De Oudheid verwekte bij het Patriotisme een naijver, om in de

moedertaal te doen, wat de Romeinen in het Latijn gedaan hadden: een

letterkunde in 't leven te roepen, die zich met de Oude vergelijken

mocht. De Romeinsche Letteren, die men als model beschouwde, kenmerken

zich door buitengewone zorg aan den "stijl" besteed: deels door

juistheid van observatie der gedachte en daardoor volkomenheid van

vorm, deels door fijn oor voor rhythme, deels door overdrijving, spel

met uiterlijke fraaiigheid. Doch zij vertegenwoordigen daarin niet

de volkstaal: hier is zulk een kunsttaal, schepping van talentrijke

geesten uit ruwe stof. De navolging der Klassieken werd dus van-zelve

taalschepping in ruimen zin. Men vormde nieuwe woorden, nieuwe

vormen, een nieuwen zinsbouw, nieuwe figuren, nieuwe tropen, nieuwe

stijlversieringen. Het Latijn oefende hierop grooten invloed. Vooral

ook door haar Rhetorische kunst had Rome geschitterd en heel haar

Letteren droegen een rhetorisch karakter. Dit voerde de Renaissance

tot de vlijtigste studie van figuren, tropen en epitheta. Men beeldde

zich verkeerde begrippen omtrent den kunstvorm in. Deze moet één zijn

met den inhoud. De Renaissance nam den vorm voor iets zelfstandigs. Het

genie hield de groote dichters op den goeden weg. Doch er is ontzettend

gezondigd. Dit formalisme had nog andere oorzaken. Het taalscheppen

werd verleidelijk. Men ging scheppen om het genot van het scheppen. Zoo

ontstond de Vernuftspoëzie, een internationaal verschijnsel. Naarmate

de oorspronkelijke kracht uitgeput raakte, ontaarde dat spelen

met de taal; het werd een krankheidssymptoom. In den goeden tijd

echter was het de liefde, die overdreef, die vertroetelde, die

uitspatte. Het was geen aardigheid, geen zoutelooze mode, het was de

eigenaardigheid van het karakter des tijds. Dat karakter nu ook van

die zijde te kennen, is de eerste voorwaarde, waarvan het genieten

onzer vroeg-XVIIde-eeuwsche schrijvers afhangt. Wij moeten dat

"taalgenot" kunnen meegevoelen. Men vindt het beeld soms leelijk,

dat Vondel den tragedie-, den hekeldichter voorstelt aan het diner

van het vaderlandsch idioom te gast gaand, met den hartstochtelijken

eetlust van den gastronoom. [77] Maar het kan niet juister. Als wij

den smaak eenmaal weg hebben, zullen wij uit ons-zelven van "lekker"

gaan spreken. Men vergete niet, dat ons hedendaagsch Nederlandsch

naar de driehonderd jaar gaat en toen geworden is: wat nu oud wordt,

was toen jong, wat men nu napraat, werd toen gezegd omdat het juist,

aanschouwelijk, weergeven van een aandoening was, wat nu gebondenheid

is, was toen vrijheid. Eerst wanneer men in de taal dier groote eeuw

de Republiek der Zeven Provinciën gaat voelen, zal men het rechte

behagen scheppen in het treurspel van Vondel en Hooft. Dan worden

wij een orgaan rijker, trekt een nieuwe werkelijkheid ons oog en

gemoed binnen. Dan hooren wij den krachtigen, nationalen harteslag

in de "Nederlandsche Klassieken". Wij zullen de bladzijden met genie

geschreven zien. In Granida zult gij de worsteling vernemen, de ééne

groote worsteling, hier om Geestelijk Eigendom d.i. de Taal, gelijk

ginds om de Vrijheid, het Recht en de Eer.

Zwolle, 1890.

In 1916 deed Prof. Dr. A. Kluyver, in het tijdschrift Neophilologus,

in meesterlijk betoog een zeer belangwekkende studie over Granida het

licht zien. Om te beginnen toont de Schrijver aan dat men op grond van

de naamvormen reeds (Tisiphernes, Ostrobas, Daifilo) 't waarschijnlijk

zou kunnen achten, dat het stuk teruggaat op een ander waarin ook naast

een minnaar Daifilo, een minnaar Tisiphernes en een minnaar Ostrobas

optreden; ook de voorstelling dat gelijktijdig in Perzië en in 't

Parthenrijk een machtig Koning regeert zou op onoorspronkelijkheid

kunnen wijzen. [78] Eigenaardig is nu dat in Granida, in strijd

met de in de Litteratuur der XVIe eeuw heersende opvattingen,

een Koning zich en zijn geslacht gaat vernederen met zijn dochter

te geven aan een gewonen Herder. [79] Mucedorus (men zie hiervóór

pag. XXXVII-XXXVIII) is een herder in schijn, hij blijkt een prins

te zijn. Indien Granida ontleend is, dan zou in het oorspronkelijke

Daifilo wel eens een vermomde herder en man van hoogen staat geweest

kunnen zijn. In de dramatische dialoog Diphilo and Granida (men zie

hiervóór pag. XL de noot) is de herder inderdaad van vorstelijke

afkomst. Ook Dr. Kluyver acht dezen dialoog gekonstrueerd uit het

drama dat voorbeeld was voor Hooft's Granida. Er is geen reden dan nog

een verband met de Mucedorus voor dit stuk aan te nemen. Mucedorus is

anders dan Daifilo. Tisiphernes anders dan Segasto, Ostrobas anders dan

de Wildeman. Wat in het eene stuk gebeurt, gelijkt maar zeer in het

algemeen op de gebeurtenissen in het andere. "Men kan alleen zeggen,

dat eenzelfde algemeen thema in twee Engelsche drama's op twee zeer

verschillende manieren is uitgewerkt en dat thema is: de redding van

een vrouw door iemand anders dan door haar aangewezen beschermer."

Van biezonder belang zijn het derde en het vierde Bedrijf. Dr. Kluyver

toont aan (Neophilologus 129-131), dat indien Hooft het drama Mucedorus

of een zeer daaropgelijkend stuk als voorbeeld heeft gehad, zijn

derde Bedrijf dan in elk geval oorspronkelijk zijn moet; het kan,

in karakteristiek en gebeuren, niet worden teruggebracht tot een

Mucedorus-drama. Hooft's voorbeeld moet een ander geweest zijn. Het

is niet waarschijnlijk dat hij-zelf recht heeft op dat dramatisch zoo

uitnemende bedrijf. Het volgende vierde staat ver er bij ten achter

en bederft den indruk van 't voorafgegane (Neophilologus 131-132). Nu

is er aanleiding om te denken dat juist dit vierde Bedrijf eigen werk

is. "Hij wilde hebben een drama in vijf bedrijven, met koren, van een

classieke eenvoudigheid, zonder de heterogene bijmengselen zooals die

in het zoogenaamde romantische drama voorkomen." Voor vijf bedrijven

was de stof van zijn gegeven wel wat klein. Het eerste bedrijf geeft de

ontmoeting van Daifilo en Granida; in het tweede is Daifilo aan het hof

in dienst gekomen en ziet men de twee minnaars Ostrobas en Tisiphernes

tegenover elkaar gesteld; in het derde heeft het gevecht plaats waarin

Ostrobas wordt verslagen, en waarin ten slotte het plan van de vlucht

wordt bepaald; in het vijfde ziet men de vlucht, de achterhaling en

den afloop. Dit waren nu echter maar vier bedrijven, hij had er vijf

noodig. Hoe is hij gekomen aan de hemelvaart van de Prinses? "Mij

dunkt", zegt Dr. Kluyver, "hij heeft die ontleend aan zijn eigen

drama Ariadne, dat een paar jaar vroeger geschreven is. Daarin komt

Bacchus, volgens het mythologisch verhaal, op aarde om Ariadne naar

den hemel weg te voeren; en de beschrijving van zulk een hemelvaart,

voorgedragen door een nutrix in den stijl van Seneca kon in Granida

een groot deel van een vierde Bedrijf vullen. Hooft heeft, dunkt mij,

niet genoeg beseft, dat wat in het spel van Ariadne op zijn plaats was,

in het spel van Granida volstrekt niet paste. De rest van het vierde

Bedrijf is besteed aan de onnoodige en ongelukkige redeneeringen van

Daifilo en Tisiphernes." Zooals Hooft hier het karakter van Daifilo

verdraaide, zoo deed hij te voren in Achilles en Polyxena het karakter

van Polyxena. Men zou nu mogen onderstellen, dat onze Dichter een drama

gekend heeft dat in hoofdzaak bevatte wat hij geeft in het eerste,

tweede, derde, en vijfde Bedrijf (Neophilologus, 131-134). Dat daarin

een eenvoudig herder de gemaal der Prinses zou zijn geworden, dit is

niet waarschijnlijk. "Kan men nu nagaan, vanwaar die tekst gekomen

is?" Dr. Kluyver oordeelt dat het origineel ontstaan zal zijn uit een

verhaal in den geest der Amadisromans (Neophilologus, 135). En nu

herinnert hij nog eens aan den Dialoog Diphilo and Granida, waarin

Diphilo een als herder vermomde Prins is. Dit kan restant zijn van

dat oorspronkelik drama. Er is een stuk van Massinger van 1636, The

bashful Lover, dat (pag. 136-137 Neophilologus) op verrassende wijze

op Granida gelijkt. Men zou kunnen gissen, dat zoowel Massinger als

Hooft op dat oudere drama van Diphilo and Granida teruggaan. Hooft

heeft dan den Prins tot een werkelijken herder gemaakt. Zoo had hij

gelegenheid om motieven van pastorale poëzie te pas te brengen, als

de onschuld van het landleven en den lof van de vervlogen gulden eeuw

der menschheid; hij kon nu ook in het eerste bedrijf het tooneel met

Dorilea er bij maken, dat zoo geheel in zijn stijl is, en waarin hij

zooveel aan Guarini heeft ontleend".

De herdruk is de tekst van 1615, met de varianten van 1605 (H.S., naar

Ed. Leendertz) en 1636. A is 1605, B is 1615, C is 1636 [80]. Andere

varianten zijn er niet (zie Leendertz, Inleiding).--De volgende

drukfouten zijn verbeterd: 356 uatuyre; 734 straten; 868 gansljck;

1373 das' er; 1385 raetstse; 1823 verheueht. Veranderd is ook 1072: de

punt achter "regenen" werd een komma; 1101: de punt achter "beswaer"

werd een komma; 1180: achter "proeven" kwam een punt; 1196: achter

"wat" een komma; 1260: de komma achter "weet" werd een punt; 1463

verdween de komma achter "besindt"; 1628: de punt achter "krenckt"

werd een komma; 616: "nae staet" voor "naestaet"; 773: "uyt rijsen"

voor "uytrijsen"; 1287: "aenhoore" voor "aen hoore"; 1628: "toe

ghesellen" voor "toeghesellen". Veranderd is ook in 1625: "grondloose"

in "grondeloose": in 929 werd "is" ingelascht, en in 1653 "een";

in 934 kwam een komma achter ver' (= Leendertz I, 174; vgl. 1636:

punt achter niet en ver'. Niet veranderd: 1398 dancbaerlijck; 1418

goddeliicke; 1545 (ay spijt! (en cundy slapen?). 1593 vrooliicke. Ook

bleef "welckeen" in 345; en de punt achter 627, die C ook heeft

met een komma achter 629. Aan het teeken ' (Daifilo' u, 't, t', 't'

etc.), het teeken ^ en het teeken ,, werd nergens geroerd; ook

Daifiló voor Daifilo' bleef. Verbeterd werd: 183 'teedre; 270 u;

667 verheft'; 1497 wallecht'; 1745 ulie. 1173-1174 is in den tekst

één doorloopende regel met hoofdletter in 't midden. Gelijk aan den

tekst is 155, hoewel zeker wel voor "een groot"; 925 hoogh ('T = Et?),

vgl. 1605, 1636. In 1450 is schoonprachtich veranderd in

"schoonpratich" (zie varianten). In 221 plaatste ik voor; dubbele-punt;

in 292 werd de punt een komma, in 1685 eveneens. Moet in 737 "hoopt"

staan?

In 1615 en 1636 vormen 802-808 een enkele strofe met van het vorige

afwijkend rijmschema. In het H.S. (Leendertz I, 170) zijn het er

twee, waarvan de laatste met het rijmschema aansluit bij de volgende

vierregelige; de drieregelige eerste een overgang vormt.

De asterisk achter 1463 en de Aanteekening daarbij moet vervallen.

De varianten in de leesteekens van 1636, in den eersten en tweeden

druk te vinden, zijn daar-na niet weer opgenomen.

P. C. HOOFT'S

GRANIDA

SPEL

* * * * *

Tot AMSTERDAM,

By WILLEM IANSZ. op 't water, inde vergulde Sonnewyser.

Anno M D CXV.

* * * * *

In den tweeden druk, 1644, van HOOFTS Gedichten, uitgegeven door

VAN DER BURGH, leest men: Tooneelspel. Behelzende de vryaadje

van Tisiphernes en Daifilo.

INHOUDT

Granida eenighe dochter, en erf-Princesse van Persia,

op de Iacht afgedwaelt van haren sleep*, komt

ter plaetsen daer sy Daifilo Harder, met Dorilea die

hy op minne vervolght, vindt koutende; de welcke

5. haer niet en kunnende onderrechten van het spoor

der voorghereden Iagers, van haer ghevraeght worden

nae eenige Fonteyne om den dorst te lesschen.

Daifilo biedt de Princesse te drincken uyt een Schulp,

met soo heussche ghenegenheydt*, dat de selve*

10. gehulpen van soo wel te passe dienst, oock nae haer

verscheyden van daer, der Princesse welgevallende

naulijcx uyt den sinne gaet. Daifilo ter ander zijden

besluyt sich ten Hove te begeven, om de teghenwoordicheyt,

en diensten wille van so waerdige

15. Prinssesse.

Daifilo sich ghegeven hebbende in dienst van Tisiphernes [81],

op hoope, dat* die als een Prince van

groote verdienste by de croon van Persia, bekomende

het huwelijck van Granida, hy door dat middel aen

20. haeren dienst mocht geraken, quyt hem soo, dat

sijn Heer hem grootlijcx vertrouwende, hem seyndt

aen de Princesse om haer jonste te hebben, int eyndelijck

versoeck, dat hy nae so langh vervolch* om

haer ging doen aen haeren Vader: alwaer hy

25. ontseydt* wordt van sijn teghen-Vryer Ostrobas, Sone

van den Koningh der Parthen, teghens de welcke hy

aenneemt des anderen daechs te vechten. De Prinssesse

soo bekommert over 't aenstaende huwelijck, als

beweecht door het nieu sien van Daifilo, komt dien

30. avondt aen de venster, op gheluck oft [82] eenighe passerende

Musijcke haer quellage wat versachten mochte,

onder de welcke* sy door 't glas siende, sonder ghesien

te wesen hem passeren, en hoorende versuchten,

neemt het selve op voor [83] teecken van waerachtighe

35. liefde, haer daeromme beklaghende over d'onghelijckheydt

der staten* des Werelts.

Daifilo verklaert aen sijn Heer zijn liefde, en d'oorsake

waerom hy in sijnen dienst ghekomen is, hem

biddende te lijden dat hy in zijn stede, ende met zijn

40. wapenen* bedeckt teghens den Parth moghe strijden,

tot het welcke hy hem met redenen beweecht. Daifilo

verwint en verslaet Ostrobas. Tisiphernes besluyt des

anderen daechs de Princesse te besoecken: Maer Daifilo

noch dien avondt onder haer venster passerende, wordt door

45. haer bevel gheroepen van haer Voester. Sy ontdecken

elckander haer onderlinge liefde. Granida seydt gereedt

om met hem te vertrecken, en een Harderinnen

staet ghetroost* te zijn: welcke aenbiedinge hy, nae

dat hy haer de swaericheden van sulcx voorgehouden

50. heeft, en verstaen de selve van haer al te voren overwoghen

te zijn, met groote danckbaerheydt

aenneemt.

De Voester van Granida, op haer sijde gewonnen

zijnde, komt verklaren voor den Koning, ende Tisiphernes,

55. dat de Prinssesse met groot spoock*, voor

eenen Godt gheschaeckt is. Tisiphernes siende op 't

schoonste zijn hoop te leur ghestelt, is om rasende

te worden: Maar Daifilo, die haestich ten Hoof wedergekeert

was, om quaet vermoeden voor te komen,

60. hem onderrechtende*, doet zijn ghemoedt wat bedaeren.

Hy nochtans, walghende van de werelt, besluyt

met luttel gheselschaps voortaen door 't Landt te reysen,

en verklaerende Daifilo waerachtighe verwinner van

Ostrobas te wesen, levert hem sijnen staet over, de

65. welcke hy eerbiedelijck weygherende, belooft gaede*

te slaen, totter tijdt toe, dat 's Prinssen ghemoedt wat

besaedighe.

De Gheest van Ostrobas verschijnt aen sijnen vriendt

Artabanus, die met hem in Persia was ghekomen,

70. hem opstutsende*, om wrake te nemen op Daifilo,

de welcke den eersten morghen-stondt op 't Landt

met de Prinssesse sprekende, van hem ende sijn volck,

beyde gevangen worden,* om [84] opgheoffert te zijn aen

het graf van Ostrobas; Maer Daifilo siende d'overlast

75. van banden diemen de Prinssesse aendede, breeckt

de sijne, te weere rakende teghens sijn vyanden; op

welck gherucht Tisiphernes, die by gheval niet verre

van daer sijnen wech volchde, de Gelieven komt ontsetten,

de welcke bekent* zijnde, beklaghen haer deerlijck

80. dat d'eene ramp d'ander jaghende, het gheluck

wel hardneckelijck scheen besloten te zijn tot haer

bederf. Maer d'eedelhartige Prinsse, [85] in plaets van hem

tegens haer te verbitteren, verwondert sich over haer

selsame liefde, en ghebiedende haer goeden moedt te

85. hebben, belooft* en vercrijcht haer haeren [86] soen van

den Koningh, diese beyde met blijen wellekoom

onthaelende*, te samen huwt.

PERSONAGIEN.

GRANIDA.

DAIFILO.

TISIPHERNES.

DORILEA.

KONINGH.

OSTROBAS.

ARTABANUS.

VOESTER.

Rey van Ioffrouwen.

Rey van Harderinnen.

GRANIDA

SPEL

EERSTE DEEL

DORILEA.

Het vinnich stralen van de Son

Ontschuyl ick in't Bosschage;

Indien dit Bosje klappen kon,

Wat melde't al vryage*!

5 Vryage? neen. vryage jae,

Vryage sonder meenen;

Van hondert Harders (ist niet schae*?)

Vindtm'er ghetrouw niet eenen.

9 Een wullepsch Knaepjen altijdt stuyrt

Nae nieuwe lust sijn sinnen,

Niet langher als het weygheren duyrt,

Niet langher duyrt het minnen.

13 Mijn hartje treckt my wel soo seer,

Soo seer, dorst ick [87] het waeghen,

Maer neen, ick waeg' het nemmermeer*,

Haer minnen* zijn maer vlaeghen.

17 Maer vlaeghen, die t'hans* overgaen,

En op een ander vallen;

Nochtans ick sie mijn Vryer aen,

Voor trouste van haer allen.

21 Maer oft't u miste* domme maeght,

Ghy siet hem niet van binnen.

Dan 'tschijnt wel die gheen rust en waeght,

Kan qualijck lust ghewinnen.

25 Oft ick hem oock lichtvaerdich von,*

En 'tbleef in dit Bosschage,

Indien dit Bosje klappen kon,

Wat melde't* al boelage!*

DORILEA. DAIFILO.

DORILEA.

Daer is hy. och hoe ben ick inde saeck beladen*!

Best dat ick my versteeck onder de bruyne* bladen

In't diepste van [88] het Bosch, al eer dat hy my siet.

Best is het, best ist jae, maer vondt hy my dan niet?*

Weet ick wel wat ick wil? ick ben vervaert voor't minnen,

Ontschuyl mijn lief, en vrees dat hy my niet sal vinnen.

Neen, beter blijfdy hier dan of ghy verder gingt,

Hier komt hy doch voorby; maar luyster wat hy singt.

DAIFILO.

Die gheboden dienst versmaet,

Wenscht'er wel om als 't is te laat.

39 Windeken daer het Bosch af drilt*,

Weest mijn Brack, doet op* het Wilt

Dat ick jaghe,

Spreyt de haghen, [89]

En de telghen van elckaêr,

Moghelijck schuylt mijn Nymphe daer.

45 Nymphe soo ras als ghy vermoedt,

Dat mijn gangh tot uwaerts spoedt,

Loopt ghy schuylen,

Inde Kuylen,

En het diepste van het Woudt,

Daer ghy met rêen vervaert zijn soudt.

51 Vreesdy [90] niet dat de Satyrs, daer

V eens mochten nemen waer*,

En beknellen,

'T zijn ghesellen,

Die wel nemen t'uwer spijt*

'T geen daer een Harder langh om vrijt,

57 Sonder te dencken, dat in't kruydt,

Dickwils Slanghen gladt van huydt,

Zijn verholen,

Loopt ghy dolen,

Maer nochtans hoe seer ghy vliedt,

Dat ghy mijn haet, en dunckt my niet.

63 Want doe wy laest van 's avonts laet

Songhen tot den dagheraet,

Met elck-ander,

En uyt d'ander,*

Tot den dans ick u verkoos,

Bloosden u wanghen als een roos.

69 Mompelen hoord' ick op dat pas,

Dat dat gheen quaedt teecken was,

En wanneer ,,ick

Heel begeerlijck

Kussen quam u mondtje teer,

Repten u lipges, dochtme, weer.

75 'T weygheren, en d'afkeericheydt,

Voecht soo wel niet, alsmen seydt,

Voor de Vrouwen,

'T kan haer rouwen,

Die gheboden dienst versmaet,

Wenschter wel om als 't is te laet.

Sus, sus, wat of ick daer mach hooren

Ritselen inde haghedooren?

Is zy't, zij sal my niet ontvlien.

Neen Dorilea, al ghesien.

Nu suldy [91] hier met gheen een kusjen of ,,raken.*

DORILEA

Daifilo seg ick, ghy sult het te grof ,,maken. [92]

Daifilo, laet my staen.

Daifilo, laet my gaen. [93]

DAIFILO.

Maer Dorilea, moochdy* soo afkeerich ,,zijn

Van 't gheen daer alle menschen nae begeerich ,,zijn?

En vlieden stuyrs van sin?

DORILEA.

Wat doch?

DAIFILO.

De soete Min.

DORILEA.

Ghy noemt het soete Min, en segt dat gene lieden

Behalven ick alleen, de soete Minne vlieden,

Voort* hoor ick van de Min soo veel quaets, dat ick gruw

Van yder een, en die gheloof ick bet als u.

Dus Daifilo, van nu,

Laet my voortaen te vreden*.

DAIFILO.

Ach suldy dan dus schuw*

U groene* jeucht besteden? [94]

Dees teeder schoone leden

En zijn u niet ghegunt*,

Dat ghyse sonder vrundt

Afgunstich* soudt verslijten,

En eens te laet bekrijten,

Dat ghy, om niemandt jonst, of wellust* te doen aen,

Versuymelijcken* hebt u selfs te kort ghedaen.

Wilt rekeninghe maken,

Dat dese roose-kaken.

En dese lippen varsch,

Die gloeyen als een Kars,

Die nu een yder wenscht te kussen en te stroocken,

Sullen van ouderdom verwelcken, en verschroocken*. [95]

Dit effen voorhooft net, [96]

De diepe rimpels met

Ter tijdt sullen ontslechten*;

En dees welighe vlechten,

Die met veel strickjens gail*, soo dertel zijn vertuyt*,

Sullen haer gouden rock allensgens trecken uyt;

En 'tgeen ghy voor fijn goudt moghelijck hielt voor desen, [97]

Suldy bevinden maer silver vergult te wesen. [98]

Dees wacker ooghen bly,*

Veileeren sullen zy

Haer lodderlijcke* treken,

Die soo veel brandts ontsteken.

Dees vlugghe gauwicheydt*,

Daer grijse' aelwaricheydt*,

Gaet sonder reên op gnorten*,

Dien sal den ouderdoom [99]

Die't al maeckt suf, en loom*,

Zijn vleughels dapper korten. [100]

Dan compt onnut berouw, als betrens tijdt ontbreeckt.

DORILEA.

Daifilo ick weet niet van wiens schoonheydt dat ghy spreeckt.* [101]

Nae dat ick kan bevijnen* [102]

En ist niet vande mijnen, [103]

Want onlanghs heb ick dien [104]

Inde Fonteyn* ghesien;

En't beelt in't water stil, my op dat pas verscheenen, [105]

Quam met u segghen niet al te wel over eenen.

Maer siedy 't groene woudt, hoe lustich dat het staet,

Hoordy de Vogeltjens die voor den dageraet

Danckbaerder zijnd'als d'onvernoechelijcke menschen,

De wellekome Son met sang goe morgen wenschen.

Siedy dees heuvels blondt,* en het begraesde* dal [106]

Met Bloempjes veelerley ghemarmort over al,

'T wellustighe banket* van de ruyschende Bijen? [107]

Hoe vrolijck lacht het al in dese Somer-tijen?

Maer als den guyren Herfst komt met zijn buyen aen,

Sal dese dinghen al haer vrolijckheyt vergaen,

En dees bloeyende jeucht des Werelts, sal verkeeren

In dorren ouderdom, en haer cieraet ontbeeren.

Nochtans, indien dat al

De Bouwliên* spanden t'samen*,

En met [108] groot gheschal*,

De Goden bidden quamen,

Dat Donder, Blixem, Windt, en Haghels groot gheweldt

Mocht komen metter yl vrybuyten over 't veldt,

Beroven d'Aerde van haer ghespickelde [109] rocken*,

De Berghen van haer cruyn, de Boomen van haer locken,

Om dies wil*, dat doch eens d'aenstaende Winter wreedt

Het Aertrijck plaghen sou met dierghelijcken leedt;

Soudy niet segghen, 'twas haer nutter dat zy baden

Om redelijck verstandt?

DAIFILO.

165 Iae, trouwen

DORILEA.

Soudy raden

Dat ick door Min een buy met sonne-schijn vermomt,

Die lichtelijck vernielt, wie dat zy overkomt,

Dan krencken sou mijn jeucht, om dies wil dat de jaren

Dese schoonheden mijn (ghenomen [110] datse waren

Ghelijck als ghyse maeckt) my souden maken quijt?

Soud' ick de schae des tijdts gaen soecken voor de tijdt?

DAIFILO.

Granida · 第 3 / 12 段