Worstverkooper.
Hier worden met "vosjes" de soldaten wis bedoeld,
Omdat ze druiven knabblen in 't vijandlijk land.
Volk.
Goed!
Maar zeg mij eens, hoe komen die vossen aan hun loon?
Worstverkooper.
Daar zorg ik voor, drie dagen vooruit geef ik hun vast.
Hoor dit orakel nog aan: "Apoll" beveelt u Cyllene
"Streng te vermijden, opdat het u niet door list moge vangen."
Volk.
Wat voor Cyllene?
Worstverkooper.
Hier wordt vast z'n hand bedoeld,
"Stil leenen" meent hij, als hij stil z'n hand ophoudt.
Paphlagoniër.
Dat is niet juist, want met Cyllene bedoelde Apollo
Zeker de lamme hand van den wichelaar Diopeithes.
Maar ook ik heb een spreuk, een gevleugeld woord, voor u bij mij,
Dat gij een adelaar wordt, en geheel onze aard zult beheerschen.
Worstverkooper.
Ik heb nog meer: ook de Roode Zee, niet alleen onze aarde,
Dat gij tot in Ecbatana recht zult spreken en smullen.
Paphlagoniër.
Maar ik zag in mijn droom dat de godheid zelf was verschenen,
En met een schenkkan over het volk heil strooide en welvaart.
Worstverkooper.
Ik zag meer in mijn droom, want ik zag godinne Athene,
Die uit haar tempel trad, wijl een uil op haar hoofd was gezeten,
En toen plengde zij duidelijk uit hare flesch op uw voorhoofd
Ambrozijn, maar pekel en knoflook goot z' op het zijne.
Volk.
Hoera, hoera!
De beste orakels zijn van Glanis, dat staat vast!
En ik vertrouw mij aan ùw zorgen, beste vriend,
Voer jij het oudje, en geef opnieuw hem onderwijs!
Paphlagoniër.
Nog niet, ik smeek je! wacht nog eventjes, totdat
Ik jou je haver en je dagelijksch brood verschaf.
Volk.
Van haver wil ik niet hooren, ik ben veel te lang
Door jou bedrogen, en ook door Theophanes.
Paphlagoniër.
Ik zal je brood verschaffen, netjes voorgekauwd.
Worstverkooper.
Ik lekkere broodjes, die je niet te bijten hebt,
En gebraden eten: eten is voortaan je heele taak.
Volk.
Vooruit, een beetje gauw dan, wie van beiden nu
Ik vinden zal dat mij het meest heeft wèlgedaan,
Dien geef ik de teugels van de volksvergadering.
Paphlagoniër.
Ik ga het eerst naar binnen.
Worstverkooper.
Neen, niet jij, maar ik!
(Hij stoot hem terug. Beiden af)
Koor.
O Volk! hoe is toch uw rijk
Zoo schoon en grootsch tegelijk,
Daar ieder u vreest, in 't slijk
Zich werpt voor uw voeten.
Want licht ontvlambaar zijt gij,
Verlekkerd op vleierij,
En tuk op bedriegerij
Van wie u ontmoeten!
Elk sprekertje gaapt gij aan,
Uw verstand schijnt op reis gegaan,
Nu duldt gij van elk voortaan
Slechts vleien en groeten!
Volk.
In uw kruin, uw harendom
Zweeft geene gedachte om,
Want ik houd m' opzettelijk dom,
Ben niet onverstandig!
Verheugd is steeds mijn gemoed,
Wanneer men als kind mij voedt,
Wanneer ik een gids ontmoet,
Die stelen kan, handig!
Doch als hij door euveldaân
Gevuld is en welbelaân,
Dan val ik hem plotsling aan,
En kwak hem lostandig!
Koor.
Dat noem ik een wijs beleid,
Ik zie dat gij waakzaam zijt,
En vol van scherpzinnigheid,
Trots grijzende jaren!
Want ik merk, gij speelt er mee,
En gij fokt hen op als vee,
Om ze voor de meeting gedwee
En vet te bewaren!
En als in uw keuken dan
Geen spijs meer verschijnen kan,
Dan slokt ge den vetsten man
Met huid en met haren!
Volk.
Is dat niet een slim bestaan,
De lieden die in hun waan
Mij vreeselijk foppen gaan,
Mij schijnbaar misleiden?
Hen ga ik voorzichtig na,
Voor hen voel ik geen genâ,
Zoodra als zij hun papa
Oplichten en mijden--
Dan betrap ik hen terstond,
Onderzoek hen met mijn sond',
En laat uit hun dievenmond
Het braaksel weer glijden!