23. GESPREK MET EEN ZIEKE, OVER ZIEKTEN EN GENEESMIDDELEN.

Tuq Bandar minta maäf, tuan, dia Tuq Bandar (verk. van Dâtuq B.) laat

ta bôleh datăng âri ini: sakit. zich excuseeren (vraagt excuus), hij

kan vandaag niet komen, hij is ziek.

Âpa sakit-ña? Wat scheelt hem? (Wat is zijn

ziekte?)

Ta tâu, tuan, bâik tuan pegi Ik weet ’t niet, mijnheer, u moest

meliat sendîri. Sakit-ña sudah maar eens zelf naar hem gaan kijken.

teruq: kâlaw tidaq diôbati Zijn ziekte heeft al diep

(diôbatkăn), bârang-kâli mati. ingegrepen: als hij niet behandeld

(gemedicineerd) wordt, sterft hij

misschien.

Sâya terlâlu susah-ati mendăngăr ’t Spijt me zeer (ik ben zeer

Dâtuq sakit. bezorgd van hart) te hooren dat u

ziek is.

Di mâna Dâtuq merâsa sakit itu? Waar voelt u pijn?

Sakit-kepâla, tuan. Pijn in ’t hoofd, mijnheer. Scheele

Pening-kepâla. Sakit-perut. hoofdpijn. Buikpijn. Pijn aan de

Sakit-kaki. Sakit-dâda. voeten. Pijn aan de borst.

Âpa mâcăm râsa sakit itu? Hoe is die pijn (gevoel van die

pijn)?

Râsa angus, tuan, saperti api. Ik heb een brandend (heet) gevoel,

mijnheer, als vuur.

Susah bernâpas, tuan. Ik adem moeilijk, mijnheer.

Tuñjuqkăn lidah. Dâtuq ke-sungay Laat de tong ’s zien. Gaat u aldoor

(membuang-âir) selâlu, âtaw naar achteren, of is ’t als

saperti âdat kah (saperti biâsa gewoonlijk?

kah)?

Berâpa âri Dâtuq sudah sakit Hoeveel dagen is u al zoo ziek?

bagini?

Lâma, tuan, tetapi dua tiga âri Lang, mijnheer, maar ik ben twee of

sakit, kemudian bâik sedikit drie dagen ziek, en dan weer wat

pula, ta tentu hal-ña. beter, ’t is ongeregeld (niet vast

de toestand ervan).

Bôleh kah Dâtuq bediri? Kan u staan?

Bôleh juga, tuan; tetapi bâwa Jawel (kan), mijnheer; maar ’t doet

sakit; bâring sâja yang senăng pijn (brengt pijn); ’t liggen alleen

sedikit. is eenigszins gemakkelijk.

Côba bangkit sekârang. Sta nu ’s op. (Probeer op te staan

nu).

Ta bôleh, tuan, t’âda kuat. Ik kan niet, mijnheer, ik ben er

niet sterk genoeg voor (lett. niet

sterk).

Malăm-malăm bôleh kah Dâtuq Kan u ’s nachts slapen?

tidur?

Bôleh, tuan; tetapi waktu tidur Jawel, mijnheer; maar wanneer ik

bâdan sâya keluar peluh sâja. slaap, transpireer ik gedurig (lett.

[18] komt er maar zweet uit mijn

lichaam).

Kâlaw bagitu, Dâtuq sakit-demăm Dan heeft u koorts; typheuse,

(ook enkel: demăm); moeraskoorts (malaria, lett.

demăm-kepiâlu, demăm-kûraq, miltkoorts), binnenkoorts.

demăm-ûrat.

Sâya pikir bagitu, tuan, sebab Dat denk ik ook, mijnheer (lett. ik

makan ta bôleh, merâsa saperti denk zoo, m.), want ik kan niet

mâu muntah selâlu. eten, ik voel mij den heelen tijd

misselijk (lett. voel alsof wil

braken steeds).

Bâdan sâya pânas sekârang, tâdi, Nu is mijn lichaam warm, zooeven,

sa belom tuan datăng (kemâri), voordat u kwam (hierheen), was ’t

sejuq sekâli. erg koud.

Mâri, côba sâya râsa nâdi Dâtuq. Kom, laat me ’s even uw pols voelen.

Dâtuq mengisăp kah? Schuift u opium? (lett. zuigt u)

S’ikit-s’ikit, tuan. Zoo nu en dan een beetje, mijnheer.

Berâpa kâli sa âri Dâtuq Hoeveel maal per dag schuift u?

mengisăp?

Pâgi sa kâli, malăm sa kâli. ’s Morgens en ’s avonds eens.

Lebih bâik jangan mengisăp dulu. ’t Is beter, dat u eerst niet meer

schuift.

Nanti ésoq bôleh kita cakăp Morgen kunnen we wel daarover (die

fasal itu. zaak) praten.

Sâya endaq pulang ke rumah Ik wil nu naar huis teruggaan; ik

sekârang; bôleh sâya kîrim kan u medicijn zenden (laten

(antărkăn) ôbat kepâda Dâtuq. aanreiken.)

Âpa macâm ôbat, tuan? Wat voor soort medicijn, mijnheer?

Ôbat dalăm bâlang itu, endaq lah Die medicijn in een flesch, die moet

Dâtuq minum tiga kâli sa âri; u drie maal daags innemen (drinken);

sukat dăngăn sĕndoq besar, sâtu meet het af met een groote lepel,

sĕndoq sa kâli minum [19]. telkens éen lepel (éen lepel éen

keer drinken).

Bila sudah âbis, kîrim bâlik Wanneer ’t al op is, zend dan de

bâlang-ña, bôleh sâya isi (-kăn) flesch terug, dan kan ik ze weer

lâgi. vullen.

Âri ini bâik sedikit râsa bâdan Vandaag voel ik me wat beter,

sâya, tuan. mijnheer (een beetje goed ’t gevoel

van mijn lichaam, m.)

Sukur lah. Bâdan sêhat kah? Gelukkig (dank, d. i. God dank).

Voelt u zich wel? (Lichaam gezond).

Belom sêhat betul; belom sêhat Nog niet heelemaal wel; idem; reeds

sekâli; sudah sembuh. genezen.

Belom bôleh berjâlan. Ik kan nog niet loopen.

Sâya ta bôleh begeraq. Ik kan me niet bewegen.

Côba, geraqkăn kaki. Kom, beweeg uw voeten ’s.

Ta bôleh, tuan, tulang-ña pâtah. ’t Kan niet, mijnheer. ’t Been is

gebroken.

Tulang mâna? Welk been (bot)?

Tulang di sini, tuan. ’t Been hier, mijnheer.

Ia, sungguh, tulang sudah pâtah, Ja, inderdaad, ’t been is (al)

nanti sâya târik kaki sedikit, gebroken, ik zal je been wat

kemudian târoh dua keping kâyu trekken, en dan twee stukken hout

sabelah-meñabelah, bôleh bâlut aan weerskanten zetten, dan kan het

dăngăn kâin. met doek omwonden worden.

Kaki kîri tergeliat, tuan. ’t Linker been is verstuikt,

mijnheer.

Ânaq sâya bâñaq kudis-buta, Mijn kind heeft erge last van roode

tuan; lâgi kelemumur di hond (lett. blinde schurft); en

kepâlâ-ña. bovendien roos op ’t hoofd.

Kepâlâ-ña mâu dilangîri ’t Hoofd moet goed „geshampood”

bâik-bâik, nanti ilang kelemumur worden, dan verdwijnt de roos op den

itu lâma-lâma. langen duur.

Kudis-buta itu tidaq mengâpa. Die roode hond maakt niets uit.

Tetapi gatăl sangăt, tuan. Maar ’t jeukt erg, mijnheer.

Baîk lah, sâya beri ôbat-ña Goed. Ik zal wat medicijn ervoor

sedikit. (lett. ervan) geven.

Bini sâya sakit-gigi. Gigi-ña Mijn vrouw heeft kiespijn. Een kies

yang sâtu sudah dicâbut, van haar is al getrokken, nu doet

sekârang sakit pula yang lâin. weer een andere pijn. Ik geloof, dat

Sâya kîra bâñaq yang rongga. er veel hol zijn.

Ini lah ôbat-ña. Sûruh dia Hier is een geneesmiddel ervoor.

berkumur-kumur bâik-bâik pakay Laat haar goed den mond spoelen met

âir ini, tiap-tiap malăm sabelom dit water (gebruikt dit water),

tidur. iederen nacht vóor ’t slapen.

Ini lah ôbat-kûrap: Hier heb je medicijn tegen ringworm:

dâun-gelinggang diañcurkăn, lâlu glinggang-blâren fijngemaakt en

dicampur dăngăn belîrang dan daarna vermengd met zwavel en

sendâwa. salpeter.

Bôleh dapăt di rumah-ôbat (sâma Men kan het in de apotheek (bij den

tukang-ôbat). apotheker) krijgen.

Bâñaq angin di bâdan, tuan. Er is veel wind in ’t lichaam,

mijnheer.

Ini lah ôbat-ña, miñaq-pi-permin Hier is de medicijn ervoor,

nâmâ-ña; ambil sa titiq dalăm pepermunt olie heet het (is de naam

âir sâtu gelas kecil. ervan); neem een druppel in een

klein glaasje water.

Ôrang sakit-cîrit endaq lah Menschen, die diarrhee hebben,

makan bubur-ubi-Benggâla moeten dagelijks pap van arrowroot

(-ketêla-pohon) sa-âri-âri. eten.

Luka itu sudah bekeruping, tanda Die wond heeft al een roof, een

sudah mâu bâik. teeken, dat ze gaat (wil) genezen.

Pûru dan bisul bôleh diôbati Waarmee kunnen zweren en puisten

dăngăn âpa? gemedicineerd worden?

Bôleh diôbati dăngăn ôbat busuq Ze kunnen behandeld worden met die

itu (karbol); dăngăn bubur karbol (stinkende medicijn), met

pânas. warme pappen.

Âda kah kaw bâñaq belâhaq Laat je veel boeren, veel winden?

(serdâwa), bânaq kentut? Bâñaq Fluim je veel?

berdâhaq?

Ânaq sâya kenâ câcar Mijn kind heeft de pokken (getroffen

(ketumbuhan). door de p.)

Sudah kah ditanăm câcar âtaw Is ’t al ingeënt of nog niet?

belom?

Ôrang Melâyu takut ditanăm De Maleiers zijn er bang voor

câcar, kâdang-kâdang sudah ingeënt te worden, soms zijn hun

ditanăm, ânaq-ña mati langsung. kinderen op eens gestorven, nadat ze

ingeënt waren.

Kâlaw ditanăm câcar ôleh Als ze ingeënt waren door een

mantri-câcar Gupermèn, tentu gouvernements-vaccinateur, zouden ze

tidaq mati. zeker niet gestorven zijn.

Peñakit âwar (kolêra) itu yang De cholera is erg kwaadaardig, als

jâhat sekâli, sudah kenâ jârang men die heeft (getroffen is), wordt

yang sembuh. men zelden beter (zeldzaam die

genezen).

T’âda ôbat-ña. Er is geen medicijn voor.

Kaw kûrang âpa? Wat scheelt je?

Luka, tuan. Ik ben gewond, mijnheer.

Luka kenâ âpa: pisaw kah, Hoe ben je gewond (getroffen door

pedang, pârang ataw bedil wat): met een mes, een sabel, een

(senâpang)? hakmes of een geweer?

Kenâ lembing, kenâ tumbaq, tuan. Met een werpspies, met een piek,

mijnheer.

Bâik bâsuh dăngăn âir, kemudian Je moet ’t met water afwasschen,

bôleh dijâit. daarna kan ’t genaaid worden.

Kâlaw t’âda kenâ kotor âpa-âpa, Als er heelemaal geen vuil in komt

lekas bôleh bâik. (getroffen door vuil) kan ’t spoedig

beter zijn.

Kâlaw pelûru âda lâgi di dalăm, Als de kogel er nog in zit, kan ik

bôleh sâya câbutkăn. hem eruit halen.

Bagi-mâna bôleh dicâbutkăn? Hoe kan hij eruit gehaald worden?

Dăngăn pekâkas besi ini, sudah Met dit ijzeren instrument, als je

pegang pelûru itu, târik sâja, den kogel al beet hebt, trek dan

nanti keluar. maar, dan komt hij eruit.

Âpa kûrang (kenâ âpa) ôrang itu? Wat mankeert die man?

Kenâ tetaq, tuan. Urat-ña Heeft een houw gekregen, mijnheer.

terbuka di pâhâ-ña kânan. De ader is open aan de rechterdij.

Ini lah ôbat-penâwar. Sudah Dit is een stelpmiddel. Als ’t

berenti bedârah, nanti bubuh opgehouden heeft te bloeden, dan leg

tampal (plèstèr). je er een pleister op.

Kenâ di perut lâgi, keluar Hij is ook nog aan den buik

tâli-perut-ña [20]. Lekas getroffen, de darmen komen eruit.

masuqkăn, bôleh disungkup dăngăn Doe ze snel erin, we kunnen er eerst

tempûrung dulu. een klapperdop opzetten.

Âbis itu, lekas bâwa dia ke Daarna moet je hem gauw naar ’t

rumah-sakit, bôleh diôbati ziekenhuis brengen, daar kan hij

bâik-bâik di sâna. goed verpleegd worden.

Âda kah rumah-ôrang-sakit-kusta Is hier een leprozen-huis, (huis

di sâna? voor melaatschen)?

Tidaq, peñakit-kusta itu jârang Neen, lepra is hier zeldzaam, twee

di sini, dua tiga ôrang yang of drie menschen hebben de ziekte

kenâ, tetapi tidaq dilâinkăn di (die getroffen zijn), maar ze worden

rumah sendîri. niet in een eigen huis afgezonderd.

Sâya pikir perlu dilâinkăn, Ik geloof, dat het noodzakelijk is,

supâya jâuh deri ôrang; sebab ze af te zonderen, opdat ze ver van

peñakit itu kâbar-ña berjangkit. de andere menschen af zijn; want die

ziekte is naar men zegt (’t bericht

ervan) aanstekelijk.

Ôrang ini kenâ peñakit-dâda. Deze man heeft ’n borstziekte. Hij

Selâlu bâtuq sâja. hoest voortdurend.

Kering kah bâtuq-ña itu? Is die hoest van hem droog?

Kering, tuan. Jawel (droog), mijnheer.

Sâya minta ôbat-peñcâhar. Ik vraag om een purgeermiddel.

Ôbat ini diminumkăn tiga kâli sa Deze medicijn wordt ingegeven

âri, tetapi endaq lah di-kocoq driemaal daags, maar ’t moet eerst

dulu; bôleh juga dikacaw dăngăn omgeschud worden; ’t mag ook met een

sendoq. lepel geroerd worden.

Ôbat-lumat (serbuq, puyăr) ini Deze poeders worden telkens op de

ditelăn tiap-tiap waktu makan. etenstijden geslikt (telkens tijd

van ’t eten).

Sabelom-ña makan, ataw Vóor ’t eten of daarna, mijnheer?

sasudah-ña, tuan?

Sasudah-ña. Mengarti? Daarna. Begrepen?

Mengarti, tuan. Jawel (begrepen), mijnheer.

Maleisch-Nederlandsche Gesprekken · 第 28 / 34 题