DE RECHTSZITTING.

Een week na het bezoek van den grooten onbekende zat de bankier

sidderend en volslagen gebroken in de beklaagdenbank.

Hij had vreeselijke dagen achter den rug en geloofde niet meer, dat

Raffles zijn gelofte gestand zou doen. Hij was van meening, dat de

geniale werelddief hem nog door een truc de bekentenis van de door hem

begane misdaden wilde ontlokken.

Nu had hij in ’t geheel geen verdedigingsmiddel meer.

De president opende de zitting met een vernietigende kritiek op den

persoon van den beklaagde, en het publiek riep luide woorden van

afkeuring tot den vermeenden treindief.

Op de vraag, of hij zich schuldig voelde, antwoordde de beklaagde

niets.

Wat moest hij ook zeggen. Een uitweg was er niet meer.

„Gij bestrijdt”, vroeg de president nog eens, „dat gij de gezochte

treindief zijt?”

„Jawel”, antwoordde de beklaagde met zachte stem.

„Gij houdt uwe bewering staande, dat gij de in Londen woonachtige

bankier Felix Meijer-Wolf zijt?”

Een nieuw „Ja!” werd gehoord.

„Het zou beter voor u zijn, wanneer gij een openlijke bekentenis

aflegdet. Anders zouden wij geen verzachtende omstandigheden in acht

kunnen nemen.”

De bankier kromp ineen als een worm, waarop getrapt wordt.

„Is de getuige aanwezig, de werkelijke Felix Meijer-Wolf uit Londen,

dien deze man bestolen heeft?”

De gerechtsdienaren riepen den naam af, en telkens, wanneer de naam

weerklonk, wilde Felix Meijer-Wolf met een luid „Ja!” antwoorden.

Na lang zoeken op de gangen, keerden de gerechtsdienaren in de zaal

terug en meldden:

„De getuige is nog niet aangekomen.”

„Is de oproeping aan het juiste adres bezorgd geworden?” wendde de

president zich tot den griffier.

„Jawel”, antwoordde de toegesprokene, „we hebben van de post in Londen

een bericht van ontvang gekregen.”

Hij overhandigde den president het desbetreffend bewijs van de post.

De president las de bevestiging van de goede ontvangst op het

formulier, dat duidelijk geschreven luidde:

Felix Meijer-Wolf,

Londen, Oxfordstreet.

en zelfs het stempelafdruk van de firma droeg.

Met gefronste wenkbrauwen keek de president den beklaagde aan en zei:

„Hier is een nieuw bewijs tegen u. De door u beroofde persoon, die

helaas nog niet is aangekomen, heeft het formulier zelf onderteekend en

zijne handteekening door het firmastempel bekrachtigd.”

„Dat is onmogelijk!” schreeuwde de bankier.

„Overtuig u.”

De president overhandigde het formulier aan den verdediger, Signor

Carosi, en deze liet het aan zijn cliënt zien.

„Dat is mijn onderteekening niet”, riep de bankier uit, „ik schrijf

mijn naam anders. Geef mij een blad papier, pen en inkt, dan zal ik het

hooge Gerechtshof laten zien, hoe ik mijn naam schrijf.”

Een luid gelach steeg op uit het publiek.

Ook de rechters lachten.

„Dat geloof ik graag”, zei de president, „dat gij uw handteekening

anders zet dan de vertegenwoordiger van deze firma. Laat eindelijk de

waarheid recht wedervaren. Ik maan u hiertoe voor het laatst aan.”

De verdediger fluisterde zijn cliënt eenige woorden toe.

Het zweet liep den bankier in dikke droppels over het verhitte gelaat;

sidderend van angst dwaalden zijn oogen door de rechtszaal, alsof hij

nog op redding hoopte.

Al zijn ledematen begonnen te rillen.

Met zijn handen greep hij het ijzeren hek vast en begon met aarzelende

stem:

„Ik zie geen redding meer, hooggerechtshof. Ge zult een gerechtelijken

moord aan mij begaan. Een gerechtelijken moord! Doch om verzachtende

omstandigheden te verkrijgen, geef ik alles toe, wat gij mij ten laste

legt.

„Ik ben de gezochte treindief, ik ben niet Felix Meijer-Wolf—ik ben

alles, wat ge wilt. Sluit mij alleen niet te lang op!”

Het ernstige gelaat van den president plooide zich tot een welwillend

glimlachje.

Alleen de verdediger trommelde zenuwachtig met zijn vingers op de voor

hem staande schrijftafel.

Toen de beklaagde had uitgesproken, begon hij:

„Hoog Gerechtshof!

„Onder den indruk der overtuigende bewijzen, heeft mijn cliënt de

waarheid recht laten wedervaren. Ik ried hem trouwens aan, toen ik de

verdediging op mij nam, om zijn positie niet door leugens nog te

verergeren. In weerwil hiervan waag ik het, gesteund door de kennis van

het intieme leven van mijn cliënt, de clementie der rechters voor hem

in te roepen.

„De vader van mijn cliënt stierf aan delirium, zijn moeder overleed in

een Russisch krankzinnigengesticht.

„Hij zelf heeft jarenlang wegens een politieke misdaad achter de

Siberische kerkermuren moeten zuchten. Ook heeft hij, zooals ik door

ijverige nasporingen te weten kwam, steeds met voorliefde de rubriek

„Rechtszitting” in de couranten gevolgd.

„Mijne heeren! Heb medelijden met dezen ongelukkige!

„Zooals ge uit den inhoud zijner zakken hebt gezien, vond men bij hem

sensatielectuur van het laagste allooi, hetgeen ongetwijfeld, in

verband met het feit, dat hij ijverig courantenlezer is, wijst op

geestelijke minderwaardigheid.

„Als een in elkaar gezakt geraamte zit hij daar; als iemand, die met

het leven heeft afgedaan, vraagt de betreurenswaardige om menschelijke

erbarming. Laat hem niet boeten voor de zonden van zijn ouders, voor

den sensatielust der letterkundigen.

„Weest milde en rechtvaardige rechters!

„Dat is alles, wat ik ter verdediging van mijn cliënt heb te zeggen!”

Nu ging de rechter staan, plooide zijn lippen tot een ironisch lachje

en begon:

„Hoog Gerechtshof!

De beklaagde, een der gemeenste en meest verachtelijke sujetten,

die ik ooit in mijn practijk heb ontmoet, een geesel der

menschheid, een zwarte stip op den aardbol, een giftplant in den

bloementuin des levens, een misdadiger, voor wien niets heilig

is.”— — — —

Op dit oogenblik werd hij door tumult onderbroken.

De Engelsche consul stormde met een Engelschen beambte naar binnen en

riep:

„In naam van het Engelsche volk verzoek ik u, uw proces af te breken—

—de beklaagde is niet schuldig. Ik roep voor hem de bescherming der wet

in.

„Hij is, zooals ik door een telegram van den inspecteur van politie

Baxter in Londen en door een later telegram van den Engelschen gezant

in Rome vernam, inderdaad de heer Felix Meijer-Wolf uit Londen.”

Een geweldig lawaai klonk na deze woorden van de publieke tribune.

Alles raasde en schreeuwde door elkaar.

Het was de sensatie, waarop het publiek bij elk groot proces wacht.

Felix Meijer-Wolf echter had een gevoel, alsof hij in een luchtballon

zat, en door de lucht heen uit de gerechtszaal werd gebracht.

Eindelijk gelukte het den president met de gerechtsdienaren de orde te

herstellen.

De president nam de telegrammen in de hand, las ze door, reikte ze over

aan den rechter en officier, en nadat deze van den inhoud hadden kennis

genomen, stond de president op en zei:

„Er is geen twijfel aan, dat we ons bevinden in eene rechterlijke

dwaling.

„Voordat ik den beklaagde zijn vrijheid teruggeef, wensch ik de

volgende vraag tot hem te richten:

„Hoe komt gij er toe, Signor Meijer-Wolf, toe te geven, dat gij de

vermeende treindief zijt?”

„Mijnheer de president”, antwoordde de bankier, „wat moest ik doen? Gij

zeidet, dat ik het was!—Meneer de officier zei, dat ik het was!—Mijn

verdediger zei tot mij: Zeg, dat ge het zijt, dan zal ik een mildere

straf trachten te verkrijgen.

„Wat bleef mij nu anders over dan te zeggen:

„Ik ben niet Felix Meijer-Wolf uit Londen, maar datgene, wat gij

wenscht.”

De president hief de zitting op en verklaarde het proces voor

geëindigd.

Voor Felix Meijer-Wolf opende zich de deur der beklaagdenbank, en hij

was weer een vrij man.

Nu kwam de Engelsche consul naar hem toe, reikte hem de hand en sprak:

„Excuseer, heer bankier, maar de bewijzen waren zoo doorslaand, dat

iedereen aan uw onschuld moest twijfelen.

„Ik heb een bedrag ontvangen dat u in staat zal stellen, de terugreis

te aanvaarden. Men wacht u te Londen reeds in uw zaak.”

„Een bedrag aan geld? Van wien?”

„Van uw procuratiehouder, die immers eenige weken op reis is geweest.”

De bankier had geen procuratiehouder.

Hij haalde de schouders op en antwoordde:

„Ik houd er geen procuratiehouder op na.”

De consul, die nieuwe verwikkelingen vreesde en blij was, dat deze zaak

tot een goed einde was gekomen, sprak:

„Dat hindert niet! Keer terug naar Londen, de rest zal daar wel

opgehelderd worden. Maar in elk geval hebt gij dien man uw vrijheid te

danken.

„Hij heeft politie-inspecteur Baxter medegedeeld, dat gedurende uw

afwezigheid Raffles op uw kantoor is geweest.

„De onderteekening op het stuk, waarin men u als getuige opriep, was

vervalscht. Waarschijnlijk was het ook deze vervalscher, die u in den

trein heeft bestolen. De Engelsche gezant bevestigt den inhoud van het

telegram.”

Op dit oogenblik trad een telegrambesteller de gerechtszaal binnen en

overhandigde den president, die nog met de rechters, den advocaat en

den verdediger stond te praten, een telegram.

Dit luidde:

„Aan den president van het gerechtshof te Triënt, inzake het geval

van den bankier Felix Meijer-Wolf.

Opdat gij weet, wie, in plaats van den heer Felix Meijer-Wolf, de

spoorwegdief is geweest, zend ik u hierbij mijn adres,

John C. Raffles, Londen.”

„Wat een ongehoorde brutaliteit”, riepen de president en diens

collega’s, terwijl de verdediger lachte.—

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Een paar uur later zat Felix Meijer-Wolf in den spoortrein.

Hij had van de eerste gelegenheid gebruik gemaakt, om van Triënt naar

Parijs te gaan en vandaar naar Londen te vertrekken.

Op de stoomboot, waarop hij te Calais plaats nam, ontmoette hij

detective Marholm, die voor zaken op reis was geweest.

Met een vertrouwelijk glimlachje begroette de vloo den bankier en

sprak:

„Nu, gij zijt er niet zonder kleerscheuren afgekomen!”

Felix Meijer-Wolf begon onmiddellijk met de grofste scheldwoorden te

schimpen op Raffles en het noodlot.

„Het heeft u goed gedaan,” spotte Marholm, „gij zijt minstens 20 pond

afgevallen en spaart dit jaar de onkosten van een kuur te Karlsbad.”

„Wat zegt men in Londen van de geschiedenis?” vroeg de bankier, zonder

op de opmerking van den detective te antwoorden.

Marholm haalde de schouders op en sprak:

„Dat zult gij wel in de couranten lezen.”

Hij klopte Meijer-Wolf vertrouwelijk op den schouder en vroeg:

„Maar er blijft toch een duister punt bestaan in deze zaak, niet waar?”

„Wat voor een duister punt?”

„Nu—ik bedoel met dat halve millioen pond sterling, die Raffles van u

gestolen zou hebben.”

„Die heeft hij van mij gestolen.”

„Dat betwijfel ik niet. Maar hij heeft ze niet uit uw brandkast

gestolen, doch eerst in de coupé van den spoortrein. Of bezit gij soms

een millioen pond sterling?”

„Waarom kan ik niet een millioen pond sterling bezitten? Zijt gij soms

mijn procuratiehouder?”

„Dank u! Dan blijf ik liever die ik ben.”

„Houd uw hatelijkheden liever voor u!”

Bij die woorden stak bankier Meijer-Wolf een sigaar aan en keerde den

detective den rug toe.

De vloo nam plaats in een vouwstoeltje, kruiste de armen achter het

hoofd en keek peinzend in zee.

„Deze geschiedenis had ongetwijfeld een zwak punt”, mompelde hij bij

zichzelf.

„In de eerste plaats houdt Raffles zich bij voorkeur bezig met

schurken, tegenover wie wij machteloos staan. Hij zal er dus zijn

redenen wel voor hebben, waarom hij juist den bankier heeft

uitgekozen.”

Marholm was ervan overtuigd, dat deze man een veel grooter gauwdief was

dan Raffles en hij verheugde zich reeds op de ontmaskering van dezen

bedrieger.

Aan het ontbijt ontmoetten Marholm en Meijer-Wolf elkaar weer en de

bankier, die niet vermoedde, dat de detective hem een poets wilde

bakken, vertelde nogmaals uitvoerig zijn wederwaardigheden te Triënt en

door handige vragen te stellen, vernam de vloo alles, wat meldenswaard

was.

Het allerliefst zou hij Meijer-Wolf onmiddellijk in hechtenis hebben

genomen, daar het hem steeds duidelijker werd, dat de bankier het geld

zijner cliënten had verduisterd.

Maar hij wilde eerst met zijn chef, inspecteur van politie Baxter,

spreken.

In Londen namen de detective en de woekeraar met een

vriendschappelijken handdruk afscheid van elkaar.

Mr. Meijer-Wolf begreep het ironische „tot weerziens” niet, dat Marholm

hem toevoegde.—

Inspecteur Baxter verwachtte zijn detective reeds met ongeduld. Nadat

deze rapport had uitgebracht, deelde hij hem tegelijkertijd de

aangelegenheid Meijer-Wolf mede.

„Gij vermoedt dus inderdaad, detective Marholm, dat die man een schurk

is?”

„Ongetwijfeld”, antwoordde de vloo, „het bewijs kan ik leveren door den

spoorwegdiefstal.”

„Gij hebt gelijk”, antwoordde de inspecteur van politie, „gij begint

een waardig opvolger van mij te worden. Ik heb het altijd gezegd, dat

gij nog eens een flink bekwaam detective zult worden.

„Neem de vervolging der zaak verder alleen op u en houd mij voortdurend

op de hoogte.”— — —

Bankier Felix Meijer-Wolf was in zijn zaak teruggekeerd.

In zijn privaat kantoor vond hij een hem onbekend persoon over zijn

boeken gebogen aan het werk.

Op het eerste oogenblik week hij verschrikt achteruit en wilde reeds om

hulp roepen, toen de onbekende hem een wenk gaf om te zwijgen en sprak:

„Mij dunkt, dat wij elkaar kennen. Ik ben Raffles! Zooals wij overeen

zijn gekomen, zult gij nu door mijn toedoen een eerlijk Londensch

handelsman worden.

„Ik hoop, dat de les, die ik u heb gegeven, vruchten moge afwerpen.

„Ik heb een nieuw grootboek voor u aangelegd en er iets ingeschreven.

Lees!”

De bankier boog zich over de hem voorgelegde bladzijde en las:

„Eerlijk duurt het langst!”

En daaronder stond:

„John C. Raffles.”

De eerstvolgende dagen heerschte er in de bankierszaak van Felix

Meijer-Wolf een groote drukte.

De bankier had door een kort schrijven aan zijn klanten bekend gemaakt,

dat zij hun deposito’s konden terughalen, daar hij een firmant had

gekregen, die met hem de zaak weer in haar vollen omvang zou

voortzetten.

Deze bekendmaking lokte een stormloop der deposanten uit.

Ieder streek het reeds verloren gewaande geld op en Raffles zelf, die

nog steeds in de zaak was, hield toezicht op de uitbetaling.

De inspecteur van politie Baxter had een van zijn detectives van

Scotland Yard, namelijk Hamilton, opgedragen, deze zaak te onderzoeken

en tot hem gezegd:

„Gij moet u naar het bankierskantoor van Felix Meijer-Wolf in de

Oxfordstreet begeven en u overtuigen, van hetgeen daar thans geschiedt.

„Verricht uw nasporingen zoodanig, dat het zoo weinig mogelijk opvalt.”

De detective begaf zich naar de Oxfordstreet en liep verscheiden keeren

voorbij het gebouw, zonder opvallend te doen.

Daarna trad hij het gebouw binnen om naar eenige koersen te

informeeren. Hij merkte op, dat de bankier zich een vertegenwoordiger

moest hebben aangeschaft. Verscheiden klanten boden chèques, wissels of

andere papieren aan, waarvoor de man, dien de detective niet kende,

betaling gaf.

Opeens echter kreeg de beambte een hevigen schrik. De stem van den

vreemdeling kwam hem bekend voor.

Waar kon hij dien man eerder hebben ontmoet?

Terwijl hij daarover nadacht, reed hij per eerstvolgende tram naar

Scotland Yard terug.

Inspecteur van politie Baxter dacht om te zullen vallen toen hij het

bericht van den detective vernam.

„Is die man gek geworden?” vroeg hij. „Eerst wordt hem het ontstolen,

zooals hij beweert en dan betaalt hij het uit. Waar komt dat geld

vandaan?”

Hij besloot, zichzelf op de hoogte te gaan stellen.

Met Marholm te zamen begaf hij zich naar de Oxfordstreet.

Alvorens het gebouw binnen te treden, namen zij door een der ruiten den

onbekende op, die aan den kassierslessenaar zat.

Bijna tegelijkertijd riepen detective Marholm en inspecteur Baxter uit:

„Raffles!”

„Snel naar het naastbijzijnd politiebureau!” beval Baxter, „en maak

alarm. Er moeten zooveel mogelijk manschappen direct hierheen komen.

„Raffles drijft de bankierszaak van den heer Felix Meijer-Wolf. Ik zal

mij hier met twee politieagenten posteeren, opdat hij ons niet kan

ontsnappen.”

Toen detective Marholm wegging om het bevel van zijn chef uit te

voeren, zei hij tot zichzelf:

„Het zou mij werkelijk leed doen, wanneer Raffles, die hier blijkbaar

weer een goed werk heeft gedaan, in handen van Baxter zou vallen.

„Ik geloof, dat ik mij niets te verwijten heb, als ik Lord Lister een

kleine waarschuwing doe toekomen.”

Hij trad een sigarenwinkel binnen, kocht eenige sigaretten en vroeg

telefonische aansluiting met de bankierszaak van Felix Meijer-Wolf.

De bankier stond hem persoonlijk te woord.

„Pardon mijnheer”, antwoordde Marholm, „ik zou graag uw

vertegenwoordiger even willen spreken.”

Na verloop van een paar seconden hoorde hij de hem welbekende stem.

„Hallo! Wie daar?”

„Hier detective Marholm!”

„Het doet mij veel genoegen. Hoe gaat het u?”

„Dank u, heel goed, Lord. Ik ben juist op weg om een politiepost tegen

u mobiel te maken. Voor uw huis staat uw oude vriend, inspecteur

Baxter; gij hebt maar een paar minuten tijd! Houd daar rekening mee!”

„Ik dank u wel! Ik hoop, mij te kunnen revancheeren!” riep John Raffles

uit.

Daarop hing hij de telefoon aan den haak en de verbinding was

afgebroken.

Na kort beraad trok de groote onbekende zijn jas aan en zei tot den

bankier:

„Ik ga thans eten. Alle zaken zijn afgehandeld. Mocht, zooals gij mij

gisteren verteldet, iemand van de politie bij u komen, gooi hem dan de

deur uit, want uw zaken zijn zoo eerlijk en stipt mogelijk geregeld.

„Gij kunt uw in mijn plaats een anderen vertegenwoordiger nemen.

„Vergeet echter niet, dat ik uw boeken van tijd tot tijd zal inzien.

„Mocht ik ooit weer een oneerlijkheid ontdekken, dan verzeker ik u, dat

gij er voor zult boeten.”

Hij nam zijn hoed en overjas en verliet het bankierskantoor door de

deur, die naar de gang leidde.

Het huis had namelijk, wat de inspecteur van politie niet wist, een

uitgang door den tuin en een direct naar de straatzijde.

Alleen de bewoners bezaten den sleutel van de achterdeur.

Een uur later rukten veertig politieagenten in gesloten gelederen uit.

Het leek wel, of er een slag geleverd moest worden.

Aan het hoofd van deze strijdmacht, die de geheele straat versperde,

liep de inspecteur in eigen persoon, gevolgd door detective Marholm,

die een spottend lachje op zijn gelaat had.

Aldus stormden zij het bankierskantoor binnen.

„Wat wenscht gij?” riep de bankier.

„Waar is Raffles? Waar is uw vertegenwoordiger?”

„Wie?” schreeuwde bankier Meijer-Wolf, blijkbaar zeer verbaasd. „De

hemel moge mij behoeden. Raffles in mijn huis?”

„Zwijg!” beval de inspecteur van politie. „Hij moet hier zijn!”

Op dit oogenblik schelde de telefoon.

De bankier, die wilde toesnellen, werd door inspecteur Baxter

teruggeduwd.

„Gij hebt hier voorloopig niets te zeggen, voordat ik uw kantoor heb

verlaten.”

Daarop nam hij den hoorn in zijn hand en vroeg:

„Wie is daar?”

„Ah!” klonk het terug, „ik ken u, inspecteur van politie van Scotland

Yard, nietwaar?”

„Juist!” riep de aangesprokene, wien de stem in de telefoon zeer bekend

voorkwam. „Ik ben het persoonlijk.”

„Ik wou alleen maar even weten, of gij er waart, ik ben namelijk ergens

anders.”

„Wie zijt gij?” schreeuwde Baxter en keek naar de telefoon, alsof een

booze vijand voor hem stond.

„John Raffles!” klonk het met luid gelach terug.

Vol woede nam Baxter den telefoonhoorn en slingerde dien tegen den

muur.

„Gij zult hem moeten betalen!” raasde Felix Meijer-Wolf.

„Het is tevergeefs, lieden!” sprak de chef van Scotland Yard tot zijn

beambten! „Hij is alweer verdwenen.”

„Dat hadt gij toch wel direct kunnen denken,” lachte Marholm en klopte

zijn chef vertrouwelijk op den schouder, terwijl zij het

bankierskantoor verlieten.

Zoo had John Raffles weer eens geheel onzelfzuchtig een ongelukkige in

haar rechten hersteld, de zuur verdiende spaarduiten van kleine

zakenmenschen gered en een oneerlijk bankier gedwongen tot regelmatig

zaken doen.

Lord Lister No. 0040: De valsche spoorwegdief · 第 20 / 20 题