Aldaar. Een straat.
Portia en Nerissa komen op.
PORTIA. Vraag naar de woning van den jood en laat
Dit stuk hem teek'nen. Nog van avond gaan wij;
Zoo zijn we een dag voor onze mannen thuis.
Dit stuk zal aan Lorenzo welkom zijn.
(Gratiano komt op.)
GRATIANO. Goed, dat ik u nog inhaal, waarde heer!
Bassanio, die tot beter inzicht kwam,
Zendt U deez' ring door mij en noodigt u
Van middag tot het maal.
PORTIA. Dit kan niet zijn,
Maar hartlijk dank ik hem voor dezen ring;
En 'k bid u, zeg hem dit. Wees ook zoo goed
Mijn klerk den weg naar Shylocks huis te wijzen.
GRATIANO. Met veel genoegen.
NERISSA (tot Portia, luid). Heer, een woord met u;--
(Zacht.) 'k Wil zien, den ring te krijgen van mijn man,
Dien ik hem zweren deed nooit weg te schenken!
PORTIA. Dat kunt gij wis; dat zal een zweren zijn,
Dat zij aan mannen slechts hun ringen schonken;
Doch we òverkraaien, òverzweren hen.--
Maar ga, maak haast; gij weet, waar ik u wacht.
NERISSA. Kom, waarde heer, wilt gij zijn huis mij wijzen?
(Allen af.)