Men spreekt Duitsch, Russisch, Fransch en Italiaansch.”
De agenten van politie moesten wel gelooven, dat Raffles, die zich er
niet aan stoorde, dat zij zich zoo dichtbij het bankierskantoor
bevonden en die de deur van het kantoor vlak voor hun oogen opensloot,
dat hij de eigenaar der zaak was.
Toen de beide vrienden in de vestibule van het gebouw stonden, sprak
Charly Brand:
„Dat is de grootste brutaliteit, die ik ooit heb beleefd. Op nauwelijks
tien schreden afstands van de politie-agenten sluit jij de deur open.”
Zijn vriend lachte zachtjes.
„Mijn ouwe, beste Charly, jij blijft altijd dezelfde. Ik kon het niet
beter verlangen, dan de onmiddellijke nabijheid van die twee agenten,
toen wij hier binnentraden.
„Nu kan ik tenminste het electrische licht in het kantoor opdraaien en
behoef mij niet voor den patrouilleerenden beambte te verbergen.
„Die menschen bemoeien zich altijd alleen met dat, wat men voor hen
verborgen wil houden. Als voor hun oogen een moord werd gepleegd, dan
zouden zij den moordenaar naar een verkeerden kant naloopen.
„Dat klinkt wel een beetje vreemd en overdreven, maar zij hebben je
persoonlijk bewezen, dat het zoo is.
„Zij hebben gezien, dat ik de deur van het bankierskantoor opensloot en
dat nog wel op een tijd, waarop een zakenman niets op zijn bureau te
doen heeft.
„Maar zij zijn er vast van overtuigd, dat ik het volle recht heb, hier
binnen te gaan en dat zij er absoluut niets mee te maken hebben, wat ik
hier te zoeken heb.
„Morgen zullen zij er anders over denken, maar dat is mijn zaak niet.”
Intusschen traden zij het privé kantoor binnen van den heer Felix
Meijer-Wolf, dat voorzien was van prachtige antieke mahoniehouten
meubelen en waar zware Turksche tapijten lagen.
John Raffles keek om zich heen.
„De gauwdief heeft zich vorstelijk ingericht.”
„Gauwdief?” vroeg zijn vriend op verbaasden toon.
„Ja zeker, gauwdief!” herhaalde Raffles, „want de zaken, welke deze
mijnheer Felix Meijer-Wolf gedurende zijn tweejarig verblijf hier in
Londen drijft, zijn meer dan vies.
„Hij geeft bij voorkeur hypotheek op huizen en landerijen van Engelsche
en Iersche boeren.
„Hij geeft zulke hooge hypotheken, dat het den eigenaren moeilijk valt,
de rente op te brengen en hij sluit een contract met hen, dat hij hen,
zoodra zij achterstallig zijn met de betaling der rente, van hun
eigendom kan wegjagen.
„Mijnheer Felix Meijer-Wolf is op deze wijze de eigenaar geworden van
dozijnen Engelsche en Iersche boerderijen en moet, naar ik heb gehoord,
een groot vermogen daarmede hebben verworven.”
„Je kent de levensgeschiedenis van dien man tamelijk nauwkeurig. Hoe
kwam je dit alles te weten?”
„Eenige maanden geleden was ik bij een kennis van mij, barones
Emmerhouse, op het land.
„Op een wandelrit kwam ik toevallig op een boerderij waaruit juist de
heer Felix Meijer-Wolf den eigenaar en diens familie met hulp van den
deurwaarder had verjaagd.
„Ik heb toen gezien, hoe deze man optreedt en een inzameling gehouden
bij mijn kennissen, waardoor ik den boer kon redden uit de klauwen van
dien woekeraar.
„Een walgelijk sujet!
„Als ik aan dergelijke menschen denk, beginnen mijn vingers altijd te
jeuken en zou ik hem gaarne als een spin dooddrukken.
„Maar laat ons nu eens kijken, wat er zooal in het schrijfbureau van
den heer Meijer-Wolf is verborgen.”
John Raffles begon met een looper de sloten van de grootste lade te
openen en daarna volgden de kleinere, die zich daaronder bevonden.
Het was een gemakkelijk werk, dat slechts weinig tijd vorderde.
Doch de schrijftafel bevatte behalve onbeteekenende correspondentie
niets anders dan eenige postzegels en andere waardelooze voorwerpen.
Raffles vond zelfs niets, wat als bewijs had kunnen dienen voor het
misdadige optreden van den woekeraar.
Hij moest dus de brandkast, een groote stalen kast, die aan den muur
stond, openbreken.
Nu moest er gewerkt worden.
De groote onbekende trok gummihandschoenen aan en verbond de
electrische geleiding met het koperdraad, dat hij uit zijn zak had
gehaald. Het zoodoende verkregen contact eindigde in een vernuftig
samengestelde staalboor.
Deze plaatste hij dichtbij het slot en als sneeuw voor de zon verdween
het staal onder de scherpe punt, welke zich, gedreven door de kracht
der electriciteit, in den harden wand drong.
Binnen een half uur was het slot losgeboord en door den flinken stoot
van een flink breekijzer sprong het met een knal stuk.
Groote teleurstelling stond echter op de gezichten der beide vrienden
te lezen, toen zij niets dan ledige vakken voor zich zagen.
Alleen de boeken lagen in de brandkast en verder was er zelfs geen
enkele banknoot te vinden.
„Jammer,” mompelde Raffles, „de schurk heft het geld op de bank. Hij is
voorzichtig, de kerel. Maar ik zal in elk geval de boeken eens inzien.”
Bladzijde na bladzijde doorbladerde Lord Lister de dikke boeken en
vooral de depotconto’s van den bankier interesseerden hem levendig.
Hij zag uit de boeken, dat een reeks kleine handelslieden bij den heer
Felix Meijer-Wolf sommen hadden gedeponeerd tot een bedrag van 500 tot
1000 pond.
Het geheele bedrag was naar zijn schatting ongeveer een half millioen
pond sterling.
„Ik mis in de boeken de een of andere aanteekening, dat de woekeraar
het geld op een Bank heeft gebracht,” fluisterde hij na een poosje tot
zichzelf. „Maar het geld is niet hier, waar kan hij het dan hebben?”
„Misschien bij zich aan huis,” veronderstelde Charly Brand.
„Bravo!” riep Raffles uit, „dat antwoord is niet dom, mijn jongen, ik
zal morgennacht den heer Felix Meijer-Wolf in zijn woning opzoeken.
„Maar toch wil ik eerst nog eens in de schrijftafel kijken. Die komt
mij buitengewoon groot en massief voor.
„Misschien verbergt dat meubel een geheim vak, waarin zich de
contracten bevinden, die hij heeft gesloten met landeigenaren.”
Raffles onderzocht opnieuw de schrijftafel en stiet met een fijn
pennemes tusschen de voegen van het mahoniehout.
Plotseling brak het mes af en gleed tusschen de lijst van een
versiering van de deur der schrijftafel.
Dit op zichzelf onbeteekenende voorval maakte, dat Raffles’ geheele
aandacht aan die plek was gewijd.
Onder de lijst van mahoniehout was de punt van het mes op metaal
gestuit.
Hij kon zich niet in het geluid vergissen!
Die ijzeren laag onder het houtsnijwerk was echter iets ongewoons,
zoodat de groote onbekende, toen hij het mes terugtrok, met een
eigenaardig glimlachje naar de plek keek.
„Wat heb je?” vroeg Charly Brand.
„Geduld, mijn jongen,” fluisterde Raffles, „ik wil niet om drie uur
thuis thee gaan drinken, als ik daar juist niet een aardige ontdekking
heb gedaan.
„Geef mij de electrische lantaarn eens hier— —zoo—! Dat had ik al
gedacht.
„Ik wil een konijn worden en mijn leven lang gras eten, als ik nu niet
het geheime vak van den schurk heb gevonden.”
Hij zweeg en onderzocht elk plekje van het mahonie snijwerk.
Eindelijk floot hij zacht met een tevreden glimlachje.
„Ik wist het wel,” riep hij met gesmoorde stem, toen een stuk van de
lijst onder zijn vingers begon te draaien en een klein sleutelgat
zichtbaar werd in het nu te voorschijn komende metaal, „daar is de
toegang naar de schuilplaats van den vos. Geef mij mijn werktuigen
Charly, ik wil probeeren het hol uit te graven zonder iets te
beschadigen.
„Het vak is niet heel groot en met breekijzer of boor zou ik den inhoud
kunnen vernielen.”
Charly Brand bracht hem het taschje, waarin zich de loopers bevonden.
Zijn nieuwsgierigheid was zeer geprikkeld door de ontdekking van het
geheime vak.
De bankier scheen te denken, dat zijn geheim voldoende beveiligd was
door het houtsnijwerk, want het slot bleek van zeer eenvoudige
constructie te zijn en Raffles kon het met behulp van zijn kleinsten
looper gemakkelijk open krijgen.
Lord Lister haalde het eerst een rol schrifturen te voorschijn, die met
een touw waren samengebonden.
Hij sneed het touwtje door en zag, dat het de contracten waren, welke
hij had gezocht.
Zonder ze eerst door te lezen stak Raffles ze in zijn bruinleeren
tasch.
Daarop ontdekte hij tot zijn verbazing iets anders.
Op den bodem van het in het hout uitgesneden geheime vak schitterden in
het licht der electrische lantaarn een half dozijn diamanten die in den
vorm van waterdroppelen ter grootte van duiveneieren, aan een kleinen
gouden ketting waren bevestigd en in veelkleurige stralen het licht
weerkaatsten.
John Raffles greep naar het sieraad en liet het schitteren in het licht
der electrische zaklantaarn.
Onder de diamanten lag een klein bruinleeren taschje, waaruit een
eigenaardige geur straalde. Hij nam het uit het vak en opende het.
Er lag een brief in met een breeden rouwrand en met een dameshand
geschreven. Raffles las:
„Mijn lieve Hetty,
Gisteren ontving ik de erfenis van oom Charly uit Calcutta. Zij
bestaat uit een wonderschoon diamanten halssieraad, dat ik dolgraag
voor jou, mijn lieve kind, had behouden.
Daar ik echter niet weet, hoe ik de groote schulden zal betalen,
welke je vader heeft moeten maken om onze bezittingen te behouden,
heb ik besloten, het sieraad te verkoopen.
Ik hoop, daar de steenen zeer veel waard zijn, nog iets te kunnen
overhouden.
Schrijf mij, hoe het je gaat in het pension en groet de directrice,
Miss Green, van mij.
Ik omhels je in gedachten.
Je innig bedroefde moeder.”
„Een merkwaardige brief,” sprak Raffles, hem zijn vriend overhandigend.
„In hoeverre merkwaardig?”
„Ik zou wel eens willen weten, hoe deze schurk daaraan gekomen is. Hij
was immers onmogelijk voor hem bestemd. Ik vermoed, dat er een misdaad
is gepleegd.”
De groote onbekende nam het couvert, waarop hij tot dusverre nog niet
had gelet en las het adres:
„Miss Hetty Brown,
Londen,
Essexstreet 16.”
Peinzend bekeek hij het couvert.
„Een brief, die haar niet bereikte! Er staat helaas naar vrouwenmanier
geen datum op aangegeven. Maar mijn zoogenaamd zevende zintuig zegt
mij, dat hier weer eens riemen zijn gesneden uit het leer van anderen.
Want wat heeft de heer Felix Meijer-Wolf met dezen brief te maken?
„Wel, ik zal mij eens met dit zaakje bezighouden.
„Het zijn prachtige steenen!”
„Wonderschoon! Hun gloed is even betooverend als de schoonheid van een
vrouw,” sprak Charly vol vuur.
Spelend liet John Raffles de diamanten nog eens door zijn vingers
glijden, voordat hij ze met den brief in den zak van zijn rok stak.
Daarop maakte hij zich gereed om het kantoor te verlaten.
Toen zij op straat kwamen, stond op eenigen afstand van hen een
politie-agent te praten met een heer, die den kraag van zijn overjas
opgeslagen en den hoed diep over het voorhoofd had getrokken.
Raffles sloot doodbedaard de deur van het huis en wandelde op zijn
gemak de straat in de tegenovergestelde richting in.
Zij waren ongeveer honderd schreden verder, toen hij tot zijn
secretaris en vriend sprak:
„Schrik niet. Wij worden blijkbaar achtervolgd. De man, die bij den
politie-agent stond, was ongetwijfeld een detective van Scotland Yard.
Hij keek zeer opvallend naar ons. Draag jij nu het taschje met de
werktuigen en neem bij den volgenden hoek der straat een rijtuig.
Daarin ga je naar het Victoriastation.
„Daar verlaat je het rijtuig, loopt een paar straten verder, huurt een
ander rijtuig en laat je naar huis rijden.
„Maak je niet ongerust over mij. Ik ben misschien nog eerder thuis dan
jij.”
Toen Raffles naast het rijtuig van Charly Brand stond, was de vervolger
nog slechts eenige schreden van hem verwijderd.
Het was dezelfde persoon, dien Raffles in gesprek met den agent had
gezien.
Lord Lister gaf zijn vriend een hand, toen die reeds in het rijtuig zat
en riep:
„Dus morgen niet te laat op kantoor komen!”
„Goed, Mr. Meijer-Wolf,” antwoordde Charly Brand op luiden toon, opdat
hun vervolger het kon hooren.
Het rijtuig reed weg, Raffles keek het nog een paar seconden na, keerde
zich om en ging regelrecht naar den detective toe.
Beide heeren keken elkaar met scherpen blik aan.
Raffles kende den beambte niet.
Nauwelijks was Lord Lister hem voorbijgeloopen, of de ander keerde zich
om en greep hem bij den arm.
„Een oogenblikje, mijnheer, ik zou u wel eens iets willen vragen.”
John Raffles keek den detective met spottenden blik aan en ook deze
glimlachte.
„Wat wenscht gij van mij?” vroeg Lord Lister kalm.
„Misschien zeer veel. Ik eisch een verklaring van u, wat gij op dit uur
in de zaak van den bankier Meijer-Wolf te doen hebt.”
„Men moet niet zoo nieuwsgierig zijn, mijn waarde. Houd in de eerste
plaats mijn arm niet zoo vast, alsof het een wandelstok was. Gij
schijnt u te vergissen.
„Met welk recht vraagt gij mij dit?”
„Ik ben detective van Scotland Yard.”
„Dat kan iedereen wel beweren, mijn vriend, ik ken u niet.”
De detective haalde een metalen penning uit zijn zak te voorschijn,
zooals elke detective dien bij zich draagt.
„Zeer aangenaam,” lachte Raffles, „dan zijn wij dus collega’s.”
Deze woorden verbaasden den detective zoodanig, dat hij den arm voor
een oogenblik losliet.
Maar in het volgende oogenblik greep hij dien weer stevig vast en riep
uit:
„Dat moet gij mij bewijzen!”
„Laat mijn arm dan los, collega, ik heb mijn penning in de rechterzak.”
De detective was zoo verbaasd over deze woorden, welke met
vastberadenheid gesproken werden, dat hij den arm losliet.
Raffles stak de rechterhand in den zak van zijn overjas.
De detective volgde deze handbeweging met zijn oogen.
Hij wist niet, dat hier een Jiu-Jitsu-truc moest volgen, want terwijl
hij naar Raffles’ rechterhand keek, hief Lord Lister zijn linkerhand op
en sloeg met den vlakken kant daarvan tegen den slaap van den man,
zoodat de detective zonder een kik te geven in elkaar zakte.
De straat was op dezen tijd van den dag of liever van den nacht
volkomen stil en niemand had dus het voorgevallene opgemerkt.
Nauwelijks lag de detective op den grond, of Raffles boog zich over hem
heen en nam uit den zak van diens overjas den ambtspenning en de
gedrukte legitimatiekaart van den detective.
Daarop begaf hij zich naar de overzijde der straat en drentelde als een
late wandelaar huiswaarts.