De directeur van de bank, Christensen, naderde het slot van zijn
toespraak; hij wisselde een blik met Professor Lövdahl, terwijl hij
zich van zijn presidentsplaats vooroverboog naar zijn medebestuursleden
en zijn stem dempte tot een vertrouwelijken, familiaren toon.
"Maar hoewel in dit alles nu geenszins een direct gevaar ligt voor de
toekomst van de fabriek, moeten we toch nauwkeurig acht geven op alle
omstandigheden, die schadelijk of voordeelig kunnen werken en over
't geheel, naar ons beste vermogen trachten de belangen van onze
medeaandeelhouders te behartigen. En daar nu de prijzen van velen
van onze voornaamste produkten ontegenzeggelijk neiging tot dalen
vertoonen, moeten we naar mijn overtuiging al onze aandacht richten
op het verminderen van onze exploitatiekosten.
Dat kan op twee manieren gebeuren, òf doordat we tijdelijk enkele
takken van ons bedrijf neerleggen en vrij wat arbeiders ontslaan òf
door alle uitgaven voor administratie en loonen zooveel mogelijk in
te korten."
"Ik voor mij zou zeer weinig geneigd zijn met een beperking van ons
bedrijf mee te gaan," antwoordde Professor Lövdahl, "evenzeer ter
wille van onze brave arbeiders, als om een andere reden en wel deze:
dat ik de bezwaren van onzen geachten president in het geheel niet
deel. Ik wil gaarne toegeven, dat de aanleg zelf wat kostbaar was,
dat verscheiden uitgaven, die in 't eerst noodig waren, nog moeten
blijven bestaan, en meer dergelijke zaken. Maar ik twijfel er geen
oogenblik aan, of Fortuna, wanneer de zaak met kennis van zaken en
verstandige zuinigheid bestuurd wordt, zal blijken, zooal niet een
goudmijn--dan toch een goede zaak voor de aandeelhouders te zijn,
zooals ze nu al een zegen voor de stad is."
Nu was de afspraak, dat consul With op dit oogenblik een vrij
groote verlaging van 't honorarium van den chef--Mordtmann--zou
voorstellen. Maar voor hij aan het woord komen kon, stond de jonge chef
op; hij was uitdrukkelijk voor deze bestuursvergadering uitgenoodigd.
"Mijne Heeren," begon Michal Mordtmann vrij en ongedwongen. "Het
verheugt mij in zekeren zin, dat de verhandelingen vandaag deze
richting genomen hebben; want dat maakt het nog gemakkelijker iets te
zeggen, wat ik op het hart heb. Ik heb zelf met zorg het dalen der
prijzen in het buitenland gevolgd; en zonder mij daar verder al te
veel door te laten verontrusten, heb ik toch ingezien, dat nu en voor
de naaste toekomst alle mogelijke besparingen van het allergrootste
belang zijn. Ik heb dus eens rondgezien--in alle hoeken en gaten of er
niet hier en daar iets overtolligs zou zijn, iets wat men zou kunnen
missen, een post, die men uitsparen kon. En eindelijk heb ik werkelijk
iets overtolligs gevonden, iets wat ik geloof, dat de fabriek nu goed
missen kan en dat is... mijne Heeren,--ja, dat ben ik zelf."
De heeren directeuren zetten groote oogen op; maar hij ging vriendelijk
en glimlachend voort:
"Zoo noodig als ik wel durf zeggen, dat ik was bij het aanleggen van
de fabriek, even overbodig ben ik nu, nadat zij geheel in werking is
gekomen, de arbeiders geoefend, het kantoorpersoneel geroutineerd,
en vooral nu er een directie is, bestaande uit de meest deskundige en
voornaamste mannen van zaken uit de stad. Ik heb er daarom al lang
over gedacht u voor te stellen mijn post te schrappen. Een groot
gedeelte van de loopende zaken zouden kunnen overgelaten worden aan
onzen vertegenwoordiger Marcussen en overigens zou de fabriek door
de geëerde directie zelf bestuurd kunnen worden. Maar ik heb er wat
tegen op gezien, met dit voorstel voor den dag te komen; ten eerste
omdat er toch misschien wat zelfbeheersching noodig is om je eigen
overbodigheid in te zien; en dan kan ik niet ontkennen--dat spreekt
trouwens van zelf--dat ik slechts ongaarne van deze fabriek afscheid
neem, die me lief geworden is, en van het aangenaam samenwerken
met u, mijne Heeren." Op deze woorden volgde een pauze. Consul With
verheugde zich over de gelukkige wending, die de zaak nam, en keek
glimlachend Professor Lövdahl aan; maar de bankdirecteur Christensen
wreef zijn groote neus en verborg met de vingers zijn oogen, terwijl
hij wantrouwend en van ter zijde naar Mordtmann zag.
't Was eigenlijk Professor Lövdahl, die een samenzwering in de directie
tot stand had gebracht, om--zoo mogelijk--Mordtmann weg te krijgen;
en nu ging hij vrijwillig, bij den eersten wenk. Daar moest iets
achter steken.
"Ik, als president, kan 't er niet meê eens zijn--ten minste niet
zonder nader motiveering meê eens zijn,--dat de heer Mordtmann als
directeur plotseling overbodig zou geworden zijn. Er zou in ieder
geval eenige tijd moeten verloopen..."
"Pardon, Mijnheer de president!--maar ik wilde om persoonlijke redenen,
juist aan de geëerde directie verzoeken mij toe te staan reeds met
Kerstmis af te treden."
"Met Kerstmis al!"... De president keek nog bedenkelijker.
"Wij willen natuurlijk maar noode zulk een bekwaam directeur laten
gaan; maar als Mijnheer Mordtmann 't zelf wenscht, dan..."
De professor zette de toespraak van Consul With voort: "dan hebben wij
waarlijk alle reden om hem hierin zooveel mogelijk tegemoet te komen,
hoezeer we ook betreuren..."
"Maar hebben de heeren wel aan het meerder werk en de groote
verantwoordelijkheid voor ons gedacht, wanneer de directeur nu
plotseling aftreedt?" vroeg Christensen. "Wat mij betreft, ik durf
in dat geval mijn plaats als president niet langer bekleeden. Dat
wordt mij te veel. Ik ben niet sterk," en half verscholen achter zijn
groote witte hand, die hij over zijn gezicht liet glijden, sloeg hij
nauwkeurig de anderen gade--overtuigd, dat zij allen als gewoonlijk
zouden verzekeren, dat hij onmisbaar was.
Maar Professor Lövdahl voorkwam de anderen door eenigszins droog
te zeggen:
"Als het om het welzijn van onze fabriek gaat, neem ik aan, dat wij
allen ons met genoegen tot het uiterste zullen inspannen."
De bankdirecteur Christensen aarzelde. Hij was tot nu toe
algemeen erkend als de eerste in den kleinen kring van mannen,
die directeuren, bestuurders, vertegenwoordigers van alle mogelijke
zaken in de stad waren. 't Was zijn lust en zijn leven vergaderingen
te houden, besluiten te redigeeren en zijn eigen zware stem te hooren
voortrollen door de vergaderlokalen met welgevormde, edele en verheven
zinnen. Maar bovendien bezat hij een onuitsprekelijke fijne snuif
in handelszaken. Zijn groote zachte neus kon als 't ware een slechte
zaak op grooten afstand ruiken; en nadat hij nog eens ter sluiks een
blik op Mordtmann geworpen had, nam hij zijn besluit en zei:
"Ik heb geen overdreven voorstellingen van mijn eigen beteekenis
als president; maar daar de post mij nu te moeilijk worden zal,
wil ik de heeren verzoeken, een ander te kiezen op de eerstkomende
Algemeene Vergadering."
Een ontevreden, afwijzend gemompel werd om de tafel gehoord, maar
Christensen ging voort: "Ja, ja,--laat het zoo blijven, Heeren. Mijn
gezondheid is, zooals u weet, niet zoo heel sterk; en de steeds
toenemende ontwikkeling van de stad legt immers op velerlei wijzen
beslag op... de meer op den voorgrond staande burgers. Bovendien moet
ik eerlijk bekennen, dat ik geen deskundige ben..."
"Kom... Mijnheer Christensen"--riepen velen glimlachend.
"Neen, neen. Ik meen het in ernst; er is--ronduit gezegd--eigenlijk
maar één onder ons, die al die scheikunde begrijpt, en dat is Professor
Lövdahl. Als hij genegen is de plaats als president over te nemen,
dan twijfel ik er niet aan of de Algemeene Vergadering zal dit met
acclamatie aannemen."
"De Heeren weten zeker allen wel, dat ik meer voor het
wetenschappelijke dan voor het mercantile voel," begon de professor,
"en in 't begin trad ik eigenlijk alleen tot de directie toe om een
onderneming, waarvan men geluk en zegen voor onze stad verwachten kon,
aan den gang te brengen.
Maar later is 't me zoo gegaan, dat ik deze fabriek steeds liever
gekregen heb; en als die nu te lijden zal hebben van slechte tijden,
wil ik er mijn ouden rug gaarne onder zetten: maar Heeren--die rug
is oud. Ik kan niet als Mijnheer Mordtmann in drie stappen van de
fabriek naar de stad komen..."
"Natuurlijk! men zou den president een assistent moeten geven--"
"Pardon,--'t is niet mijn bedoeling om indiscreet te wezen," zei Michal
Mordtmann; "maar zooals we weten, heeft de professor een zoon, die
onlangs met glans zijn examen in de rechten heeft gedaan. Zou zulk een
post niet heel geschikt en aangenaam zijn voor een jongen candidaat--om
meê te beginnen? De juridische kennis--ik kan u verzekeren, dat die
in velerlei gevallen van groot belang voor onze zaak wezen zou."
Professor Lövdahl kwam in de war. Voor de tweede keer doorzag die
Mordtmann zijn geheimste gedachten; juist zóó had hij den uitslag van
de zaak gewenscht; maar hij was voorbereid op veel kleine intrigues,
om het doel te bereiken. En nu werd hem dit alles aangebracht in een
oogenblik en juist door den man, dien hij ten val had willen brengen.
Want nu werd snel en bijna zonder debat aangenomen aan de Algemeene
Vergadering deze veranderingen voor te stellen. De post als directeur
in zijn vroegeren vorm wordt opgeheven. De directie zelf met Professor
Lövdahl als president neemt het bestuur van de fabriek over. Aan
den president wordt toegestaan een assistent te kiezen voor wien het
traktement door de Algemeene Vergadering zal worden vastgesteld.
Toen zij op straat gekomen waren, nam consul With den arm van den
professor en feliciteerde hem lachend met dien gelukkigen uitslag.
"Maar kun je begrijpen wat Mordtmann bezielde? Wij hadden ons
voorgesteld, dat hij zich met handen en voeten aan zijn baantje zou
vastklampen. Hij moet gemerkt hebben, dat de stemming al te veel
tegen hem was."
"Misschien heeft hij dat wel," antwoordde de professor verstrooid;
maar toen hij afscheid van den consul genomen had, bleef hij op 't
kleine plein voor zijn huis staan en zag uit over de haven, waar de
rookende schoorsteenen van Fortuna zich tegen den hemel afteekenden. De
menschen, die voorbijgingen, groetten de statige figuur eerbiedig,
zooals hij daar stond, geleund op zijn kostbaren donker bruinen
stok--met uitgesneden ivoren knop, een geschenk van zijn collega's
aan de universiteit. Hij groette terug zonder ze te zien, want hij
dacht aan het pas gebeurde met Mordtmann. Carsten Lövdahl had dien
man altijd gehaat, en daardoor was hij er toe gekomen Fortuna en haar
directeur nauwlettend te controleeren; voortdurend ging hij Mordtmann
na,--nooit op een wijze, die persoonlijke bitterheid verraadde;
maar alleen als een conscientieus directeur.
Eindelijk had hij het zoo ver gebracht, dat een partij in de directie
tegen den directeur gestemd was; de een vond hem te kostbaar, een
ander hield niet van hem en de goedige consul With ging met zijn
vriend, den professor, meê.
En nu opeens--vrijwillig--glimlachend gaf Mordtmann alles op en
ging heen.
Niet zóó had de professor zijn doel willen bereiken: de ander had
verdrongen, verworpen, vernederd moeten worden!
Maar nu was hij dan toch weg, en dat was de hoofdzaak. 't Meerdere
werk en de grooter verantwoording verontrustten Carsten Lövdahl niet
bizonder. Hij had werkelijk in deze jaren lust gekregen om dat groote
veelzijdige werk te besturen. Het ging zoo goed en gaf aan zoo velen
werk. En hij brandde van verlangen te toonen hoe heel anders en veel
beter 't zou gaan zonder dien kwast--Mordtmann.
En 't meest verheugde hij zich als hij er aan dacht, dat Abraham zijn
assistent zou worden. Het jonge paar zou boven wonen; er zou leven en
vroolijkheid in huis komen, en de vele bittere herinneringen zouden
in de hoeken worden gedrongen en verdwijnen.
Maar de bankdirecteur Christensen was in zijn eigen kantoor blijven
zitten, waar de vergadering gehouden was--nog steeds onzeker en
wantrouwend.
Wat zou zijn vrouw zeggen als ze te weten kwam, dat hij zijn
presidentsplaats had opgegeven en dat nog wel voor Professor Lövdahl,
die eigenlijk niet in den kring thuis hoorde! Want zij wilde, dat hij
de eerste, absoluut de eerste wezen zou in de stad, en dat was hij tot
nu toe geweest. 't Zou de noodige scènes geven. En toch... toch had
hij er geen berouw van. Hij vertrouwde op zijn neus, die hem nog nooit
bedrogen had. Er moest iets aan de lucht zijn. Mordtmann was niet de
man, die zoo'n positie zonder reden opgaf; hij was een slimme snaak,
en zijn vader Isaak Mordtmann en Co. in Bergen was nog slimmer; zij
hoorden niet tot de ratten, die 't schip verlieten vóór er gevaar was.
Dus vatte hij moed en besloot te dragen wat gedragen moest worden,
want zelfs niet al kon het hem redden, wilde hij tegenover zijn
vrouw den minsten twijfel uiten over Fortuna; daarvoor had hij te
veel aandeelen en zij te veel vriendinnen.
Michal Mordtmann schreef denzelfden dag aan zijn vader:
"'t Ging gladder dan een van ons zich had voorgesteld. Ik nam een
toevallige ontstemming in de directievergadering te baat,--u kunt
wel begrijpen van wien die kwam--en eer iemand het wist, was ik
van alles af. En daar ben ik heel blij om, hoewel ik--in elk geval
voorloopig--zonder betrekking ben; maar ik denk wel, dat u wat voor
mij vinden zult. Wat de fabriek zelf betreft,--ik ben het volkomen
eens met wat u in uw brief van den 18den schreef."
Zoo kwam het, dat Professor Lövdahl in nader contact kwam met de
handelswereld in de stad, die hij tot nu toe had trachten te vermijden.
Maar Fortuna nam meer en meer zijn belangstelling in, naarmate het
werk en 't groote bedrijf hem helderder werd. Hij las buitenlandsche
werken en tijdschriften, veranderde en verbeterde, en maakte groote
plannen voor nieuwe bedrijfsvormen en kostbare machines.
Zijn praktijk als dokter was niet groot en die beperkte zich
langzamerhand tot eenige goede oude huizen, waar hij bleef komen
als huisvriend.
Daarentegen werden zijn wachtkamer en studeerkamer meer en meer in
kantoren veranderd; er kwam een penningmeester en een jong mensch
om boodschappen in de stad en naar de fabriek te doen; en agenten en
makelaars begonnen er te komen als op een gewoon koopmanskantoor. Op
een dag gelukte het een indringerigen korenagent, half onder scherts,
een lading rogge aan Carsten Lövdahl te verkoopen; 't schip lag in
Dantzig te laden.
De professor was in spanning--in een spanning, die voor hem geheel
nieuw was; hij ergerde er zich eigenlijk over; maar de rogge steeg.
En toen hij ten slotte 3000 kronen zuivere winst voor zich op zijn
lessenaar liggen zag, toen voelde Carsten Lövdahl een geheel nieuw
en eigenaardig welbehagen.
Als volwassen man was hij altijd rijk geweest door 't groote vermogen
van zijn vrouw; maar van zijn jeugd af zat hem de openlijke verachting
voor "kooplui" en 't heimelijke respect van ambtenaarsfamilies voor
geld in het bloed. 't Vermogen van zijn vrouw had hij verstandig
en voorzichtig beheerd, blij met het welvaren, dat het geld bracht;
maar zonder het directe gevoel van de macht van 't geld en 't vele,
dat daarmeê te bereiken is.
Maar dit geld, dat daar voor hem op tafel lag, had iets heel
bizonders. Hij zelf had het in een oogenblik voortgebracht; hij
had macht zich nog meer te verschaffen. Voor 't eerst had hij dat
bedwelmend gevoel, dat in zijn handen een kracht berustte, die als
een natuurmacht menschen opheffen en neerbuigen kon. En terwijl hij
over de banknoten streek, tintelden zijn vingers en hij vond zelfs,
dat het gekreukelde papier een aangenamen geur had.
Toen Abraham thuis kwam, vond hij dus zijn vader als verjongd en
ijverig bezig in een groot bewegen van verschillende ondernemingen,
ofschoon Fortuna nog als de voornaamste genoemd werd.
Hij kreeg zijn vaste plaats aan een nieuwen lessenaar en ging aan
't werk--gelukkig en vol moed.