Het eerste wat Tom Vrijdagochtend hoorde was een heerlijke tijding: de
familie Thatcher was den vorigen avond in de stad teruggekomen. Beiden
Injun Joe en de schat werden voor het oogenblik van ondergeschikt
belang en Becky nam de voornaamste plaats in het hart van den knaap
in. Hij kwam haar tegen en zij hadden een oneindig genot met elkaar
in het spelen van "verstoppertje" en "slootje springen." De dag
eindigde op een bijzonder prettige wijs. Becky smeekte hare moeder,
den volgenden dag voor de lang beloofde en lang uitgestelde pic-nic
vast te stellen, en deze stemde toe. De vreugde der kleine kende geen
palen en Tom was niet minder uitgelaten. Voor zonsondergang waren de
uitnoodigingen rondgezonden en onmiddellijk daarop was de jeugd van
St. Petersburg in eene koortsachtige opgewondenheid over de pret,
die haar te wachten stond. Tom kon niet slapen van pleizier en hij
leefde in de hoop Huck te hooren "miauwen" en zijn schat te krijgen,
om daarmede Becky en de pic-nickers den volgenden dag in verbazing
te brengen. Maar hij werd teleurgesteld. Er kwam dien nacht geen
teeken. Eindelijk daagde de morgen en tusschen tien en elf uren
vereenigde zich ten huize van den heer Thatcher een hoop dartele,
stoeiende jongens en meisjes en was alles tot vertrekken gereed.
Het was toenmaals de gewoonte niet van bejaarde lieden, om
buitenpartijen door hunne tegenwoordigheid te bederven. De kinderen
werden veilig geacht onder de vleugelen van een paar jonge dames van
achttien en van een paar jonge heeren van drie- of vier en twintig
jaren.
De oude stoomboot was voor de gelegenheid afgehuurd, en toen al de
genoodigden bijeen waren, stapte de vroolijke troep, met manden vol
proviand, door de hoofdstraat naar de rivier. Sid was ongesteld en
liep het pretje mis, en Marie bleef bij hem te huis. Bij het afscheid
nemen zeide mevrouw Thatcher tot Becky:
"Je zult wel wat laat tehuis komen. Misschien was het wel beter
dat je bij een van de meisjes bleeft slapen, die het dichtst bij de
kade woont."
"Dan zal ik maar bij Suze Harper blijven, mama."
"Goed, maar gedraag je behoorlijk en wees niet lastig."
Onder de wandeling zeide Tom tot Becky:
"Hoor eens: ik zal je vertellen wat wij zullen doen. In plaats van naar
de Harpers te gaan, zullen wij den heuvel beklimmen en in het huis
van de weduwe Douglas overnachten. Zij zal wel room-ijs hebben. Zij
heeft het bijna elken dag, bij massa's, ja, bij hoopen! En zij zal
blij zijn, als zij ons ziet."
"O, dat zal grappig zijn!" riep Becky uit. Doch een oogenblik later
hernam zij:
"Maar wat zal mama zeggen?"
"Hoe zal zij het te weten komen?"
Het meisje overdacht de zaak nog eens en zeide aarzelend:
"Ik geloof, dat het verkeerd is, maar...."
"Och, kom, het is geen lor waard! Je moeder zal het niet te weten
komen. En wat steekt er in? Al wat zij verlangt, is dat je op een
veilige plaats zult zijn, en ik wed dat, indien zij er aan gedacht
had, ze je geraden zou hebben naar de weduwe te gaan. Ja, ik weet
dat zij dat gedaan zou hebben!"
Het heerlijke gastvrije dak der weduwe Douglas was een verleidelijk
lokaas. Het bleef dan ook, met Toms overredingen, overwinnaar. Er werd
derhalve besloten niemand iets van het programma voor den nacht mede
te deelen. Opeens schoot Tom te binnen, dat Huck dien nacht wel eens
kon komen, om het teeken te geven. Deze gedachte bracht een gevoeligen
schok aan zijne blijde verwachtingen. Toch kon hij er niet toe komen
het pretje bij de weduwe Douglas er aan te geven. En waarom zou hij
dat doen? Het teeken was den vorigen nacht niet gekomen. Waarom zou
het dan juist dezen nacht gebeuren? De zekere pret van dezen avond
woog nog zwaarder dan de onzekere schat; en als een echte jongen
besloot hij aan den sterksten lust toe te geven en zich op te leggen,
dien dag niet meer aan de geldkist te denken.
Drie mijlen voorbij de stad werd de boot bij een boschrijk dal ter
reede gelegd. Het gezelschap verdrong zich naar den oever en weldra
weerklonken de wouden en rotsige hoogten wijd en zijd van het gejubel
der kinderen. Alle middelen om moede en bezweet te worden werden in
praktijk gebracht, totdat men zich eindelijk bij het kamp verzamelde en
met flinken eetlust gewapend, op de medegebrachte proviand aanviel. Na
den maaltijd ging men over tot een verkwikkend rust- en praatuurtje
onder de schaduw der breedgetakte eiken. Na een wijle jubelde eene
stem:
"Wie gaat er mede naar de grot?"
"Iedereen!" Dadelijk werden er pakken met waskaarsen voor den dag
gehaald en onmiddellijk daarop werd de heuvel beklommen. De ingang
der grot lag aan de helling van den berg en was kenbaar aan eene
opening in den vorm van de letter A. De zware eikenhouten deur
stond open. Door deze kwam men in een klein kamertje, kil als een
ijskelder en door de natuur met stevige, vochtige kalksteenen muren
omringd. Het was hoogst belangwekkend en geheimzinnig om daar in de
diepe duisternis te staan en dan het gezicht te hebben op de groene,
door de zon beschenen vallei. Doch de indruk van dit tooneel werd
spoedig vergeten en het stoeien hervat. Zoodra er een kaars werd
aangestoken, werd de bezitter aangevallen, 't geen een worsteling
en dappere verdediging ten gevolge had. Maar de kaars was spoedig op
den grond geworpen en uitgeblazen, waarop een luid gejuich ontstond
en eene nieuwe vervolging. Doch aan alle lofzangen komt een einde
en de stoet rukte op naar den hoofdtoegang, terwijl de flikkerende
kaarsen de reusachtige rotsgewelven, waar deze zich zestig voet boven
het hoofd aaneensloten, flauw te zien gaven. De hoofdtoegang zelf was
ten hoogste acht of tien voet breed. Bij elke trede werden nieuwe en
engere rotsspleten ontdekt. De grot van Mc. Douglas was dan ook een
doolhof van gangen, die in het oneindige in en uit elkander liepen
en nergens heen leidden. Men vertelde, dat men dagen en nachten door
dit labyrinth van spleten en gangen kon dwalen, zonder den uitgang
der grot te vinden, en dat, naarmate men dieper naar beneden ging,
het onveranderlijk hetzelfde bleef: doolhof onder doolhof en alle
zonder einde. Niemand kende de grot geheel, dit behoorde tot de
onmogelijkheden. De meeste jongelieden hadden er een gedeelde van
gezien en het was niet gebruikelijk zich ooit verder dat dit bekend
terrein te wagen. Tom Sawyer wist al evenveel van de spelonk als
iedereen.
De stoet bewoog zich omstreeks drie kwartier langs den hoofdgang voort
en langzamerhand begonnen enkele paren in zijgangen weg te sluipen,
door donkere gaanderijen te kruipen en elkaar bij verrassing te
overvallen, op punten waar de gangen weder in elkander liepen. Een
paar slaagden er in zich een half uur te verstoppen, zonder van het
bezochte grondgebied te zijn afgeweken.
Van lieverlede kwam de eene groep na de andere, jubelend, hijgende naar
adem, van het hoofd tot de voeten met afgedropen kaarsvet besmeerd
en uitgelaten van de pret, terug. Zij waren verbaasd te bemerken,
dat zij aan tijd noch ruimte gedacht hadden en dat de avond viel. De
bel der stoomboot had reeds een half uur haar schel geklingel doen
hooren, doch, 't was zoo heerlijk, zoo romantisch den dag op deze
wijs te besluiten. En toen de boot met hare luidruchtige bemanning
van wal stak, was de kapitein de eenige, die er geen schik in had,
dat het reeds zoo laat was geworden.
Huck stond op zijn post, toen de lichten der veerboot langs de kade
flikkerden. Hij hoorde geen gerucht aan boord, want de jongeluidjes
waren vreedzaam en stil, zooals doodmoede lieden gewoonlijk zijn. Hij
was wel verlangend te weten, welke boot dit zijn kon en waarom
zij niet aan de kade aanlegde,--maar zijne gedachten bepaalden
zich niet lang bij dit onderwerp, en hij was weldra geheel in zijn
eigen aangelegenheden verdiept. De nacht werd donker en de lucht was
bewolkt. Het werd gaandeweg tien uren en alle geraas van rijtuigen
en voetstappen hield op; de schaarsche lichten werden al flauwer;
de nog op straat slenterende voetgangers verdwenen en de stad ging
de nachtrust in en liet den kleinen waker met de eenzaamheid en de
spoken alleen.
Het sloeg elf uren en de lichten in de herberg werden uitgedaan en
nu heerschte er duisternis alom.
Huck wachtte, naar het hem toescheen, een eindeloos langen tijd,
doch er gebeurde niets. Zijn vertrouwen begon te wankelen. Was het
de moeite waard? Was het werkelijk de moeite waard? Waarom zou hij
het niet opgeven en naar bed gaan?
Plotseling vernam zijn oor een geluid. In een oogenblik
was hij geheel aandacht. De deur in het steegje werd zachtjes
dichtgedaan. Onmiddellijk kroop hij in een hoek bij den kalkoven. Het
volgende oogenblik slopen twee mannen langs hem heen, van wie de een
iets onder zijn arm scheen te dragen. Het moest de kist zijn! Zij
gingen dus den schat verplaatsen! Waarom zou hij Tom nu roepen? Het
zou een dwaasheid wezen!--De mannen zouden met de kist wegloopen en zij
zou nooit gevonden worden. Neen, hij zou blijven waken en hen volgen;
hij zou zich aan de duisternis toevertrouwen, als een waarborg tegen
ontdekking. Deze dingen bij zich zelven overleggende, sloop hij stil
voort en kroop voorzichtig als een kat, blootsvoets achter de mannen
aan, terwijl hij hen zoover voor zich uit liet gaan dat hij hen nog
juist in het gezicht had.
Zij slopen de op de rivier uitloopende straat door en sloegen toen
links af, eene zijstraat in. Daarna gingen zij rechtuit, totdat
zij aan het pad kwamen, dat naar Cardiff Hill leidde. Dit werd
ingeslagen en zij stapten al maar voort, tot nabij het huis van den
ouden boschwachter, dat halverwege den heuvel gelegen was.
"Goed," dacht Huck, "zij zullen den schat in de oude steengroeve
begraven." Maar zij hielden niet eens bij de steengroeve stil. Zij
gingen door naar den top. Toen kozen zij een zijpaadje tusschen de
groote sumakboomen en waren op eens in de duisternis verdwenen. Huck
versnelde zijn pas en liet minder ruimte tusschen hen en zich zelven;
zij konden hem thans immers onmogelijk zien. Hij draafde een poosje,
ging toen weder wat langzamer; uit vrees van te ver te zullen, loopen,
liep zachtjes weer een eindje door en hield toen stil. Hij luisterde,
geen geluid, behalve het gebons van zijn eigen hart. Daar werd op
eens over den heuvel het zuchten van een uil vernomen.
Onheilspellend geluid! Maar geen voetstappen. Hemel! was alles
verloren? Hij was op het punt met gevleugelde voeten weg te snellen,
toen hij, geen vier pas van zich af, een man hoorde hoesten. Het
hart schoot den knaap in de keel, doch hij bekwam weder. Toch beefde
hij, alsof hem een dozijn koortsen op het lijf werden gejaagd, en
hij stond zoo wankel op zijne beenen, dat hij bepaald dacht op den
grond te zullen vallen. Hij wist waar hij was. Het was hem bekend,
dat hij zich op vijf treden afstand bevond van het hek, dat hem naar
de landerijen van de weduwe Douglas bracht.
"Heel goed," dacht hij, "laten zij den schat hier begraven dan zal
hij niet moeilijk te vinden zijn."
Thans werd er een zachte, zeer zachte stem gehoord;--het was die van
Injun Joe.
"Godv....! zij heeft zeker gezelschap: er is nog licht aan, zoo laat
als het is."
"Ik zie geen lichten."
Dit was de stem van dien vreemdeling,--den vreemdeling uit het
spookhuis. Een ijskoude rilling voor Huck door de leden. Dus dit was de
dag der wrake! Zijne eerste gedachte was te vluchten. Toen schoot hem
te binnen, dat de weduwe Douglas meer dan eens vriendelijk geweest was
en het kon zijn, dat deze mannen plan hadden haar te vermoorden. Hij
zou zoo gaarne moed gehad hebben om haar te waarschuwen, maar hij
wist dat hij het niet durfde;--zij mochten hem eens beetpakken.
Hij overdacht dit alles en meer nog in het oogenblik, dat verliep
tusschen de opmerking van den vreemdeling en het antwoord van Injun
Joe, hetwelk aldus luidde:
"Omdat het kreupelhout je in den weg staat. Kom dezen kant uit.--Zie
je het nu?"
"Ja, zeker, er zijn menschen. Ik geloof dat het beter is, het op
te geven."
"Opgeven? Juist nu ik dit land voor altijd ga verlaten! Het
opgeven,--om nooit weer een kans te krijgen. Ik zeg je nog eens,
wat ik je al meer gezegd heb, dat ik niets om den buit geef;--dien
mag jij hebben. Maar haar man heeft mij gemeen behandeld--en meer
dan eens, en vooral daarin dat hij, die vrederechter was, mij als
een vagebond in de gevangenis heeft gezet. En dat niet alles. Dat is
niet het millioenste deel. Hij heeft mij laten geeselen!--geeselen,
vlak voor de gevangenis, als een neger, terwijl de geheele stad er
naar stond te kijken. Geeselen, versta je het? Hij is mij voor geweest
en is gestorven. Maar zij zal er voor boeten."
"Och, vermoord haar niet! Doe het niet!"
"Vermoorden? Wie spreekt van vermoorden? Ik zou hem vermoorden,
als hij hier was; maar haar niet. Wanneer men zich op eene vrouw
wreekt, vermoordt men haar niet:--ba! maar men berooft haar van hare
schoonheden. Men snijdt haar de neusgaten in tweeën;--men kerft haar
de ooren als een varken!"
"Bij God, dat is..."
"Houd je gevoelens voor je, dat is je geraden! Ik zal haar aan haar
bed vastbinden. Als zij doodbloedt, kan ik het helpen? Ik zal er mij
niet naar over maken. Vriendje, je zult mij in dit zaakje helpen--om
mij te pleizieren; daarvoor ben je hier,--want 't kan zijn, dat ik het
niet alleen af kan. Als je weifelt ben je een man des doods! Versta je
dat? En indien ik jou doodmaak, is zij er ook om koud--en dan geloof
ik niet dat iemand ooit veel van deze zaak zal te weten komen."
"Wel, als het dan moet, laat ons er dan aan beginnen. Hoe eer hoe
beter;--ik beef als een riet!"
"Het nu doen?--En er is gezelschap! Kijk eens hier: zorg, dat ik je
niet ga mistrouwen! Neen,--wij zullen wachten, totdat de lichten uit
zijn. Het heeft geen haast."
Huck voelde, dat er een oogenblik van stilzwijgen zou volgen--en dat
was nog vreeselijker dan het moorddadig gesprek. Daarom hield hij
zijn adem in, deed omzichtig een stap achteruit, zette behoedzaam
zijn voet stevig neer, na heel gevaarlijk op één been te hebben staan
balanceeren en bijkans gevallen te zijn, eerst den eenen kant uit en
toen den anderen. Hij deed met dezelfde moeite en hetzelfde gevaar nog
een stap achteruit; toen nog een en nog een.--Daar brak een tak onder
zijn voet! Hij hield zijn adem in en luisterde. Hij vernam geen geluid;
het was volmaakt stil. Zijne dankbaarheid kende geen palen. Nu kwam
hij in het sumakboschje;--daar wendde en keerde hij zich voorzichtig
als een laveerend schip en stapte vervolgens haastig, maar behoedzaam
voort. Toen hij de steengroeve voorbij was, achtte hij zich veilig
en zette het op een loopen. Hij ijlde al maar voort, totdat hij het
huis van den ouden boschwachter had bereikt. Daar klopte hij aan de
deur en weldra werden de hoofden van den ouden man en van zijn beide
forschgespierde zonen voor de ramen zichtbaar.
"Wat een rumoer daar? Wie klopt er? Wat moet je?"
"Laat mij binnen--en gauw ook. Ik zal alles vertellen."
"Wat? Wie ben je?"
"Huckleberry Finn. Gauw, laat mij binnen!"
"Huckleberry Finn, waarachtig! 't Is geen naam, waarvoor zich vele
deuren openen, geloof ik. Maar laat hem binnen, jongens, en laat ons
zien wat er te doen is."
"Zeg het, als je blieft, nooit, dat ik je het verteld heb," waren
Hucks eerste woorden, toen hij binnentrad. "Doe het als je blieft
niet;--ik zal zeker vermoord worden; maar de weduwe is zoo goed voor
mij geweest, en ik moet het zeggen;--ik zal het vertellen, als je
mij belooft, dat je nooit zult zeggen dat ik het was."
"Bij den Hemel, hij heeft iets te vertellen, of hij zou zoo niet
spreken!" riep de oude man uit. "Voor den dag er mee, en niemand zal
het verklappen."
Tien minuten later beklommen de oude man en zijne zonen, behoorlijk
gewapend, den heuvel en stapten op hun teenen het pad der sumakboomen
in. Huck vergezelde hen niet verder; hij verborg zich achter een
rotsblok en luisterde.
Er volgden eenige oogenblikken van lange, akelige stilte. Plotseling
werd er een geknal van vuurwapenen gehoord en een gil.
Huck wachtte niet om eenige bijzonderheden te vernemen, maar ijlde
zoo spoedig, als zijne beenen hem dragen konden, den heuvel af.