De Maleisch-Nederlandsche Gesprekken hier verzameld zijn voor ’t
grootste gedeelte ontleend aan de „Vocabulary” van F. Swettenham; een
zevental zijn door ons zelf opgesteld. In de eerste is echter
doorloopend verbetering in ’t Maleisch aangebracht, zooals bij
vergelijking met het origineel dadelijk kan blijken. Ook zijn hier en
daar volzinnen ingelascht of toegevoegd en andere weggelaten.
De schrijfwijze verschilt niet veel van die van Swettenham. Alleen is
voor ch c gebruikt, en werd de spelling meer in overeenstemming met de
juiste uitspraak gebracht. De slotklank in woorden als bâdaq werd
onderscheiden van de k. Zoo kwam, durven wij zeggen, groote verbetering
in de schrijfwijze der klinkers. Deze toch werden door Swettenham zeer
vaak lang geschreven, waar ze inderdaad kort waren (kîta, in pl. v.
kita, dâlam in plaats van dalăm enz.) In plaats van bânyak of banjaq
schreven wij bâñaq. De eigenaardige klinker in de slotlettergreep van
woorden als dekăt, senăng enz. werd door ons op de hier bedoelde wijze
geschreven. De z.g. stomme e behielden wij, omdat deze nu eenmaal
algemeen zoo geschreven wordt, en in dit boekje een praktische
spelling, geen fonetische transscriptie als in onzen Leercursus beoogd
wordt.
De oe-klank bleven wij met u schrijven. Dit komt ons veel praktischer
voor.
Een spelling als in deze Gesprekken heeft ook voor een Engelschman
weinig bezwaar. Ook dit is een voordeel.
Voor hen, die nog niet vertrouwd zijn met deze wijze van
transscribeeren, volge hier dit overzichtje:
Klinkers.
e z.g. stomme e;
é en è ongeveer als in ’t Fransch;
ă iets meer naar de a dan „stomme” e;
u als oe in ’t Nederlandsch;
Medeklinkers.
c als tj in praatje;
j ongeveer als Eng. j in jam, meest door Nederlanders met dj
geschreven;
y als de Nederlandsche j;
g als de Fransche g in gant;
q geeft ’t plotseling afbreken van den ademstroom na den
voorafgaanden klinker te kennen (een hikkend geluid, dat
iets van een k heeft).
ñ als nj in ons woord oranje.
Dr. A. A. FOKKER.
Amsterdam, Januari 1899.