Eens hadden zij op Mårbacka een kindermeisje, dat Back-Kajsa heette. Ze
was zeker drie el lang, ze had een groot grof gezicht met strenge,
sombere trekken; haar handen waren hard en vol groeven, waar ’t haar
van de kinderen in vast bleef zitten als ze hen kamde, en haar stemming
was ernstig en droefgeestig.
Zulk een mensch scheen juist niet bijzonder geschikt voor kindermeisje,
en Mevrouw Lagerlöf had ook lang geaarzeld voor zij haar aannam. Zij
was nog nooit in betrekking geweest, en had geen goede getuigen om over
te leggen, en ze was niet beschaafd in den omgang, omdat ze was
opgegroeid in de armoedige hut Backarna: in ’t bosch op een heuvel
boven Mårbacka, waar geen mensch in de buurt woonde. Maar er was zeker
niemand anders te vinden geweest, en dus had zij moeten komen. Dat ze
geen bed kon opmaken, of geen kachel aanleggen, of geen bad in orde
maken—daar was Mevrouw Lagerlöf op voorbereid en dat leerde zij vrij
gemakkelijk. Ook had zij er niet op tegen de kinderkamer iederen dag te
dweilen of de kinderkleeren uit te schuieren en te wasschen. Maar wat
Mevrouw Lagerlöf haar heelemaal niet kon leeren, was met kinderen om te
gaan. Ze wilde niet met hen spelen; ze zei nooit een vriendelijk woord
tegen hen, ze wist geen enkele vertelling en kende geen enkel liedje.
Ze bedoelde zeker niet leelijk tegen hen te doen; maar ze was nu
eenmaal zoo geschapen, dat ze niet van leven maken en stoeien en lachen
hield. Zij zou het liefst willen, dat de kinderen stil, ieder op hun
stoel zaten zonder te praten of zich te bewegen.
Nu ja, Mevrouw Lagerlöf was toch nog tevreden over haar. Of nu ook het
kindermeisje geen verhaaltjes wist, de kinderen op Mårbacka hadden hun
grootmoeder nog. Die kwam elken morgen zoodra zij gekleed was, naar de
slaapkamer en ging op de sofa in den hoek zitten. En dadelijk had zij
alle kinderen om zich heen en ze zong en vertelde tot het middag was.
En ze hadden ook iemand om meê te spelen, want Luitenant Lagerlöf
stoeide met hen, zoodra hij een uur vrij had.
Back-Kajsa was sterk en plichtmatig en ze was een vertrouwbaar mensch.
Als de groote menschen uitgingen, konden ze er zeker van zijn, dat ze
niet wegloopen zou en de kinderen alleen in de kinderkamer laten. Ze
zou heelemaal voortreffelijk geweest zijn, als ze maar een beetje
minder hardhandig was geweest. Maar ’t ging niet zacht toe, als de
kleine armen in de mouwen van de kleeren gestoken moesten worden, het
zeepschuim kwam vaak in de oogen van de kinderen terecht, en bij het
kammen hadden ze een gevoel, alsof alle haren uit hun hoofd moesten
getrokken worden.
De kinderkamer op Mårbacka was een licht, warm en ruim vertrek, het
beste in ’t heele huis, maar die had dit gebrek, dat het een
zolderkamer aan den voorkant van ’t huis was, zoodat men eerst den gang
door moest, dan een trap op en den zolder over om er te komen. En de
zoldertrap was steil en moeilijk voor kleine voeten om op te loopen,
zoodat het erg prettig was geweest als het vorige kindermeisje een kind
op den arm nam en het naar boven droeg, maar dat scheen Back-Kajsa niet
te begrijpen. En dan was het vreeselijk griezelig om over den zolder te
gaan, vooral ’s avonds, als het donker was, zoodat het bijna noodig was
voor de kleine handen om een groote hand te hebben om er in te kruipen.
Maar Back-Kajsa, die gewend was aan woeste, donkere bosschen vond
zeker, dat de zolder op Mårbacka, een veilig, gezellig oord was. Zij
liep maar door en gaf niemand een hand. Je moest maar blij zijn, als je
een slip van haar japon te pakken kon krijgen.
De ledikanten, waar de drie kinderen in sliepen, waren door den knappen
ouden meubelmaker in Askersby gemaakt, en ze waren heel mooi, met een
rijtje gedraaide pijltjes aan het hoofdeinde. Maar het waren
uittrekledikanten, want hoe groot de kinderkamer ook was, namen toch
drie ledikanten veel plaats, en ’t was goed, dat ze overdag in elkaar
geschoven konden worden. En dat was op zich zelf ook geen fout; maar
hoe nu die knappe, oude meubelmaker in Askersby dat klaar gespeeld
had—hij had ze zoo gemaakt, dat ze meestal midden in den nacht uit
elkaar schoven.
Wie dat nu overkwam, vloog natuurlijk op uit zijn zoeten slaap; en als
je dan merkte, dat je bed in ’t midden gebroken was, probeerde je in ’t
eene stuk in elkaar te kruipen en hoopte, dat je dan weer zou inslapen.
Maar dat lukte meestal niet, en na een poosje strekte je de beenen uit
en liet ze hangen. Zoo lag je op den slaap te wachten, tot je zóó
wakker werd als op helderlichten dag, en dan besloot je op te staan en
te probeeren het ledikant weer in elkaar te krijgen. Als je dan meende,
dat dit gelukt was en de deken weer terecht had gelegd, kroop je zoo
voorzichtig mogelijk weer in bed en rekte je met welbehagen uit. Alles
ging goed, de slaap kwam aansluipen... maar dan maakte je een
onvoorzichtige beweging. En krak! krak! ging het, het ledikant viel
weer in tweeën, en dan was alle hoop op slapen voor dien nacht voorbij.
Maar onder dat alles sliep Back-Kajsa door en ’t kwam in geen van die
kleintjes op haar om hulp te vragen. ’t Vorige kindermeisje was
dadelijk wakker geworden, zoodra een ledikant brak, en had het vlug en
handig weer in elkaar gezet, zonder dat het haar gevraagd was.
Boven de kinderkamer was een klein nauw vlierinkje, dat vol oude
weefstoelen en spinnewielen stond, en in dat oude boeltje woonde een
katuil. Die had buitengewoon goed slag van leven te maken. ’s Nachts
klonk het de kleintjes in de ooren alsof iemand groote, zware balken
boven hun hoofd heen en weer sleepte. Maar als ze bang werden door dat
geraas, had het vorige kindermeisje maar gelachen en gezegd, dat je
daar toch niet bang voor hoefde te wezen: ’t was immers de katuil maar!
Maar Back-Kajsa, die uit het bosch kwam, was bang voor alle dieren.
Voor haar waren zij booze geesten en als ze ’s nachts door den katuil
wakker werd, nam ze haar psalmboek en begon te lezen.
Zij kon waarlijk de kleine kinderen niet gerust stellen; ze maakte ze
bang, zoodat die arme katuil in hun verbeelding een groot wonderdier
werd, met een tijgerkop en arendsvleugels. En ’t is niet te beschrijven
hoe ze rilden en beefden tot diep in hun ziel, als ze er aan dachten
dat zoo iets griezeligs vlak boven hun hoofd woonde. Stel je voor, dat
het een gat in den zolder scheurde met zijn geweldige klauwen en bij
hen in de kamer kwam!
Niemand zal zeggen, dat Back-Kajsa de kinderen verwaarloosde of hen
sloeg. Daar was geen sprake van. ’t Vorige meisje was zeker niet zoo
nauwgezet geweest met wasschen en verstellen, maar ze was zoo heel lief
voor hen geweest.
Wat de kinderen in dien tijd als hun grootsten schat beschouwden—dat
waren drie houten stoeltjes. Die hadden ze van den knappen ouden
meubelmaker in Askersby gekregen. Ze wisten niet of dat een vergoeding
was voor ’t mislukken van de ledikanten, maar dat dachten ze wel. Die
stoelen waren niet mislukt; ze waren licht en sterk. Ze konden als
tafel worden gebruikt, en als sleê; de kinderen konden er in de kamer
op rondrijden; ze konden er op staan en er af springen op den grond, ze
konden ze neerleggen en als schuur of stal gebruiken ja—er was niets,
waar ze die stoelen niet voor konden gebruiken.
Maar waarom de kinderen zoo ongeloofelijk aan die stoelen gehecht waren
begreep je pas, als je ze onderste boven hieldt. Dan zag je, dat op den
onderkant van iederen stoel een kind was geschilderd. Op den eenen zag
je Johan, een jongen in een blauw pakje, met een reusachtige zweep in
de hand; op den tweeden Anna, een lief klein meisje, die een roode jurk
aan had en een groote gelen hoed op, en aan een bloemruiker rook, en op
den derden stond Selma, een klein wichtje met een blauw jurkje en
gestreept boezelaar aan, die niets in de hand en niets op het hoofd
had.
Die portretten waren er op geschilderd, om aan te geven aan wie de
stoelen hoorden, en daarom beschouwden de kinderen ze als hun eigendom
op een heel andere manier als hun kleeren, of andere dingen, die ze van
hun ouders hadden gekregen. Kleeren gingen van de een naar de andere,
dat zagen ze telkens, en hun mooie speelgoed werd weggeborgen of op de
hoekplanken in de voorkamer gezet; maar de stoelen, die met hun
portretten waren beschilderd—niemand kon er aan denken hun die af te
nemen.
Daarom was het heel verkeerd van Back-Kajsa, dat ze soms alle drie
stoelen op de hooge beukenhouten schrijftafel legde, zoodat de kinderen
er niet bij konden. Al was ’t ook omdat ze pas den vloer had geschuurd
en dat daar leelijke strepen op zouden komen, als de kinderen hun
stoeltjes er over sleepten, vóór die goed droog was—het vorige
kindermeisje zou het hart niet gehad hebben hun de stoelen ook maar één
oogenblik af te nemen.
Mevrouw Lagerlöf zag wel, dat het kindermeisje haar kleine kinders niet
begreep. Ze waren bang voor haar en ze voelden zich niet prettig bij
haar. Maar Back-Kajsa was voor een jaar gehuurd en voor dat die tijd om
was, kon zij haar niet best wegzenden. Zij hoopte, dat het beter zou
worden, als het zomer werd; dan speelden de kinderen buiten en hadden
niet zooveel met het kindermeisje te maken.
Maar op een morgen heel in ’t begin van den zomer gebeurde het, dat het
jongste meisje alleen gelaten werd in de kinderkamer. Ze zat klaar
wakker in haar bed en verwonderde er zich over, dat alle menschen weg
waren. Waar zouden ze zijn? Ze voelde zich wonderlijk koud en niet
recht uitgeslapen.
Toen ze wat nagedacht had, herinnerde ze zich, dat ze dien morgen met
de andere kinderen met Luitenant Lagerlöf naar de bron bij Ås geweest
was om te baden. Toen ze thuiskwamen, had Back-Kajsa hen alle drie
gekleed te bed gelegd, opdat ze vóór den middag wat zouden slapen.
Maar de bedden, waar Anna en Johan in hadden gelegen, waren leeg,
zoodat ze begreep, dat ze waren opgestaan en weggegaan.
Ze waren misschien al in den tuin aan ’t spelen. Ze voelde zich wel een
beetje tekort gedaan, door dat ze van haar waren weggegaan en haar
alleen in de kinderkamer hadden gelaten. Maar daar was nu niets aan te
doen. Ze moest maar uit bed zien te komen en hen achterna gaan.
Ze was drie en een half jaar en ze kon best de deur opendoen en de
zoldertrap afloopen. Maar heelemaal alleen over den zolder te
loopen—dat was het grootste waagstuk, en ze luisterde of er toch niet
iemand zou komen om haar te halen.
Neen, ze hoorde geen stap op de trap, ze zou de reis op haar eigen
houtje moeten wagen. Maar toen ze wilde opstaan, kon ze niet.
Ze probeerde het telkens weer, maar ze viel weer achterover. ’t Was
alsof haar beenen heelemaal niet van haar waren: ze had er geen macht
over.
’t Kleine meisje was buiten zichzelf van schrik. ’t Gevoel van onmacht,
nu haar lichaam haar niet wilde gehoorzamen, was zóó griezelig, dat ze
’t lang, lang daarna zich nog herinneren kon, ja, haar heele leven
lang.
Ze begon natuurlijk te schreien. Ze was wanhopend en radeloos, en er
was geen groot mensch in de nabijheid, die haar kon helpen en troosten.
Toch bleef ze niet lang alleen. De deur ging open en daar stond
Back-Kajsa.
„Moet Selma niet naar beneden om te eten?” vroeg ze. „De grooten
hebben...”
Verder kwam ze niet. ’t Kleine meisje dacht er heelemaal niet aan, dat
dit het stugge kindermeisje was, die daar in de deur stond. In haar
groote wanhoop zag ze alleen, dat er een volwassene gekomen was, die
haar kon helpen, en ze strekte de armen naar haar uit.
„Kom me halen, Back-Kajsa,” riep ze. „Kom me halen!”
Toen Back-Kajsa bij het bed kwam, sloeg ze de armen om haar hals en
klemde zich aan haar vast, zooals nog nooit een kind had gedaan, en een
zacht beven ging door Back-Kajsa heen. Ze kon haar stem niet recht kalm
houden, toen ze vroeg: „Wat is er, Selma? Ben je ziek?”
„Ik kan niet loopen, Back-Kajsa,” antwoordde het kind.
Toen hieven de sterke armen haar op, zoo gemakkelijk, alsof ze een jong
poesje was, en opeens wist dat strenge, alledaagsche mensch hoe ze een
kind toespreken moest.
„Daar moet je niet om schreien,” zei ze. „Ik zal je wel dragen!”
En toen was ’t, alsof al ’t verdriet van de kleine over was. Ze was
niet bang of ongelukkig meer. Wat deed het er toe, of ze zelf niet
loopen kon, als Back-Kajsa haar wilde dragen? Dat hoefde niemand haar
te zeggen: zij begreep wel, dat iemand, die zoo’n sterke, heerlijke
vriendin had als Back-Kajsa... die zou ’t wel goed hebben!