IN HET DUISTERE LONDEN.

Raffles moest zijn weg naar huis nemen door een tamelijk berucht

stadsgedeelte, bewoond door misdadigers en deernen, want hij had geen

rijtuig kunnen vinden.

Hier en daar liepen de paria’s der maatschappij langs hem heen.

Uit de brandewijnkroegen weerklonk woest gezang, de gillende kreten van

vrouwen en luid gelach.

Raffles lette niet op dit alles.

Hij kende deze wijk der stad.

Juist was hij een der kroegen voorbijgegaan, toen de deur open werd

getrokken en een jong meisje de straat opsnelde.

Met luide stem riep zij om hulp en daar Raffles vlak bij haar was,

snelde zij naar hem toe en klemde zich, smeekend om hulp, aan hem vast.

Uit de brandewijnkroeg snelde eenige kerels naar buiten en riepen:

„Daar is zij! Vervloekt, wij zullen haar bont en blauw slaan!”

En met woedend geschreeuw snelden de boeven het vluchtende meisje na.

(Zie titelblad.)

„Wat willen jelui, jongens?” vroeg Raffles, toen de vier kerels

naderkwamen en met fonkelende oogen naar hem keken.

De kerels hadden ruwe, verloopen gezichten, zooals de echte gemeene

Londensche misdadiger er uitziet.

Met een hoonlach namen zij een oogenblik den grooten onbekende op die

zijn rechterarm om het jonge meisje heensloeg en de linker liet

verdwijnen in den zak van zijn overjas.

„Laat mijn bruid los!” riep een der kerels.

„Ik ben zijn bruid niet,” riep het jonge meisje, „zij hebben mij

meegenomen en willen mij kwaad doen. Zij hebben mij bewusteloos gemaakt

en ik weet niet, waar ik ben!”

„Kanaille!” schreeuwde een der kerels, „snoer haar den mond, Jim!”

De aldus aangesprokene, dezelfde die het eerst met Raffles had gepraat,

haalde een dolkmes uit zijn broekzak, liet het openspringen en sprak:

„Als je dat meisje nu niet loslaat, stoot ik je een paar duim koud

staal tusschen je ribben. Denk daaraan!”

Raffles lachte.

Daarop haalde hij zijn rechterhand uit zijn zak te voorschijn en de

kerels zagen, dat hij daarin een browningpistool hield.

Hij hield hun dit wapen onder den neus.

„Als gij lust hebt om van mij een peperkorrel in je verbandkist te

krijgen, probeert dan maar of ge mij met uw mes kunt naderen.

„Gaat uit den weg, jongens, of ik schiet jelui neer als een hoop

musschen!”

Schuw als angstige honden trokken de kerels zich terug.

Raffles nam het sidderende jonge meisje en geleidde haar weg.

Verscheidene steenen werden hen nageworpen.

Hij lette er niet verder op.

Bij den hoek der volgende straat gelukte het hem, een toevallig

voorbijrijdend rijtuig te huren en hiermee liet hij zich en zijn

beschermelinge naar huis brengen.

Reeds in het rijtuig trachtte hij van het jonge meisje te vernemen, hoe

zij in deze ellendige kroeg was gekomen.

Zij vertelde hem een merkwaardige geschiedenis.

„Ik ben een wees en was tot voor korten tijd in een goed pension. Na

den dood van mijn moeder—mijn vader is reeds twee jaar geleden

gestorven—was er geen geld aanwezig om het instituut, waarin ik werd

opgevoed, te betalen.

„Ik moest dus een betrekking zoeken en las voor eenige dagen een

advertentie, waarin een familie in de Marshallstreet een jong meisje

van goede familie zoekt voor de kinderen.

„Daar ik slechts weinig geld bezat, besloot ik, er te voet heen te

gaan.

„Ik ben buiten opgevoed en ken Londen dus zeer weinig.

„Hier en daar vroeg ik politie-agenten naar den weg en hoopte op die

manier naar de Marshallstreet te komen.

„Plotseling bevond ik mij in dit stadsgedeelte.

„Verloopen kerels, zooals ik ze nog nooit had gezien, liepen mij

voorbij. Ik zocht overal naar den weg, maar vond dien niet.

„Nergens was een agent van politie te ontdekken.

„Ik wendde mij daarom tot een jongen man, gaf hem een geldstuk en

verzocht hem, mij naar de Marshallstreet te brengen.

„Hij verklaarde zich daartoe bereid, maar zei, dat hij eerst nog moest

eten, daar het een heel eind was en als ik wilde, kon ik even met hem

meegaan naar het restaurant, dat wel niet uitstekend, maar zeer

goedkoop was en waar men goed eten kreeg.

„Ik had honger van de verre wandeling en zonder eraan te denken, dat ik

mij misschien op gevaarlijk terrein begaf, volgde ik hem in een klein

lokaal, dat een walgelijken indruk op mij maakte.

„Brutale en opzichtig gekleede meisjes zaten met jonge mannen aan

tafeltjes, dronken en aten en spraken luid met elkaar. Mijn geleider

bracht mij naar een tafeltje, waaraan, volgens zijn bewering, eenige

vrienden van hem zaten.

„Toen bestelde hij eten en drinken.

„Ik deed hetzelfde en een half uur daarna gingen wij heen. De beide

vrienden gingen met ons mee.

„Zoo ging ik met de drie kerels door verschillende mij onbekende

straten, toen ik mij plotseling zeer vermoeid gevoelde.

„Tevergeefs trachtte ik deze vermoeidheid te overwinnen.

„Wat er verder met mij is gebeurd, weet ik niet. Toen ik weer tot

mijzelf kwam, lag ik in een vuile, smerige kelderruimte en had oude,

gescheurde kleeren aan.

„Op mijn geroep verscheen een oude, leelijke, weerzinwekkende vrouw,

noemde mij „duifje” en trachtte mij gerust te stellen.

„Ik zou mooie kleeren en een goede kamer hebben, als ik gehoorzaam was.

„Ik wist niet wat die vreeselijke vrouw van mij wilde, totdat een uur

geleden de kerels, die mij hadden meegevoerd, bij mij kwamen, mij het

lokaal binnensleepten en mij de afschuwelijkste dingen vertelden.

„Zij wilden mij dwingen, mij door een man, dien ik niet kende, te laten

omhelzen, waarvoor hij mij een shilling wilde geven. Ik scheurde mij

los, snelde de straat op en vond u.

„Mijn hemel, wat moet er nu van mij terecht komen!”

„Wees niet bezorgd, juffrouw. Gij zijt bij mij in veiligheid. Het is

misschien het allerbeste wat het toeval voor u had kunnen doen, dat gij

mij hebt ontmoet,” sprak de groote onbekende en opende het portier van

het rijtuig, dat juist voor de woning stilhield.

Charly Brand was zeer verbaasd, toen hij zijn vriend met het jonge

meisje de studeerkamer zag binnentreden.

Eerst nu, in het volle licht, zag Raffles welke fijne, voorname trekken

het jonge meisje had en hoe slank en goed verzorgd haar handen waren.

Hij gaf haar over aan de zorgen van de vrouw van zijn kamerdienaar,

zonder haar verdere vragen te stellen en beval deze, goed voor het

jonge meisje te zorgen.

Voordat hij zich ter ruste begaf, sprak hij tot Charly Brand:

„Dat was een eigenaardige nacht. Een inbraak, waaraan wij niets hebben

verdiend, diamanten, die ons niet toebehooren en een jong meisje dat

voor schande is gered.

„Voldoende stof voor een schrijver om er een geheelen roman van te

maken.”

Lord Lister No. 0040: De valsche spoorwegdief · 第 7 / 20 题