KORTE OPHELDERINGEN BIJ DE RIDDERS VAN ARISTOFANES.

Vs. 15 Parodie van Euripides.

Vs. 17 Ongeveer "Ik heb geen lef in mijn donder."

Vs. 19 Toespeling op Euripides' moeder, die groentevrouw was.

Vs. 31 Parodie van een onbekend dichter.

Vs. 42 Démos Pyknítes, Démos van de Pnyx (heuvel waar het volk

vergaderde).

Vs. 51 Drie obolen = ongeveer een kwartje, was de bezoldiging

der rechters.

Vs. 55 Poging om de Grieksche woordspelingen terug te

geven. Demosthenes herinnert aan zijne verdiensten bij Pylos.

Vs. 107 Zware roode wijn, afkomstig van den berg Pramnos op het

eiland Ikaros.

Vs. 123 Bakis, beroemde oude waarzegger.

Vs. 159 Parodie van een onbekend (tragisch) dichter, zooals

ontelbare malen bij Aristofanes.

Vs. 197 vgl. Parodie op den ouderwetschen epischen vorm en stijl

der orakels.

Vs. 215 Woordspeling van démos = volk, en demós = vet. (Verschil

van klemtoon).

Vs. 230 Een klassieke plaats voor de politiek en de

schouwburgtoestanden in Athene.

Vs. 237 Dadelijk bij zijn eerste optreden komt de Paphlagoniër

(Kléon) met verzonnen beschuldigingen, als een echte sykofant.

Vs. 242 Simon en Panaetios, aanvoerders van de ridders, overigens

onbekend.

Vs. 254 Eukrates, volksleider, door A. bespot.

Vs. 265 De tekst is hier (en elders) jammerlijk bedorven, ik

tracht er een zin aan te geven.

Vs. 279 Woordspeling, in plaats van scheepsmateriaal levert die

kerel (zegt de Pa.) soepmateriaal aan den vijand der Atheners.

Vs. 321 Plaatsje bij Athene. "Vóórdat ik ver buiten Athene was,

waren reeds mijn gekochte zolen onbruikbaar."

Vs. 327 De zoon van Hippodamos, Archeptolemos, aristokraten te

Athene, geestverwanten van A. en vijanden van Kléon en de

demokratie.

Vs. 347-350 Nog tegenwoordig van toepassing op vele "demokratische"

sprekers en leiders.

Vs. 355-358 Toespelingen op Pylos en den Peloponnesischen oorlog.

Vs. 361 Een duistere politieke toespeling.

Vs. 375 vlg. Demosthenes stelt voor een proef met hem te nemen,

zooals men varkens behandelt.

Vs. 392 "hij sneed riemen van anderman's leêr," met het oog op

Kléon's bedrijf als leerlooier.

Vs. 394 Dit slaat op de te Athene gevangen Spartanen van het

eiland Sfakteria.

Vs. 400-401 Misschien toespelingen op den dichter Kratinos als

dronkaard; Morsimos wordt vaak als slecht tragisch dichter

bespot.

Vs. 407 Dit is eene voor ons duistere toespeling, zooals vaak

bij A.

Vs. 433 "uitvaren" is dubbelzinnig. Ook de Gr. tekst slaat op

wind en zeevaart.

Vs. 448 vlg. Altemaal woordspelingen, die in het Ned. moeielijk

zijn weer te geven.

Vs. 462 Kléon spreekt in timmermanstaal, om zich populair te maken.

Vs. 475 vlg. Alles parodie op het gemeene verklikkerige karakter

van Kléon.

Vs. 511 Typhon, een mythologisch ondier, waarmede A. Kléon

vereenzelvigt.

Vs. 529-530 Aanhalingen uit een blijspel van Kratinos (Cratinus,

bij Horatius), met Eupolis en Aristofanes de grootste

blijspeldichter.

Vs. 534 Kónnos, beroemd citherspeler, doodarm gestorven.

Vs. 537 Krátes, ook een bekend kluchtspelschrijver.

Vs. 563 Phormion, een populair Atheensch admiraal.

Vs. 566 het kleed = de péplos, plechtig aan Athene gebracht in

den optocht der Panathenaeën.

Vs. 579-580 Met andere woorden, dat de ridders, zoodra de vrede

gesloten is, weer als van ouds toilet kunnen maken, en als

menschen van stand voor den dag kunnen komen.

Vs. 595 vlg. Het ridderkoor verhoogt het komisch effekt, door een

loflied op de paarden, als een soort van stand. Al de nu

volgende verzen slaan op een plundertocht, door Nikias met

behulp van Atheensche ridders ondernomen, wier paarden in

speciaal daarvoor ingerichte transportschepen waren

overgebracht. De woordspelingen en toespelingen in vs.

600-610 gaan echter meestal voor ons verloren.

Vs. 615 Nicobulus = Winraad, vgl. Thrasybulus = Koenraad.

Vs. 641 "het traliewerk," waardoor de leden van den raad en van de

rechtbanken van het publiek werden afgesloten. De

worsthandelaar of beulingventer paradeert hier met zijn

onbeschaamdheid. De geheele passage, vs. 624-682, is een

uitmuntende parodie van een Atheensche raadszitting.

Vs. 697 in het Gr. den "móthoon" dansen = een plompe onfatsoenlijke

dans = ongeveer een "negerdans," een "cake-walk."

Vs. 728 Een soort oogstkrans, een twijg, voor de huisdeur

opgehangen, als goed voorteeken.

Vs. 744 De worsthandelaar overtreft Kléon telkens, door plattere

voorbeelden en grootere gemeenheid.

Vs. 762 Voorbeeld, aan een zeeslag ontleend.

Vs. 765 Drie beruchte sujetten te Athene.

Vs. 786 Harmodios (en Aristogiton), moordenaars van den tiran

Hipparchos, als martelaars der vrijheid te Athene vereerd.

Vs. 794 Archeptólemos, vgl. vs. 327.

Vs. 813 Parodie op den Telephos van Euripides.

Vs. 877 Kléon snoeft dat hij een zekeren Gryttos, een homosexueel,

zijn burgerschapsrechten had doen ontnemen.

Vs. 895 Silphium, laserpitium, was een duur stimulans, bij

gerechten gebruikt, en bewerkte diarrhee, enz. Vandaar ook de

woordspeling in vs. 899.

Vs. 901 Die Roodkop = Kléon.

Vs. 927 vlg. Kléon wordt voorgesteld als een lekkerbek, die van

smulpartijtjes naar de volksvergadering loopt.

Vs. 948 "je zegelring." De slaaf die voor het huishouden zorgde

(tamias), had den zegelring van zijn heer, en alles achter

slot en grendel.

Vs. 954 Woordspeling van demós = vet, en démos = volk,

(vgl. vs. 215.)

Vs. 958 Kleónymos, de Grieksche Falstaff, steeds door A. bespot.

Vs. 969 Toespeling op een politiek proces uit dien tijd (?)

Vs. 979 Toespeling op een soort winkel in de havenstad Piraeus, die

ik met een toespeling op onze "dertigcentbazaars" tracht weer

te geven.

Vs. 984 Met z'n lepel en z'n stamper (dingen in een keuken

onmisbaar) werkt Kléon in de staatskeuken, in de

staatshuishouding.

Vs. 985-95 Een poging om de Gr. woordspelingen van het oorspronk.

eenigszins terug te geven.

Vs. 1003 Bakis (en Glanis), (vgl. vs. 123.)

Vs. 1040 Toespeling op het beroemde orakel, dat de Atheners

ontvingen voor de aankomst van Xerxes.

Vs. 1059 Woordspelingen met Pylos, in Messenië, het tooneel van Kléons

heldendaden. Pylos beteekent "poort." Ook vs. 1060 bevat in

het Gr. een woordspeling, die in het Ned. verloren gaat. Maar

zelfs in den oorspr. tekst zijn hier alle toespelingen niet

duidelijk.

Vs. 1069 Philóstratos, berucht koppelaar te Athene.

Vs. 1077 Toespeling daarop dat de soldij der Attische soldaten

niet geregeld werd uitbetaald.

Vs. 1080-85 Een reeks van woordspelingen op toen aktueele feiten

en personen.

Vs. 1103 Theophanes, waarschijnl. een handlanger van Kléon.

Vs. 1118 Woordelijk: "Uw verstand, o volk, is aanwezig, en toch

op reis."

Vs. 1121 vlg. Deze beurtzang is de scherpste satire op de

demokratie, die ooit geschreven werd.

Vs. 1169 Het kolossale beeld van Athene in het Parthenon, door

Phidias uit ivoor en goud gemaakt.

Vs. 1172 "Pylosstrijdster," enz. Al deze namen der godin Athene

zijn parodistisch gebruikt.

Vs. 1189 Woordspeling met den bijnaam van Athene, als Pallos

Tritogeneia.

Vs. 1206 d. i. ik word in onbeschaamdheid overvleugeld.

Vs. 1225 Parodie van een onbekend treurspeldichter.

Vs. 1236 Volgens de uitleggers een plaats waar men geslachte

varkens de borstels afzengde.

Vs. 1245-46 Op de markt verkoopen was fatsoenlijker dan vóór

de poort.

Vs. 1256 Phanos, particulier secretaris van Kléon?

Vs. 1257 Agorákritos, kan als meneer "Markttwist," of zoo iets,

worden vertaald.

Vs. 1263 "Praat"eners zijn de Atheners in de oudheid geweest,

en zijn het nu nog.

Vs. 1264 vgl. Spotternij tegen bekende Atheensche sujetten.

Vs. 1274 vlg. De dichter geeselt hier alweer bekende en beruchte

Atheensche sujetten.

Vs. 1291 Kleónymos, vgl. vs. 958.

Vs. 1301 vlg. Parodie op den lompenkoopman Hypérbolos, steeds door

A. bespot, een verloopen demokraat, die een tocht tegen

Karthago schijnt te hebben ondernomen.

Vs. 1324 "viooltjesbekranst" uit een beroemd loflied van Pindaros

op Athene ontleend.

Vs. 1331 De krekel (cicade) werd door de Atheners gedragen, als

zinnebeeld van hun oud geslacht, en als autochthonen (in het land

zelf geborenen).

Vs. 1332 Slakken, kleine slakjes bezigden de rechters bij het

stemmen. Dit vers beteekent dus "hij riekt niet meer naar

processen."

Vs. 1362 Hypérbolos, vlg. vs. 1301.

Vs. 1372 Kleónymos wordt hier en elders als lafaard, als

"schildwegwerper" bespot.

Vs. 1374 A. bespot telkens de "heertjes" van zijn tijd. De volgende

verzen parodieeren de gemaniereerde taal van die "viveurs."

Vs. 1389 vlg. De woordspeling gaat hier verloren, omdat het Gr. woord

"plengoffer" en "wapenstilstand" beteekent. Het Atheensche

volk had recht op wapenstilstand sedert 445 v. C., maar Kléon

had door zijn oorlogszuchtig optreden als het ware dien

wapenstilstand weggestopt.

Vs. 1408 De vreemdelingen, die voor de Dionysos-feesten naar

Athene kwamen, moeten de bestraffing van Kléon bijwonen.

De Ridders · 第 36 / 36 题