Terwijl Charly Brand dit dictaat vermenigvuldigde, nam de groote
onbekende de telefoon op en vroeg aansluiting met den heer Felix
Meijer-Wolf.
Na eenige seconden was deze aan de telefoon.
„Hier agent John Smith”, sprak Raffles door de telefoon, „ik ontving
hedenmorgen een brief van graaf Travesti uit Florence.”
„Wat wil de graaf?”
„Ik ken hem reeds verscheiden jaren en heb eenige zaken voor hem
afgedaan in Londen. Hij schreef mij, dat hij zich met u in verbinding
heeft gesteld wegens beleening van zijn wijnbergen. Hij laat u weten,
dat ik hem een andere firma moet aanbevelen, als gij geen haast met de
zaak maakt.”
„Ik heb hem immers geschreven, dat ik de zaak in orde zal maken.
„Misschien hebt gij gelezen, dat bij mij is ingebroken. Ik zou anders
morgen reeds naar Florence vertrokken zijn. Schrijf den graaf, dat ik
stellig Zaterdagavond op reis ga en Maandag te Florence zal zijn.”
„Is dat zeker?”
„Bepaald!”
„Allright!”
John Raffles hing de telefoon op en een tevreden glimlachje vloog over
zijn gelaat.
Twee uur later bezorgde hij persoonlijk met Charly Brand op een
postkantoor in een der voorsteden de brieven voor de redacties der
couranten.
Toen hij terugkeerde, sprak zijn vriend tot hem:
„Ik zal nog heden naar Florence reizen. Je kunt mij naar het station
brengen.”
Niemand had bij het vertrek den grooten onbekende in diens vermomming
herkend.
Hij had geheel het uiterlijk en den langen baard van een pas uit
Rusland aangekomen Jood.
Zelfs de vuile kaftan ontbrak niet en als Charly Brand niet had
geweten, dat het zijn vriend was, dien hij vergezelde, dan zou hij zich
gegeneerd hebben om ook maar een paar passen met hem af te leggen, daar
de voorbijgangers hem met spottende blikken nakeken.
Vier beambten van Scotland Yard stonden op het perron, toen Lord Lister
in een coupé derde klasse, die hem naar de haven zou brengen, stapte.
Ook zij spotten met den Russischen Jood in zijn lange kaftan.
Raffles zei Charly Brand vaarwel en toen hij de opmerkingen der
detectives hoorde, sprak hij:
„Die menschen hebben zeker niets beters te doen dan gekheid maken.
„Daar staan zij om John Raffles te vangen en zien het bosch niet door
de boomen.
„En die noemen zich detective! Het is meer dan prachtig!
„Wel, Charly, binnen een paar dagen krijg je bericht van mij.
„Denk eraan, morgen als agent John Smith den heer Felix Meijer-Wolf op
te bellen en ernaar te informeeren, of hij reeds is afgereisd.
„Dat moet je ook den volgenden dag doen en zoodra je bericht hebt, dat
hij is vertrokken, moet je mij telegrafeeren onder het adres Harry
Weber, hoofdtelegraafkantoor Florence: afgereisd.”
De beide vrienden wisselden nog een laatsten handdruk, daarop zette de
trein zich in beweging, waarin Raffles zat, die met een bruinen,
glimmenden, verbogen en ouderwetschen hoogen hoed uit het venster tot
afscheid zwaaide.
Toen Charly Brand het perron verliet, schreeuwde een courantenjongen
hem in de ooren:
„Nieuwste sensatiebericht! Een brief van den grooten onbekende!”
Charly Brand kocht een courant en las daarin het hem gedicteerde
artikel.
Te zelfder tijd las ook inspecteur Baxter het courantenartikel en vroeg
aan Marholm:
„Wat denkt gij hiervan?”
Deze las het artikel en antwoordde:
„Het zal de waarheid zijn. Ik heb tot dusverre nog nooit een leugen van
Raffles gehoord.”
„Maak u gereed”, sprak de inspecteur op ontevreden toon, „en breng den
bankier bij mij.”
Toen detective Marholm op het kantoor van den bankier kwam, had zich
daar een aantal opgewonden deposanten verzameld, welke dringend hun
geld verlangden.
De bankier stond zelf aan de kas, zwaaide met zijn armen door de lucht
en schreeuwde:
„Het is een leugen, wat Raffles schrijft. Hij wil zichzelf dekken en
mij totaal ruïneeren.”
Politieagenten moesten op bevel van detective Marholm de menschen naar
buiten jagen en de deur werd gesloten.
In weinig woorden deelde de detective mee, dat Meijer-Wolf hem naar
Scotland Yard moest volgen.
Om geen opzien te verwekken, verlieten zij het gebouw door een
achterdeur en bevonden zich een half uur later bij inspecteur Baxter.
„Wat hebt gij op dit artikel te antwoorden?” vroeg hij.
Bankier Meijer-Wolf hief bezwerend zijn handen op en riep uit:
„Mijn arm moge verlammen in mijn graf, als ik u onwaarheid vertel.
Alles, wat in dat artikel staat, is gelogen, er is geen woord waarheid
bij. Aan de galg moest hij, die hond, die schurk, die dief van een
Raffles!”
De beambte kwam, na nog eenige verdere vragen gedaan te hebben, tot de
overtuiging, dat hij feitelijk, hoewel Raffles waarschijnlijk waarheid
schreef, geen enkel bewijs had tegen den bankier en hij liet hem dus
gaan.
„Jammer”, mompelde hij, „die man moest eigenlijk noodig een paar jaar
achter de tralies!”
„Ook mijn arm moge in het graf verlammen, als hij niet een doortrapte
schurk is”, voegde de vloo eraan toe.
„Volgens de wet kunnen wij hem niets bewijzen”, antwoordde de
inspecteur van politie schouderophalend, „maar laat ons het verdere
verloop der zaak afwachten. Raffles zal het hier zeker niet bij laten.
Wij kennen hem immers.”
Detective Marholm lachte en antwoordde:
„Dat geloof ik ook.”