De maandagmorgen vond Tom diep ellendig. Dat deed elke maandagmorgen,
omdat dan weder het slepend lijden van zes dagen schoolgaan
volgde. Gewoonlijk begon hij dien dag met den wensch, dat er toch
geene tusschenbeide komende vacantiedagen mochten zijn, daar deze
den gang naar de boeien en de slavernij nog hatelijker maakten.
Tom lag te denken, en het verlangen kwam bij hem op dat hij ziek
mocht worden, opdat hij tehuis kon blijven. Zou dat onmogelijk
zijn? Hij voelde overal of er ook een plekje zeer deed, maar alles
was gezond. Toch meende hij verschijnselen van buikpijn te ontdekken
en dadelijk werden alle zeilen bijgezet on die ongesteldheid te
bevorderen. Maar helaas! zij verminderde ras en verdween allengs geheel
en al. Hij pijnsde verder. Een van de boventanden zat los. Dat was een
buitenkansje. Juist wilde hij uit al zijn macht gaan kreunen, toen het
hem in de gedachten schoot, dat, wanneer hij met die smart voor den
dag kwam tante den tand zou uittrekken en dat pijn zou doen. Daarna
besloot hij voor het tegenwoordige den tand als noodschot te bewaren
en verder te zoeken. Eerst deed zich niets op, doch daar herinnerde
hij zich, den dokter te hebben hooren spreken over eene ziekte,
waarbij een patiënt twee of drie weken te bed moest liggen en die
somtijds eindigde met iets wat hij het koudvuur genoemd had. Toms
groote teen had hem zeer gedaan; misschien kon dat wat geven. Gretig
trok hij dien dan ook onder de dekens uit en hield hem in de hoogte,
on hem te onderzoeken. Ofschoon hij de verschijnselen van de kwaal
niet kende, dacht hij dat het toch wel de moeite waard was het eens
te wagen en begon bitter te steunen.
Maar Sid sliep door.
Tom steunde harder en verbeelde zich, dat hij werkelijk pijn begon
te gevoelen.
Sid bleef onbeweeglijk liggen.
Tom ging met de uiterste inspanning aan het beven en trillen. Hij
hield zijn adem in, blies zich op en bracht eene reeks van uitmuntend
nagebootste zuchten voor den dag.
Sid snorkte door.
Tom was ten einde raad. Ten laatste riep hij uit: "Sid, Sid!" en
schudde zijn stiefbroeder uit alle macht.
Dit hielp en Tom hervatte zijn steunen. Sid gaapte, rekte zich uit,
verhief zich snorkend op zijn elleboog en begon Tom aan te staren. Tom
steunde al door, totdat Sid riep:
"Tom! zeg eens.... Tom!"
Geen antwoord.
"Och Tom! Tom! wat scheelt er aan, Tom?" En hij greep hem bij den
arm en zag hem angstig aan.