TWEEDE TOONEEL.

Belmonte. Een kamer in Portia's huis.

Portia en Nerissa komen op.

PORTIA. Op mijn woord, Nerissa, mijn klein persoontje heeft van deze

groote wereld meer dan genoeg.

NERISSA. Dat mocht zoo wezen, lieve jonkvrouw, als uw ellende evenzoo

bovenmatig was als thans uw geluk. Maar voor zoover ik zie, zijn

zij, die zich overladen met te veel, al even ziek, als zij, die aan

alles gebrek hebben. Het is daarom geen middelmatig geluk juist in

de middelmaat te zijn; overvloed krijgt vroeger grijze haren, maar

juist van pas leeft langer.

PORTIA. Goede spreuken, en goed voorgedragen.

NERISSA. Nog beter zouden zij wezen, als zij goed werden opgevolgd.

PORTIA. Als doen even gemakkelijk was, als weten, wat goed is te doen,

dan waren kapelletjes kerken, dagloonerswoningen vorstenpaleizen

geworden. Het is een goed geestelijke, die zijn eigen voorschriften

opvolgt; ik kan gemakkelijker aan twintig menschen leeren, wat zij

moeten doen om goed te doen, dan een van de twintig zijn en mijn eigen

lessen opvolgen. Het brein kan wel wetten voor het gestel uitdenken,

maar een vurig bloed springt over een koel voorschrift heen; zulk een

haas is de jongeling Onverstand, dat hij heenwipt over het net van

Goeden Raad, den kreupele. Maar dit redeneeren helpt mij volstrekt

niet bij het kiezen van een man.--O wee, dat woord kiezen! Ik mag niet

kiezen, dien ik zou willen, en niet afwijzen dien ik niet mag lijden;

en zoo is de wil van een levende dochter aan banden gelegd door den

wil van een dooden vader.--Is het niet hard, Nerissa, dat ik niemand

kiezen mag, en ook niemand afwijzen?

NERISSA. Uw vader was een braaf man, en vrome menschen hebben bij hun

dood goede ingevingen. Daarom zal bij de loterij, die hij uitgedacht

heeft van die drie kastjes van goud, zilver en lood, (waardoor

hij, die in zijn geest kiest, u kiest,) zonder eenigen twijfel door

niemand de echte keus gedaan worden dan door een, die u echte liefde

toedraagt. Maar hoe staat het met de warmte van uw genegenheid jegens

een van de vorstelijke aanbidders, die alreeds gekomen zijn?

PORTIA. O, wees zoo goed en noem ze op; als gij ze noemt, zal ik ze

u beschrijven; en naar mijn beschrijving moogt ge mijn genegenheid

afmeten.

NERISSA. Vooreerst dan, de Napelsche prins.

PORTIA. O, die is inderdaad een veulen, want hij doet niets dan van

zijn paard spreken; en hij vindt het een belangrijk toevoegsel aan

zijn begaafdheden, dat hij het zelf beslaan kan; ik vrees inderdaad,

dat mevrouw zijn moeder valsch spel speelde met een hoefsmid.

NERISSA. Dan verder de paltsgraaf.

PORTIA. Die zet altijd een zuur gezicht, alsof hij zeggen wou:

"Ben ik voor u niet goed genoeg, geen nood". Hij hoort vroolijke

kwinkslagen en vertrekt geen spier; ik vrees, dat, als hij oud wordt,

hij de weenende philosoof zal wezen in eigen persoon, daar hij nu in

zijn jeugd al zoo onhebbelijk somber is. Ik was liever getrouwd met

een doodshoofd, zoo met twee gekruiste knoken er onder, dan met een

van die beiden. God beware mij voor alle twee!

NERISSA. Wat zegt gij dan van den Franschen heer, Monsieur Le Bon?

PORTIA. God schiep hem, laat hem daarom voor een man doorgaan. Ik weet,

dat het zonde is een spotter te zijn, maar hij! Hij heeft een paard,

beter dan de Napolitaan, een beter slechte gewoonte van zuurkijken

dan de paltsgraaf; hij is iedereen en niemand; als een lijster zingt,

begint hij dadelijk kapriolen te maken; hij zou kunnen vechten met zijn

eigen schaduw. Als ik hèm nam, nam ik vijftig mannen te gelijk. Als

hij mij versmaadde, zou ik het hem vergeven; want al had hij mij lief

tot razend wordens toe, ik zou niets van hem willen weten.

NERISSA. Wat hebt ge dan te zeggen tegen Faulconbridge, den jongen

Engelschen baron?

PORTIA. Ge weet, ik zeg niets tegen hem, want hij verstaat mij niet

en ik hem ook niet; hij kent geen Latijn of Fransch noch Italiaansch,

en wat mijn Engelsch betreft, gij kunt gerust voor het gerecht een

eed gaan doen, dat het geen armzaligen duit waard is. Hij is het

afbeeldsel van een knap man, maar, ik bid u, wie kan omgaan met een

stom beeld? En hoe bespottelijk kleedt hij zich! Ik geloof, dat hij

zijn kamizool in Italië, zijn pof broek in Frankrijk, zijn muts in

Duitschland en zijn manieren overal heeft opgedaan.

NERISSA. Wat denkt ge van zijn buurman, den Schotschen lord?

PORTIA. Dat hij wezenlijk wel christelijke liefde tot zijn naaste

bezit, want hij borgde laatst een oorveeg van den Engelschman,

en zwoer, dat hij hem dien terug zou betalen, zoodra hij in de

gelegenheid zou wezen; ik denk, dat de Franschman zijn borg werd en

voor den ander onderteekende.

NERISSA. Hoe bevalt u de jonge Duitscher, de neef van den hertog

van Saksen?

PORTIA. Afschuwelijk in den morgen, als hij nuchter is, en

allerafschuwelijkst in den middag, als hij beschonken is; als hij

op zijn best is, is hij toch nog altijd iets minder dan een mensch,

en als hij op zijn slechtst is, is hij nauwlijks meer dan een dier;

als het ergste mocht gebeuren, dat gebeuren kan, hoop ik toch, dat

ik wel een uitvlucht zal vinden om hem vrij te loopen.

NERISSA. Als hij zich mocht aanmelden om te kiezen en het rechte

kastje koos, dan zoudt ge toch weigeren uws vaders uitersten wil te

volbrengen, als gij weigerdet hem te nemen.

PORTIA. Daarom bid ik u, om het ergste te voorkomen, zet een flinken

roemer Rijnwijn op het verkeerde kastje; want als de duivel er in

was en deze verzoeking van buiten er bij, dan weet ik, dat hij het

zou kiezen. Alles liever, Nerissa, dan met een spons te moeten trouwen.

NERISSA. Gij behoeft niet beducht te wezen, mejonkvrouw, dat gij

een van deze heeren zult krijgen, want zij hebben mij hun besluit

meegedeeld, en dat is, waarlijk, naar huis te gaan en u niet verder met

hun aanzoek lastig te vallen, tenzij gij op een andere wijze te winnen

waart, dan door de bepaling van uw vader, ten opzichte van de kastjes.

PORTIA. Al word ik zoo oud als Sibylla, wil ik toch zoo kuisch als

Diana sterven, tenzij ik gewonnen word op de wijze van mijns vaders

uitersten wil. Ik ben blij, dat dit partijtje vrijers zoo verstandig

is, want er is er niet één bij of ik smacht naar zijn afzijn, en ik

bid God, hun een voorspoedige heenreis te verleenen.

NERISSA. Herinnert gij u niet, mejonkvrouw, uit den tijd dat uw vader

nog leefde, een Venetiaan, die man van studie en krijgsman te gelijk

was, en die hierheen kwam als metgezel van den markies van Montferrat?

PORTIA. Ja, ja; het was Bassanio;--ik geloof ten minste, dat hij

zoo heette.

NERISSA. Juist, mejonkvrouw. Van alle mannen, die mijn dwaze oogen

ooit gezien hebben, was hij wel het meest een schoone vrouw waard.

PORTIA. Hij staat mij nog goed voor, en naar mijn herinnering is uw

lof niet onverdiend.--Wel, wat is er?

(Een Bediende, komt op.)

BEDIENDE. Mejonkvrouw, de vreemde heeren vragen naar u om afscheid

te nemen; en zoo even komt daar een voorrijder van een nieuwen, den

prins van Marocco, die het bericht brengt, dat de prins, zijn meester,

nog van avond hier zal zijn.

PORTIA. Als ik dien nieuwen zoo van ganscher harte welkom kon

heeten, als ik de anderen vaarwel zeg, zou ik verheugd wezen over

zijn aankomst, als hij het binnenste heeft van een heilige en de

huidkleur van een duivel,

Dan groette ik liever hem als boetgezant,

Dan dat ik hem mijn hand verpand.

De Koopman van Venetië · 第 4 / 33 题