond vastgenageld staan. Een oogenblik later
echter werd hij gerustgesteld, daar hij den Spanjaard zag wegloopen
en uit het gezicht verdwijnen. Tom verbaasde zich, dat Injun Joe
zijne stem niet had herkend en niet naar hem was toegekomen on hem te
vermoorden, wegens zijn getuigen voor het Gerechtshof. Doch de echo's,
zoo dacht hij, hadden zeker zijne stem onkenbaar gemaakt. Toch trilde
elke spier van zijn lichaam en hij nam zich voor om, als hij kracht
genoeg had, naar de bron terug te keeren, daar te blijven, en zich
door niets te laten verleiden nogmaals het gevaar te loopen van Injun
Joe te ontmoeten. Zorgvuldig hield hij zijn wedervaren voor Becky
verborgen en vertelde haar, dat hij op goed geluk af geschreeuwd had.
Doch honger en ellende kregen ten laatste de overhand over angst en
vrees. Nog eenige lange uren wachtens aan de bron en nog eenige uren
slapens brachten eene verandering teweeg. De kinderen werden met
een woedenden honger wakker. Tom verbeeldde zich dat het Woensdag
of Donderdag, ja, misschien Vrijdag of Zaterdag was en dat men
het zoeken had opgegeven. Hij voelde zich bereid Injun Joe en alle
andere vreeselijkheden te trotseeren. Maar Becky was in een treurige
onverschilligheid vervallen, waaruit Tom vruchteloos trachtte haar op
te wekken. Zij zeide, dat zij wilde blijven waar zij nu was, on daar
te sterven;--de dood zou zeker niet lang meer uitblijven. Tom mocht,
als hij wilde, met het vliegertouw gaan zoeken, doch zij smeekte
hem, nu en dan eens terug te komen, on haar een woord toe te spreken
en zij liet hem beloven, dat wanneer de vreeselijke ure kwam, hij
aan hare zijde zou staan en hare hand zou vasthouden, totdat alles
voorbij was. Tom kuste haar, met een gevoel in zijne keel alsof
deze werd toegeknepen, en vertelde haar, dat hij er zeker van was,
òf de zoekenden òf een uitweg uit de grot te zullen vinden. Daarop
nam hij het vliegertouw in de hand en sloop, flauw van den honger
en beklemd door een vreeselijk voorgevoel van den naderenden dood,
op handen en voeten door een der gangen voort.