(tot den Paphlagoniër).
Ik weet wel, hoe die dingen samengeklonken zijn,
Zij worden bedisseld ten bate van de gevangenen!
Tweede Slaaf.
Goed zoo! spreek jij van "smeden" als hij "spijkeren" zegt!
Worstverkooper.
De mannen van daar, die hameren mee aan 't zelfde slot.
Al biedt je mij nóg zooveel goud of zilvergeld,
Al stuur je je vrienden, toch verhinder je mij niet
Om dat bekend te maken aan 't Atheensche volk.
Paphlagoniër.
En ik zal daadlijk mij begeven naar den raad,
En daar vermelden hoe gij allen samenzweert,
En hoe gij 's nachts hier op den burg tezamenkomt,
En hoe gij aan den koning der Persen ons verraadt,
En--hoe j'ons kaas wilt geven uit Boeotië!
Worstverkooper.
Hoe duur zou wel die kaas zijn uit Boeotië?
Paphlagoniër.
Bij Herkules! 'k zal maken dat je onderligt!
(Af.)