I.

In het midden van den winter van 185.., stond eene sectie van onze

batterij te velde in de Groote-Tschetschnia. Op den avond van den

14den Februari hoorde ik dat de stukken, waarover ik bij afwezigheid

van den officier het bevel had, met de colonne mee moesten, die den

volgenden dag eene kapping in het bosch moest gaan bewerkstelligen.

Ik had reeds dien zelfden avond de noodige orders ontvangen en

overgebracht, en mij vroeger dan gewoonlijk naar mijne tent begeven.

Ik had niet de slechte gewoonte, mijne tent met een kolenvuur te

verwarmen; ik strekte mij geheel gekleed op een veldbed uit, dat van

rijs gemaakt was, trok mijn muts over mijne oogen, wikkelde mij in

mijne pels en zonk weg in dien eigenaardigen, vasten en zwaren slaap,

dien men slaapt in de oogenblikken van ongerustheid en spanning, welke

het gevaar voorafgegaan; de expeditie van den volgenden dag bracht mij

in dien toestand.

Des morgens om drie uur, toen alles nog donker was, voelde ik dat mijn

warme pels werd weggetrokken, en het roode schijnsel van eene kaars

viel mij onaangenaam in de slaperige oogen.

--Belieft u op te staan? hoorde ik zeggen.

Ik deed mijn oogen weer dicht, trok onbewust de pels weer over mij

heen en viel weer in slaap. »Het is tijd om op te staan!" herhaalde

Dmitri en schudde mij meedoogenloos bij den schouder. »De infanterie

rukt uit." Plotseling kwam ik tot de werkelijkheid terug. Ik sprong

op en stond dadelijk op mijn beenen. Na inderhaast een glas thee

gedronken en mij met ijskoud water gewasschen te hebben, ging ik uit

mijne tent en begaf mij naar het artilleriepark.

Het was donker, mistig en koud. De nachtelijke wachtvuren, die hier en

daar in het kamp schitterden en de gestalten der slapende soldaten

verlichtten, maakten door hun ros en somber schijnsel de duisternis

nog donkerder. Vlak bij hoorde ik een regelmatig en rustig gesnork; in

de verte de beweging, het gepraat en het gekletter van de geweren der

infanteristen, die zich gereed maakten te vertrekken. Het rook overal

naar brandend hout, mist, paardenmest en lonten. De morgenkoude joeg

mij een rilling over den rug, en onwillekeurig klapperden mijn tanden.

Alleen door het brieschen en getrappel der paarden nu en dan kon

men, in die ondoordringbare duisternis, de plaats raden waar de

aangespannen kruitwagens stonden; de plaats der kanonnen herkende men

aan de glimmende punten der lontstokken.

Onder den kreet »Met God!" zette de eerste kanon zich in beweging. De

kruitwagen rammelde daarachter, en de sectie begaf zich op weg. Wij

namen allen de muts af en maakten het teeken des kruises. Na in de

open ruimte tusschen de infanterie plaats genomen te hebben, maakten

wij halt, en wachtten zoowat een kwartier totdat de heele colonne

gereed en de kommandant verschenen zou zijn.

--Maar er ontbreekt een soldaat, Nikolaï Petrovitsch, zeide een

donkere gestalte tot mij, die ik slechts aan de stem herkende als den

kwartiermeester Maximoff.

--En wie dan?

--Welentschuk. Terwijl zij bezig waren aan te spannen, heb ik hem nog

gezien; en nu is hij weg.

Daar niet aan te nemen was dat de colonne zich aanstonds in beweging

zou zetten, besloten wij den brigadier Antonoff uit te zenden

om Welentschuk op te zoeken. Kort daarop passeerden ons, in de

duisternis, eenige ruiters: het was de commandant met zijn gevolg.

Dadelijk zette alles zich in beweging; het hoofd van de colonne rukte

op, en eindelijk was het onze beurt. Antonoff en Welentschuk waren nog

niet terug.

Maar wij waren nog geen honderd schreden ver, of de twee soldaten

haalden ons in.

--Waar was hij? vroeg ik aan Antonoff.

--Hij lag te slapen in het park.

--Wat? Was hij dan dronken?

--Volstrekt niet.

--Waarom was hij dan ingeslapen?

--Ik weet het niet.

Drie uren lang reden wij, langzaam en zonder eenig gerucht, door den

nevel, dwars over onbebouwde velden, waar het lage struikgewas onder

de wielen der kanonnen kraakte. Eindelijk, nadat wij over een ondiepe,

maar buitengewoon sterk stroomende beek waren getrokken, werd er

order gegeven om halt te houden; in de voorhoede knalden eenige

karabijnschoten. Als altijd, deed dit geluid een algemeene opwinding

ontstaan. Het detachement scheen wakker te worden; men hoorde in de

gelederen praten, lachen en allerlei beweging. Van de soldaten

amuseerden sommigen zich met worstelen, anderen hinkten nu eens op den

eenen, dan weer op den anderen voet, de een zat op een beschuit te

knabbelen, een ander oefende zich, om den tijd zoek te brengen, in

het: Presenteert geweer! of: Zet af, geweer! Onderwijl begon de mist

in het oosten merkbaar lichter te worden. De vochtigheid werd meer

voelbaar, en de omringende voorwerpen doemden langzamerhand op

uit den nacht. Reeds kon ik de groene affuiten en de kruitwagens

onderscheiden, het koper der vuurmonden, bedekt met eene laag vocht,

en de bekende, mij onwillekeurig tot in de kleinste bijzonderheden

vertrouwd geworden gestalten mijner manschappen met hun bruinroode

paarden, en de gelederen van het voetvolk met hun schitterende

bajonetten, hun ransels en hun veldketels op den rug.

Spoedig werd er bevel gegeven, verder te trekken. Nog eenige honderden

schreden, en onze kampementsplaats werd ons aangewezen.

Aan den rechterkant schemerde de steile oever van een zich als een

slang kronkelende beek, en de hooge houten kolommen van een Tartaarsch

kerkhof. Links en voor ons zagen wij een zwarte streep door den mist.

Mijne artilleristen maakte het voorstel van hunne stukken los. De 8e

compagnie, die ons moest dekken, zette de geweren aan rotten, en een

bataljon, gewapend met bijlen en geweren, drong het bosch in.

Het duurde geen vijf minuten, of aan alle kanten begonnen de

wachtvuren te knetteren en te rooken. De soldaten verspreidden zich

naar alle zijden, wakkerden het vuur aan, sleepten takken en

boomstammen aan; en het bosch weerklonk onophoudelijk van de

bijlslagen en het dreunen der vallende boomen.

De artilleristen, in ijver niet willende onderdoen voor de infanterie,

staken hun eigen wachtvuur aan; en, hoewel het reeds zulk een gloed

gaf dat men het op geen twee passen kon naderen, hoewel een dikke,

zwarte rook optrok door de takken, die nog met rijp bedekt waren,

zoodat de waterdruppels sissend in het vuur vielen, hoewel de gloed

van onderen steeds toenam en het gras in het rond verzengd werd, toch

waren mijn soldaten nog niet tevreden: zij sleepten heele boomen aan,

wierpen droog gras in het vuur en stookten het hoe langer hoe

geweldiger op.

Welentschuk, in gewone omstandigheden reeds zeer beweeglijk, wilde nu,

als 't ware geprikkeld door het besef van zijne fout, zich nog meer

weren dan de anderen; toen ik naar het vuur ging om een sigaret aan te

steken, greep hij, in een overmaat van gedienstigheid, met zijn bloote

hand een gloeiende kool, gooide haar van de rechter in de linker, en

liet haar eindelijk vallen.

--Steek liever een takje aan, en geef dat, zeide een soldaat.

--Krijg een lontstok, kameraad, zeide een ander.

Toen ik eindelijk mijne sigaret aan had, zonder de hulp van

Welentschuk, die opnieuw een gloeiende kool in zijne hand trachtte te

nemen, wreef hij zijn verbrande vingers aan de slip van zijne pels af;

en, zeker om maar iets te doen, beurde hij een zwaar blok cederhout op

en wierp het in den gloed. Toen hij eindelijk meende wel te kunnen

uitrusten, ging hij op de heetste plek staan, spreidde den

pelsmantel, dien hij als een dolman om de schouders droeg, uiteen,

spreidde de beenen van elkaar, warmde zijn groote zwarte, handen,

vertrok zijn mond even en deed zijn oogen dicht.

--Hè, ik heb mijn pijp vergeten. Wat een ongeluk, broeders! zeide hij

na een korte stilte, zonder zich bepaald tot iemand te richten.

Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad · 第 21 / 37 题