Belmont. Een park voor Portia's woning.
Lorenzo en Jessica komen op.
LORENZO. 't Is heldre maan; in zulk een nacht als deze,
Toen zachte lucht de boomen vriendlijk kuste
En nauwlijks ruischen deed,--in zulk een nacht,
Naar 'k denk, steeg Troilus op Troja's wal
En zond zijn ziel haar zuchten naar de tenten
Der Grieken heen, waar ook zijn Cressida
Die nacht te sluim'ren lag.
JESSICA. In zulk een nacht
Sloop Thisbe, schuchter tripp'lend, op den dauw,
En zag geen leeuw nog, maar alleen zijn schim,
En nam vol angst de vlucht.
LORENZO. In zulk een nacht
Stond Dido, in haar hand een wilgetak,
Op 't woeste zeestrand, om haar lief te wenken,
Weêr naar Carthago's kust.
JESSICA. In zulk een nacht
Las zich Medea tooverkruid en maakte
Den ouden Æson jong.
LORENZO. In zulk een nacht
Verloor de rijke jood zijn Jessica,
Die uit Venetië met een spilziek lief
En heel naar Belmont vlood.
JESSICA. In zulk een nacht
Zwoer haar Lorenzo, dat hij teêr haar minde,
En stal met meen'gen eed van trouw haar hart,
Doch alle waren valsch.
LORENZO. In zulk een nacht
Bekladde Jessica, die kleine feeks,
Haar zoetelief, maar hij vergaf het haar.
JESSICA. Ik zou u óver-nachten, kwam er niemand;
Maar luister, 'k hoor den stap daar van een man.
(Stefano komt op.)
LORENZO. Wie komt zoo haastig in de stille nacht?
STEFANO. Goed volk.
LORENZO. Goed volk? wat volk? Zeg mij uw naam, goed volk!
STEFANO. Mijn naam is Stefano; ik breng bericht,
Dat de eedle vrouw voor de' aanvang van den dag
Te Belmont zijn zal; ze is nog op haar tocht
Langs heiligbeelden, waar ze knielt en bidt
Om zegen op haar echt.
LORENZO. En wie verzelt haar?
STEFANO. Een heil'ge kluiz'naar en haar kamerjuffer.
Maar zeg me, is de eedle heer nog niet terug?
LORENZO. Nog niet; we ontvingen zelfs nog geen bericht.--
Maar laat ons, Jessica, naar binnen gaan
En zorgen, dat de meesteres van 't huis
Nu met een plechtig welkom zij begroet.
(Lancelot komt op.)
LANCELOT. Hola, hola, ho, heila, hola, ho!
LORENZO. Wie roept daar?
LANCELOT. Hola! hebt gij den heer Lorenzo en mevrouw Lorenzo ook
gezien? Hola! hola!
LORENZO. Houd op met uw hola, man; hier.
LANCELOT. Hola! waar? waar?
LORENZO. Hier.
LANCELOT. Zeg hem, dat er een postiljon is gekomen, die zijn hoorn
vol goed nieuws heeft; mijn meester zal nog voor zonsopgang hier zijn.
(Lancelot af.)
LORENZO. Kom, liefste, binnen dan hun komst verbeid!
Of neen, waartoe naar binnen? 't Is niet noodig,
Vriend Stefano, ik bid u, meld aan allen
In huis, dat de eedle vrouw in aantocht is,
En breng de muzikanten mee naar buiten.
(Stefano af.)
Wat slaapt het maanlicht lieflijk op dien heuvel!
Hier zetten we ons, hier drinke ons oor de tonen
Der hemelsche muziek; de vreê der nacht
Stemt met den klank van zoete harmonie.
Kom, Jessica; zie, is het hemelwelf
Niet ingelegd met schijfjes schitt'rend goud?
Geen licht, hoe klein, dat ge daarboven ziet,
Dat op zijn baan niet als een engel zingt,
Bij 't koor der Cherubim met kinderoogen.
Gelijke harmonie is in de zielen
Der menschen, maar zoolang 't verganklijk kleed
Onsterflijkheid omhult, is ze ons onhoorbaar.
(De Muzikanten komen op.)
Weest welkom, wekt Diana met een lied;
Dringt met uw klanken door tot uw gebiedster,
En toovert, lieflijk streelend, haar naar huis.
(Muziek.)
JESSICA. Ik ben bij lieflijke muziek nooit lustig.
LORENZO. Dit komt, omdat uw geest haar luistrend volgt;
Want zie maar eens een wilde, dartle kudde,
Of troepje veulens, jong en ongetemd;
Zij springen dol, zij loeien, brieschen luid,
Want dat is de aard en de eisch van 't warme bloed;
Maar nauwlijks hooren ze een trompet, die schalt,
Of treft het ruischen van muziek hun oor,
Gij ziet hen plotsling, luistrend, stil bijeen;
De macht der tonen dwingt dat vlammend oog
Tot kalmen blik. Van daar 't verhaal des dichters,
Dat Orpheus boomen, rotsen, stroomen boeide,
Daar niets zoo stug, zoo hard, zoo woedend is,
Dat niet muziek het voor een tijd verandert.
Heeft iemand in zichzelven geen muziek,
Roert hem de meng'ling niet van zoete tonen,
Die man deugt tot verraad, tot list en roof,
't Is duister in zijn geest als middernacht,
In zijn gemoed zoo zwart als 't rijk der schimmen;--
Vertrouw hem nooit!--O, hoor eens die muziek!
(Portia en Nerissa komen op, nog op een afstand.)
PORTIA. Dat licht daar, dat wij zien, brandt in de zaal;
Hoe verre licht die kleine kaars! zoo straalt
Een goede daad in deze booze wereld.
NERISSA. Bij 't maanlicht zagen wij dat kaarslicht niet.
PORTIA. Zoo doet een grooter glans een mind'ren tanen;
Een plaatsvervanger straalt gelijk een vorst,
Totdat de vorst verschijnt, en dan vervloeit
Zijn praal, zooals een beekje van het land
In 't groote bed der waat'ren. Hoor, muziek!
NERISSA. 't Is de muziek, mejonkvrouw, van uw huis.
PORTIA. Niets is er goed, naar 'k zie, dan op zijn tijd;
Mij dunkt, ze klinkt veel schooner dan bij dag.
NERISSA. De stilte schenkt haar die bekoorlijkheid.
PORTIA. De leeuwrik zingt niet schooner dan de kraai,
Dan voor een luistrend oor; en 'k denk, dat zelfs
De nachtegaal, zong die bij dag zijn lied,
Als alle ganzen snaat'ren, naar de schatting
Geen beter zanger dan de musch zou zijn.
Hoe menig ding wordt op zijn tijd alleen
Naar waarde en naar volkomenheid geschat!--
(Tot de Muzikanten.) Nu stil! De maan rust bij Endymion
En sluimere ongestoord!
(De muziek houdt op.)
LORENZO. Dit is de stem,
Of ik bedrieg mij zeer, van Portia.
PORTIA. Hij kent mij, als een blindeman den koekoek,
Aan 't leelijk roepen.
LORENZO. Welkom, waarde jonkvrouw!
PORTIA. Wij baden voor het heil van onze mannen,
Dat, hoop ik, is vermeerderd door ons doen.
Zijn ze al terug?
LORENZO. Tot nu toe niet, mejonkvrouw;
Maar wel kwam hun alreeds een boô vooruit
Om aan te melden.
PORTIA. Ga in huis, Nerissa.
En geef aan mijn bedienden last, dat ieder
Zich houde, als waren we altijd thuis geweest;--
Ook gij, Lorenzo;--Jessica, ook gij.
(Horengeschal.)
LORENZO. Daar komt uw echtgenoot; het is zijn horen;
Wij klappen niet, mejonkvrouw, wees gerust.
PORTIA. Deez' nacht is, dunkt me, slechts een kwijnend daglicht;
Zij ziet wat bleeker, maar het is nu dag,
Zooals de dag is bij beloken zon.
(Bassanio, Antonio en Gratiano komen op, met Gevolg.)
BASSANIO. Verscheent gij steeds, als ons de zon verlaat,
Dan hadden wij met de Antipoden dag.
PORTIA. Geve ik u licht, ik zij niet licht van zin;
Die lichtheid maakt een man licht zwaar te moede;
En nimmer zij Bassanio dat door mij;
Verhoede 't God!--Wees welkom thuis, mijn gade!
BASSANIO. Ik dank u, lieve;--o, heet mijn vriend hier welkom!--
Dit is Antonio, die voor heel mijn leven
Onlosbaar mij aan zich verbonden heeft.
PORTIA. Tot elken dank moogt ge u verbonden reek'nen,
Want zwaar verbond hij zich, zoo 'k hoor, voor u.
ANTONIO. Niet zoo, of hij en ik zijn thans weer vrij.
PORTIA. Heer, gij zijt hartlijk welkom in ons huis;
Maar 't moet zich anders toonen dan in woorden,
En 'k spaar dus hoff'lijkheid van louter lucht.
(Gratiano en Nerissa zijn middelerwijl in woordenwisseling geraakt.)
GRATIANO. Ik zweer u bij de maan daar, dat ge dwaalt;
Ik gaf hem, waarlijk aan des doctors klerk;
En 'k woû, dat hij tot niets werd, die hem heeft,
Daar 't u, melieve, zoo ter harte gaat.
PORTIA. Wat! reeds een twist? eilieve, zeg waarom?
GRATIANO. 't Is om een strookje gouds, een kleinen ring,
Dien zij mij gaf; met alledaagsche spreuk,
Zoo van die messenmakerspoëzie
Op klingen: "wees mij trouw, begeef mij niet."
NERISSA. Wat praat ge van de spreuk of van de waarde?
Gij zwoert me, toen ik hem u gaf, dat gij
Hem dragen zoudt tot in uw stervensuur,
En dat hij met u rusten zou in 't graf;
Gij moest hem reeds, om al uw schriklijke eeden,
Zoo niet om mij, vereeren en bewaren.
Des doctors klerk!--God weet, nooit krijgt die klerk,
Wien gij hem afstondt, haar op zijn gezicht.
GRATIANO. Ja toch, als hij maar leeft, tot hij een man is.
NERISSA. Ja, als een vrouw maar leeft, tot zij een man is.
GRATIANO. Zoo waar ik leef, ik gaf hem aan een jonkman,--
Een jongen nog, een kriel, een kleinen dreumes,
Niet grooter dan gijzelf, des rechters klerk,
Een snappend kind; die vroeg hem als een fooi;
Het ging me aan 't hart, maar 't was hem niet te weig'ren.
PORTIA. Ronduit gezegd, het was verkeerd, lichtzinnig,
Die eerste liefdegift zoo weg te werpen,
Die gij met eeden aan uw vinger staakt,
Als pand van trouw er aan had vastgeklonken.
Ik gaf mijn liefste een ring en deed hem zweren,
Nooit zou hij er van scheiden; zie, daar staat hij,
En 'k zweer voor hem, dat hij hem nimmer afstaat,
Nooit van den vinger neemt, neen, voor de schatten
Der gansche wereld niet. Voorwaar, Gratiano,
't Is liefdloos zoo uw vrouw te grieven; ja,
Gebeurde 't mij, ik ergerde mij dood.
BASSANIO (ter zijde). Liefst kapte ik mij de hand, en zwoer, dat ik
Den ring verloor, terwijl ik er voor streed.
GRATIANO. Bassanio stond zijn ring den rechter af,
Die dringend er om vroeg, en waarlijk dubbel
Verdiend had, en toen vroeg de klerk, dat jongske,
Dat druk genoeg geschreven had, den mijnen;
En heer en dienaar wilden maar niets anders
Dan die twee ringen.
PORTIA. Welken ring stondt ge af,
Mijn gâ? Toch niet, naar 'k hoop, dien ik u gaf?
BASSANIO. Kon ik een leugen voegen bij 't vergrijp,
Ik zou ontkennen; maar gij ziet, ik heb
Geen ring meer aan mijn vinger, hij is weg.
PORTIA. En evenzoo ontvlood de trouw uw hart.
Bij God, wij zijn gescheiden, tot gij mij
Den ring weer toont.
NERISSA. Wij evenzeer, tot ik
Den mijnen weerzie.
BASSANIO. Dierbre Portia,
Indien gij wist, aan wien ik gaf den ring,
Indien gij wist, voor wien ik gaf den ring,
Erkennen woudt, waarvoor ik gaf den ring,
En hoe ongaarne ik afstond dezen ring,
Daar niets werd aangenomen dan de ring,
Uw gramschap en uw strengheid wierd verzacht.
PORTIA. Hadt gij erkend de kracht van dezen ring,
Slechts half geschat de geefster van den ring,
Erkend, hoe zelfs uw eer hing aan den ring,
Gij hadt niet kunnen scheiden van den ring.
Wat man had zoo onreedlijk kunnen zijn,--
Hadt gij uw ring met eenig vuur verdedigd,--
Zoo onbescheiden, op iets aan te dringen,
Door u als plechtig onderpand geschat?
Nerissa toont mij, wat ik moet gelooven;
Ik sterf er op, een vrouw verkreeg den ring.
BASSANIO. Neen, op mijn eer, neen, bij mijn zaligheid,
Geen vrouw verkreeg hem, maar een waardig man,
Een doctor, die den ring vroeg, en drieduizend
Dukaten afsloeg; 'k heb den ring geweigerd,
En liet hem ontevreden gaan; en toch,
Hij was het, die mijn dierbren vriend het leven
Gered had. Zeg, wat kon ik doen, geliefde?
Ik was genoopt den ring hem na te zenden;
De plicht der hoff'lijkheid drong mij tot schaamte;
Mijn eer verbood, dat grove ondankbaarheid
Haar zoo besmette. Schenk vergiff'nis, beste!
Gij hadt,--ik zweer 't u bij die heil'ge vonken!--
Waart gij er bij geweest, mij zelf gevraagd,
Mijn ring aan de' eedlen doctor af te staan.
PORTIA. Dat toch die doctor nooit mijn huis betrede!
Daar hij het mij zoo lief juweel verkreeg,
Dat gij mij zwoert voor mij steeds te bewaren,
Zoo wil ik niet in gulheid achterstaan,
En niets hem weig'ren van wat ik bezit,
Neen, noch mijn lichaam, noch mijn huwlijksbed;
En kennen zal ik hem, dit weet ik zeker;
Blijf nooit een nacht van huis; bewaak me als Argus;
Doet gij dit niet en laat ge mij alleen,
Dan, op mijn eer, die ik tot nu bewaarde,
Dan is die doctor wis mijn bedgenoot.
NERISSA. En zoo zijn klerk van mij; bedenk dus wel,
Of gij me aan eigen hoede kunt vertrouwen.
GRATIANO. Goed; maar ik loer; en krijg ik hem in 't net,
Dan heeft zijn pen voor 't laatst een punt gezet.
ANTONIO. Ik ben de onzalige oorzaak van deez' twisten.
PORTIA. Heer, 't grieve u niet; toch zijt ge hartlijk welkom.
BASSANIO. Portia, vergeef mij deez' gedwongen misstap;
Ten overstaan van al deez' vrienden hier,
Bezweer ik u, en bij uw lieflijke oogen,
Waar ik mijzelf in spiegel,--
PORTIA. Fraai bedacht!
Hij ziet zich dubbel in dat tweetal oogen,
Eens in elk oog; zweer bij uw dubbel ik!
Dat is een kostlijke eed!
BASSANIO. Ik bid u, hoor!
Vergeef 't vergrijp; ik zweer u bij mijn ziel,
Dat ik u nimmermeer een eed verbreek.
ANTONIO (tot Portia). Eens leende ik lijf en leven voor zijn heil;
Slechts hij, die van uw man zijn ring verkreeg,
Heeft mij gered; opnieuw waag ik gerust
Mijn ziele te verpanden, dat uw gâ
Nooit, wetens willens, meer zijn eed verbreekt.
PORTIA. Wees gij dus weer zijn borg; geef hem deez' ring,
Hij zorg er beter dan voor de' eersten voor.
ANTONIO. Bassanio, zweer, dat deze u heilig blijft!
BASSANIO. Bij God! den eigen ring gaf ik den doctor!
PORTIA. Vergeef me, ik heb den ring van hem, Bassanio;
De doctor was mijn bedgenoot er door.
NERISSA. Vergeef ook mij, mijn beste Gratiano,
Zoo was des doctors klerk, die kleine dreumes,
Voor dezen ring de laatste nacht bij mij.
GRATIANO. Welzoo, 't is of men wegen ging verbeet'ren
Des zomers, als zij best in orde zijn!
Wat! horens reeds, en eer wij die verdienden?
PORTIA (tot Gratiano). Spreek niet zoo ruw.--(Tot Bassanio.) Gij
staat geheel verbluft;
Hier hebt ge een brief; lees dien maar later door;
Hij komt van Padua, van Bellario;
Daar zult gij zien, dat Portia was de doctor;
Nerissa daar, zijn klerk; Lorenzo hier
Getuig', dat ik terstond nà u vertrok,
Zoo juist terugkom en mijn huis nog niet
Betreden heb.--Antonio, hartlijk welkom,
Ik kan ook u een beter tijding brengen,
Dan gij verwacht; ontzegel dezen brief;
Gij zult vernemen, dat van uw galjoenen
Een drietal, rijk beladen, binnenviel;
Ik zeg u niet, door welk een wonder toeval
Die brief me in handen kwam.
ANTONIO. Ik sta verstomd.
BASSANIO. Waart gij de doctor, en ik kende u niet?
GRATIANO. Waart gij de klerk, die mij mijn vrouw ontvrijde?
NERISSA. Ja, maar de klerk zal 't zeker nimmer doen,
Tenzij dat hij 't beleeft, dat hij een man wordt.
BASSANIO. Nu, doctor, wees mijn bedgenoot; 'k vertrouw,
Moet ik er soms op uit, u graag mijn vrouw.
ANTONIO. Gij, levenschenkster, schenkt mij thans ook leeftocht;
Want hier zie ik bevestigd, dat mijn schepen
In veil'ge haven zijn.
PORTIA. En gij, Lorenzo!
Mijn klerk heeft ook voor u een goed bericht.
NERISSA. Ja, en ik geeft hem zonder schrijversloon;--
Maar overhandig u en Jessica,
Hier thans een schenking van den rijken jood
Van alles, wat hij bij zijn dood bezit.
LORENZO. Gij, eedle vrouwen, drupt een hongrig volk
Hier manna op hun weg.
PORTIA. 't Is bijna dag;
En zeker ziet ge op verre na niet in,
Hoe alles zich wel toedroeg. Gaan wij binnen,
En neemt ons, als ge wilt, daar in 't verhoor;
Wij geven u op alles klaar bescheid.
GRATIANO. Ja, zij dat zoo; en de eerste vraag, die 'k stel,
Nu ik Nerissa mag verhooren, is,
Of zij dat lange waken uit kan staan,
Of, twee uur vóór den dag, ter rust wil gaan;
Maar zeker zou ik, kwam de dag, dan vragen,
Dat hij voor eens zijn dagen will' vertragen.
Hoe 't zij, mijn leven lang zal ik geen ding
Zoo trouw bewaren als Nerissa's ring.
(Allen af.)