P.C. HOOFT'S GRANIDA
Uitgegeven door
J.H. van den Bosch
Vierde druk
Zwolle--W.E.J. Tjeenk Willink--1922
ZWOLSCHE HERDRUKKEN
Onder redactie van
J.H. van den Bosch en Dr. F. Buitenrust Hettema
No. 2
HOOFT'S GRANIDA
VOORBERICHT.
Rekenschap omtrent den tekst vindt men achter de Inleiding.
De oude Inleiding van 1890 bleef nog; van nieuwe vondsten en meeningen
werd gewag gemaakt.
De asterisken wijzen voornamelijk aan, die woorden die in de
tegenwoordige taal nog bestaan maar in min of meer afwijkende
beteekenis of met andere kracht. De plaats van den asterisk voor of
achter het leesteeken zegt of men met woordverklaring te doen heeft
(in het glossarium te zoeken!) dan wel met een Aanteekening.
De Aanteekeningen zijn over 't algemeen dezelfde gebleven.
INLEIDING [1]
I.
De Italiaansche Renaissance was even radicaal onzedelijk als
ongodsdienstig. Een maatschappij zonder godsdienst is altijd een
maatschappij zonder zedelijk bewustzijn, eindigt altijd met een
afkeer van haar bestaan en ontvlucht dan haar eigen wereld, om in
de oorden der phantazie het verbeuzeld geluk en den weggesmeten
vrede te zoeken. Zoo is het het Romeinsche Keizerrijk gegaan,
zoo ging het in de XVde en de XVIde eeuw in Italië. De Litteratuur
der Renaissance was een litteratuur der hoogere standen, en, gelijk
altijd, hierin spiegelde het leven zich met kleur en licht en schaduw
af. Ongodsdienstig en onzedelijk als zij was, getuigde ze ook van de
heerschende zatheid. Gelijk in de negentiende eeuw de dorpsvertelling
natuur en eenvoud is gaan prediken, zoo de Herders- en Visscherszang,
het Herders- en Visschersdrama en de Herdersroman toenmaals, sinds
het laatst der vijftiende eeuw vooral. Vol sentimenteel heimwee goot
het dichterlijk gemoed zich uit in klachten over verloren eenvoud,
oprechtheid en onschuld. De phantazie van den kunstenaar begaf
zich buiten de paleizen, buiten de steden; hij schiep zich, op het
tooneel der onveranderlijke natuur, een verdichten natuurmensch. De
tijdgenooten nu vonden in den dichter een tolk: die overprikkelde
kinderen van weelderige overbeschaving. Zij hadden alles genoten;
slechts het contrast kon hen bevredigen.
Hier handelen wij enkel over de Pastorale (Herdersdrama).
De Renaissance-litteratuur was een reproductie van de Romeinsche
Letteren hoofdzakelijk, zelf navolging van Grieksche modellen. Ook
de Pastorale is van antieken bodem. THEOCRITUS (± 270 v. Chr.) had
den beurtzang der Siciliaansche Herders een plaats verschaft in de
Grieksche kunstpoëzie. Meestal dialoogsgewijze, schilderde hij daarin
Idyllen d.i. Tafereeltjes uit het leven van herders, van landlieden,
visschers en kleine burgers. Eerst naar den vorm, daarna ook omdat
de stof aan het leven der lagere standen ontleend was, heetten deze
Idyllen Bukolische poëzie (boukolos = herder).
In de Litteratuur van Rome ging zij over.
Omtrent 40 v. Chr. dichtte VERGILIUS een tiental Idyllen, die
bij de Romeinen weldra als "Eclogae" d.i. "Uitgelezen Gedichten"
bekend stonden. De term Ecloga kreeg zelfs de vaste beteekenis van
Idylle. Vergilius en Theocritus, zijn voorbeeld, onderscheiden zich
echter eigenaardig. Tijdens den laatste reeds was de bloeitijd der
Grieksche Letteren goed en wel voorbij. Maar, ondanks zijn liefde voor
de schildering van stille, rustige landschappen (Idylle VII, XXII) en
zijn teederheid, het sentimenteele kent hij niet. Zijn herders, zijn
burgervrouwen zijn niet meer of minder dan lieden uit het volk. Het is
hem om de werkelijkheid te doen. Hij wordt met eenig recht als Realist
geprezen. De samenleving te ontvluchten, daarvan is bij hem weinig
sprake. Aan de echtheid der herders van Vergilius moet éér getwijfeld
worden. Hij en zijn tijdgenooten hulden zich hier in een masker van
landelijken eenvoud. Tityrus (Idylle I), ook Menalcas (Idylle V, IX)
is de dichter-zelve. Er wordt niet herdersch, maar hoofsch gesproken;
over de aangelegenheden der voorname wereld niet zelden. Hier bekoort
ons het Realisme van den voorganger niet. VERGILIUS is de voorganger
dier latere dichters, welke hun eigen gewaarwordingen in den mond
van natuurmenschen leggen.
Van den aanvang af heeft de Renaissance behagen geschept in de Ecloga
der Romeinen. Reeds de geleerden aan het hof van KAREL DEN GROOTE had
zij tot navolging uitgelokt. Nu werd zij een der meest geliefkoosde en
meest beoefende genres. Als Vergilius was de Renaissance hoofsch. En
juist dat mommespel, die Allegorie viel toenmaals in den smaak, werd
kunst bij uitnemendheid geacht. Zelfs de voorloopers van het nieuwe
geestesleven, waarin de middeleeuwen overgingen, hebben zich met de
Ecloga bezig gehouden; ook DANTE liet zich niet onbetuigd: met den naam
Tityrus treedt hij, over zijn Commedia handelend, in den herdersdialoog
op. PETRARCA († 1374) en BOCCACCIO († 1375) volgden. Het is merkwaardig
dat de realistische schrijver der Decamerone van zoo groote beteekenis
werd voor de verdere ontwikkeling der herderspoëzie. Boccaccio verbond
de Ecloga met het prozaverhaal. In zijn Ninfale d'Ameto schilderen
zeven Nymphen voor den jager Ameto de lotgevallen hunner liefde en
elk zingt haar Ecloga. Eigenaardig is het Platonisch karakter van dit
werk. De Nymphe Fiametta verpersoonlijkt er de Platonische liefde,
Ameto's ideaal. Herders echter zijn niet platonisch. Maar in de XVde
eeuw wijdde men zich, 't meest in Florentijnsche kringen en te Rome,
met ernst aan Plato's philosophie: zij tint ook de Litteratuur van
die dagen en later. De Eclogen van BENIVIENI en BONINSEGNI getuigen
ervan. Doch zuiverder dan elders wordt die boven 't louter zinnelijke
verheven liefde in SANNAZARO'S Arcadia van 1504 gevierd. Deze Arcadia,
navolging van Ameto, is het tweede meer uitgebreide prozawerk der
Herderslitteratuur en wellicht het volkomenste. Idyllische mono-
en dialogen besluiten zijn twaalf hoofdstukken. Sannazaro zelf
treedt er als Sincero in op, zijn geliefde Carmosina Bonifacia als
Amaranta. Groote vlijt is er aan de schildering van het landschap
besteed. Zestig drukken in honderd jaren spreken duidelijk van den
invloed dien de Arcadia, twee eeuwen lang, in Italië en daarbuiten,
op de Idyllische poëzie heeft uitgeoefend. Zij is een overgang tot
den Herdersroman geweest.
Tegen het laatst der XVde eeuw begon het Bukolische drama. De
dialogische Ecloge was ietwat dramatisch. Een dramatisch tafereel
is Theocritus' XVde Idylle: De Syracusische vrouwen op het
Adonisfeest. Het ligt in den aard der zaak, dat de Herders het
tooneel eenmaal betreden zouden. De oudste bekende Pastorale is
POLIZIANO'S Orfeo ± 1480. Dat deze Orpheus tevens het eerste zangspel
is, is niet maar toevallig. Het Bukolisme was een uitvloeisel van
een hoogst subjectief gemoedsleven. De geheele Renaissance vertoont
een sterk individualistisch karakter. Daarom heeft zij, hoewel het
Epos als de hoogste kunst vereerend, toch geen eigenlijk Epos voort
kunnen brengen. En ook in het Drama is zij niet gelukkig geweest,
behalve--dat zij de vinder van twee nieuwe genres werd, beide lyrisch
en muzikaal van aard: de Opera en de Pastorale. Pastorale en Opera
nu vallen in hun oorsprong samen. Want de eerste Pastorale ± 1480 is
een soort Opera en de eerste Opera, RINUCCINI'S Dafne, 1597 is een
soort Pastorale: gedurende de XVIde eeuw was het Herdersspel een der
voorloopers van het Dramma per Musica. Opmerkelijk dat in Spanje de
eerste proef met muziek in het Drama genomen werd met LOPE DE VEGA'S
gedramatiseerde Ecloge Selva sin amor.
In Orpheus speelt alleen het eerste bedrijf, een drietal kleine scenes,
tusschen herders. Slechts los samenhangend met de voorgestelde mythe
vormt het een spel op zichzelve,--deelt echter tevens zijn koloriet
mede aan het geheel. Van dit eenvoudig begin af, ziet men de fabel
steeds ingewikkelder worden. In de XVIde eeuw geraakte de Pastorale
tot zelfstandig bestaan en allengskens tot hooge volkomenheid. De
Poëzie vierde een harer schoonste triomphen in TORQUATO TASSO'S
Aminta, 1573. Minder poëtisch, maar als drama, indien al geen
volmaakt meesterstuk dan toch het beste wat de Bukolische Litteratuur
heeft opgeleverd, is GUARINI'S Il Pastor fido van 1583. Met groote
vrijmoedigheid gingen andere dichters bij Guarini en Tasso vrijbuiten:
vooral gedurende de XVIIde eeuw, toen de Herder zijn rol ijverig
bleef doorspelen. Geen geringe plaats beslaat dit drama in de
Letterkundige Geschiedenis van Italië [2]. Over 't algemeen vertoont
het eenzelfde karakter. Zijn oorsprong uit het gemoed verraadt
het niet alleen in menigvuldig Koorgezang, in Canzonen, Eclogen en
andere liederen: de taal in haar geheel is er muzikaal-lyrisch. Het
zijn valsche herders en valsche herderinnen: het hofleven is er naar
de vrije natuur verplaatst: de hoflieden met hun gewaarwordingen,
gedachten en overleggingen, met hun zeden, hun glanzende en blinkende
onzedelijkheid, hun epicuristische verfijning en onverholen zin voor
en in het naakte, kleeden er zich in het eenvoudige gewaad van den
herder. Tasso meldde in het werk zijner jeugd, zijn eigen edel, rein
hart [3], en toch herkent men bij hem van bedrijf tot bedrijf de sfeer
van het hof: ook hij was een kind van zijn tijd. Het allegorische
van Vergilius' Ecloge bleef bewaard. Niet slechts schildert Tasso
de omstreken van Ferrara. Sannazaro had zijne liefde in de Arcadia
beschreven. Dit persoonlijke, dat de groote aantrekkelijkheid van den
herdersroman der XVIde en XVIIde eeuw uitmaken zou, is ook eigen aan
Aminta en Il Pastor fido. Carino is Guarini; Tirsis Tasso zelve. En
toch was het Herdersspel een verheerlijking van dien Gouden Tijd,
waarvan de Oude Wereld gedroomd had: toen men vrijwillig, zonder
wet, het goede deed. Toch koos de Idyllendichter, zoo hij niet bij
Theocritus op Sicilië, of in Italië bleef, tot zijn tooneel veelal
dat oude landschap, bij de Grieken zelve vermaard om den eenvoud
zijner zeden: dat landschap zonder geschiedenis, zonder wetenschap
en zonder kunst behalve die der Muziek: Arkadië.
II.
Overal elders in het litterarisch Europa werd in de XVIIde eeuw het
galante Herderdom door de hoogere standen met open armen ontvangen. Het
verhaal dezer ontvangst is even pikant als dwaas. Vorsten en
vorstinnen, gravinnen en graven vertoonden het Arkadisch bedrijf,
op groote schaal, in het leven-zelf. Doch in Nederland heeft het
Bukolisme niet tot bloei kunnen komen. Het was hier toenmaals
een tijd van groote kracht: de tijd onzer manlijke rijpheid: een
tijd van groote doeleinden, van durven en wagen. Wij stonden als
mannen in ons Kalvinisme: ook wij hadden onze zege's op Spitskop. De
natie was burgerlijk. Hecht was de grondslag van burgerlijke zeden,
waarop het gebouw der Zeven Provinciën verrees. In zijn Houwelick
(1625) heeft de veel gesmade, door slechts weinigen gekende CATS den
codex neergelegd van het toenmalig huisgezin: het huisgezin, dat de
maatschappij-zelve draagt. Een vonnis over Cats uit te spreken, is
de XVIIde eeuw, de natie in haar besten tijd veroordeelen [4]. De
samenleving nu, waar de wijsgeerige waarnemer zulk een wetboek
uit putten kon, is noch zat, noch sentimenteel geweest. Zatheid
en sentimenteelheid is willoosheid en verveling. Natuurlijke
gezondheid is handelende kracht. Al heeft echter de Herderspoëzie
bij ons niet willen tieren, toch neemt zij in onze Letteren een
plaats in: de Renaissanceletteren waren internationaal, ondanks hun
individualisme. Doch juist de geschiedenis der Bukolische Idylle te
onzent bewijst, dat de Idyllische stemming ons in het Gouden Tijdperk
vreemd was. Een Bukolische kleur draagt onze Litteratuur in de eerste
dertig jaren der XVIIIde eeuw: hoe weinig heeft zij toen voortgebracht,
dat, zich boven 't middelmatige verheffende, van genie getuigt, van
oorspronkelijk, persoonlijk leven. Vóór 1650 heeft de Italiaansche
smaak eigenlijk geen vat op onze dichters kunnen krijgen. Eerst in de
tweede helft der eeuw begon men zich er mee in te laten: het nationaal
karakter was toen aan het verzwakken. Zoo de Pastorale in de dagen van
krachtigen bloei zelfs door een van Vondel's uitstekendste gewrochten
vertegenwoordigd wordt,--de Leeuwendalers van 1647 is ook het meest
nationale en meest realistische zijner drama's: de onvervalschte
Pastorale echter is realistisch noch Hollandsch. En hoe was VONDEL
tot het plàn van zijn Landspel gekomen? De Pastorale was overal
elders ook allegorische Feest-vertooning geworden en een Landelijke
Allegorie leek den Dichter de beste vorm om, heugelijk, dramatisch
te vieren den vrede, die het glorierijk einde was van de rampzalige
en beroerlijke tijden waarin het burgerlijke en landelijke Nederland
zoolang gedompeld was geweest. Ook was RODENBURG er hem in voorgegaan
de Pastorale op vaderlandsche zaken toe te passen, en dat beide stukken
de personen en namen van Heereman en Vrederijck gemeen hebben, bewijst
voldoende, dat Vondel deze proefneming gekend heeft [5]. Heel iets
anders dan zijn landtooneel was ten jare 1634 de vertooning in KRUL'S
Amsterdamsche Muziekkamer: de tijdgenooten hebben op het Romantisch
Pastorel-Musgck-Spel. dat men hier opera-achtig opvoeren zag, weinig
of geen acht geslagen. Eigenaardige beteekenis heeft de Angeniet van
BREDERO, vijf jaren na zijn dood, in 1623 verschenen. Men mag dit stuk
een zónderling soort van Pastorale noemen,--een Pastorale is het. De
tegenstelling van oprechten eenvoud en verdorven beschaafdheid is er
het thema. Een ongelukkige liefde had den realistischen schilder van
het lagere volksleven indachtig gemaakt, hoe elders in Europa vele
dichters hun teleurstellingen, hun liefdesmart in herdersdrama en
herdersroman gewoon waren uit te klagen. Zoo stortte ook hij zijn
hart uit over de practische lieden die penningen boven degelijkheid
en talenten stellen, en geeselde er de ontrouwe coquette. Reeds
in 1617 had de Trouwen Batavier van Rodenburg het licht gezien. De
Leeuwendalers was ten deele aan Guarini's Pastor fido, voor een ander
deel aan Tasso's Aminta ontleend. De Batavier is een navolging van den
Pastor. Vondel's stuk echter speelt in Arcadië: Rodenburg kiest zijn
tooneel in Batavia en stelt den tijd in den tachtigjarigen oorlog,
omtrent 1595 kan men zeggen misschien. Wij vinden er ons in den Haag
en te Leiden verplaatst. Desniettemin is Heereman hoogepriester van
Diana en afstammeling van Hercules gelijk Zeegheer van God Pan. Het
is mogelijk dat de dichter (men kent hem er voor) de ongepolijste
klucht langs dezen weg wou tegenwerken. Dit was dan een misrekening:
het stuk is al te zonderling.
Wij handelen nu niet over vertalingen van Herdersromans en van
Theocritus' en Vergilius' Eclogae, niet over HEEMSKERK'S didactische
Arcadia of over gedichten als HUYGHEN'S Uytlandige Herder, waarin
hij-zelve bespiegelingen over zijn vaderland houdt, noch over het
liedboek en de Herderszangen bij Heinsius, Hooft, Cats, Beaumont,
Starter, Vondel en anderen. 't Eene noch 't andere zou de stelling
omver stooten, dat onze Letteren in hun besten tijd alles behalve
Bukolisch geweest zijn.
Als Cats' Pastorale van de Koningklijcke Harderin Aspasia wordt
meegeteld, dan ontbreekt op onze boedellijst, wellicht, nog slechts
de Granida. Zij is van 1605 maar werd in 1615 gedrukt, en juist dit
jaartal is voor ons betoog van belang. Granida is uit de jaren van
onze litterarische voorbereiding en wordt met recht een vrucht van
HOOFT'S liefde voor Italië genoemd. Rodenburg noemt den Batavier een
"zestien-jaren-verleden-tijd-verdrijf" en dit voert ons almede naar
het begin der eeuw terug: ook hij had vroegtijdig in het buitenland,
toen aan het Hof van Elizabeth in Engeland, verkeerd. Een kleine
halve eeuw ligt tusschen de Leeuwendalers en deze oefeningen. Wat
bracht Hooft echter tot de ùitgave van zijn stuk? Daarvan legt hij
rekenschap af in het in handschrift gebleven voorbericht [6], dat hij
er eerst aan toe had willen voegen. Buiten des auteurs weten had men
zijn Achilles en zijn Ariadne voor den dag gehaald en krielend van
fouten in 't licht gezonden. Hetzelfde lot dreigde het herdersspel. En
dit dwong hem "om te gedooghen, dat men 't liever wtgaeve soo slecht
als 't was, dan heel bedorven; hoe seer het hem ook tegens de borst
stiet". Zoo is het schijn, dat in 1615 het onnationale genre in den
smaak kwam. Of is het niet opmerkelijk dat juist vlak na Granida
Rodenburg zijn Batavier weer ter hand neemt en uitgeeft (1617), zijn
half-vergeten proeve [7], Bredero den Angeniet opzet [8] en in 1618
de eerste vertaling eener Italiaansche Pastorale, door Mr. G. VAN DER
EEMBD verschijnt en wel juist van Guarini's Getrouwen Herder, waarmee
de Granida annex was [9], dien de Batavier nagevolgd had? In drie
jaren op eenmaal vier stukken. Tot 1647 duurt het dan niettemin met
Vondel's Landspel (Krul's stukken zal niemand hier mee laten doen):
men was dus niet voortgegaan op den ingeslagen weg. Alleen in 1646
een tweede vertaling van den Pastor [10]: de vier nog volgende vallen
later, en met Tasso's Aminta duurde het tot 1660, later door nog drie
vertalingen gevolgd. Blijkbaar is Rodenburg door het voorbeeld van
Hooft indachtig geworden, dat ook hij nog iets in de lade had: hij
gaf gaarne uit. Beider voortbrengselen dateerden van een vroegeren
tijd en waren aan het verblijf der dichters in Italië en Engeland
te danken. Bredero liet zijn wraak weer varen en de uitvoering
van zijn plan verbleef aan zijn vriend Starter. Zijn Angeniet is
niet uit letterkundige liefde tot het genre-zelf ontstaan. [11]
En de Leeuwendalers? Wat Vondel op het denkbeeld bracht, hebben wij
aangeduid en zijn drama viel niet Italiaansch maar Hollandsch uit.
III.
Het handschrift der Granida draagt den datum 1 Maart 1605. Om dit
vroege jaar moet het stuk met groote belangstelling worden begroet. Er
was toen eigenlijk nog geen Nieuw-nederlandsche Litteratuur; zij
verkeerde in hare voorbereiding. Geen der andere mannen van onze
Letteren kon nog toonen, wat hij worden zoude. Vondel was achttien,
Huygens nog geen negen jaar. Maar reeds had Hooft (geb. 1581)
zich gezet tot het bewerken van het eerste drama dat, los van
alle Rederijkerij, inderdaad modern mocht heeten. Hij opende de
toekomst van het drama. Reeds waren liederen uit zijn pen gevloeid,
die wedijveren met het beste dat eenig volk ooit gezien heeft. Het
Herdersspel moet nog voleindigd worden, als de dichter begint met zich
een gedenkteeken op te richten, duurzamer dan metaal: een gedenkteeken
van zijn vroege rijpheid en de manlijke kracht van zijn talent. Vóór
de Eeuw van FREDERIK HENDRIK daar was, had hij in zijn Lyrische Poëzie
al van het hoogste bereikt, dat de kunst daarna bereiken mocht: een
onwaardeerbare schat, waarin het vroegste waardig nevens het latere
prijkt. In zijn eerste gedichten gaf Hooft niet slechts beloften:
hij was van die weinigen, welken het, met veel stillen, ernstigen
geestesarbeid, gegund is zoo jong een meester te zijn. [12]
Hoofts letterkundige arbeid onderscheidt zich eigenaardig en scherp,
ondanks wezenlijke punten van overeenkomst, niet enkel van Huygens, ook
van Vondel. Vondel en Huygens, ook Cats in een aantal opzichten, zijn
vertegenwoordigers van de nieuwe beschaving die op de middeleeuwen
gevolgd is en in Italië begon, voortgekomen ten deele uit de
herleving van de Klassieke Litteratuur en haar geest. De Nederlandsche
Letteren der XVIIde eeuw zijn in veel opzichten echt nationaal. De
ijverig Katholieke Vondel en de gematigd Calvinistische Huygens zijn
noch Italiaansch, noch copieën van de Ouden. Het is Nederlandsche
Renaissance. Maar Hooft heeft een kleine Litteratuur opzich-zelve
voortgebracht. Daarin uit zich een gemoeds- en geestesleven,
dat veelszins vreemd was aan de natie. Hooft alleen geeft ons een
denkbeeld van de Italiaansche Renaissance, van een Renaissance tevens,
die in veel wezenlijk Antiek is. [13] Hij is, hoezeer tegelijkertijd
een degelijke Hollander, een type van een Renaissancemensch; bijna,
denkend aan de ondegelijkheid van zijn zuidelijke geestverwanten,
zeiden wij: een model--om zich aan te spiegelen. Het is, in zijn
algemeen Humanisme, symbolisch voor hem, dat hij, zoomin als zijn
vader, tot een kerkelijke gemeenschap behoord heeft. Het Calvinisme
noch de Schrift, als levensboek, trok hem aan. Hij gevoelde zich beter
thuis in het gezelschap van Petrarca en Ronsard. Hij was minstens
even zedelijk als wij; voor 't overige had hij Italië lief en was op
zijn wijze Italiaansch. Dit was hij zonder tegen zijn natuur in te
gaan. Hij deed dit ook niet in zijn geschriften. Hij bootste niet
na. Het Zuiden heeft hem aan zichzelf ontdekt, hem opgewekt, hem
sterk gemaakt en gevormd. Ook aan Frankrijk heeft hij verplichtingen,
maar in de Italiaansche Letterkunde zag hij het ideaal bereikt--een
Letterkunde de Oudheid waardig gesticht in de taal van de eigen
natie. Italië was zijn eigenlijke school. [14]
Het is Hooft, die te onzent, gelijk het in Italië geschied was, naar
de modellen der Oudheid, een nieuwe Geschiedbeschrijving toepast,
die de schoonheid met de waarheid vereenigen wil en pragmatischen
samenhang verlangt. Latijnsche schrijvers hadden op uitstekende
wijze den Brief beoefend. De eerste geesten van Italië vatten die
Epistolographie wederom ijverig op. Hooft is het, die bij ons,
met hen, zijn Hollandsche brieven den eisch stelt van kunstwerken
te zijn. Als de Renaissancemannen van den goeden tijd streeft hij
bovenal naar de preciese en aanschouwelijke voorstelling zijner
gedachten en gewaarwordingen. Hem spreekt het van zelf, dat zijn
Lied, als zijn Sonnet, rijk van gedachte moet zijn en de eenheid
van aanschouwelijkheid en juistheid de schoonheid-zelve is. Al zijn
Lyrische poëzie verraadt de edele eerzucht van den geroepen kunstenaar,
die scheppen wilde, en scheppen kon.
Maar, zooals aan den vorm, ook aan den geest van zijn minnedicht heeft
Italië deel,--ook van zijne geschriften in 't algemeen. Wat hij met
de leermeesteressse gemeen heeft, onteert hem gelukkig niet en bewijst
zijn soliditeit en zijn zelfstandig en stoutmoedig oordeel. Het maakt
tevens dat lieden van moderne denkwijze hem verstaan en behagen in
zijn omgang scheppen. Hij is zoo sceptisch aangaande de verhouding der
onzienlijke en zienlijke dingen, dat men met recht beweren mag: Hooft
is strikt genomen geen "Christen" geweest. De macht die het zichtbaar
beloop van het aardsche regeert of stuurt, noemt hij bij voorkeur
"Geluk", "Fortuin". Met de Oude Godheden, die hij in zijn gedichten
zoo natuurlijk huldigt alsof het zijn voorouderlijke godheden waren,
is ook de Antieke Fortuna tot hem ingekeerd. Maar de Ouden bracht
zij veelal heil en zegen. Hooft stelt haar vaker als de vijandin der
menschheid voor: de Grieksche Moira heeft den Romeinschen naam bij hem
aangenomen. Het onverbiddelijk Determinisme, dat Hooft later belijdt,
is buiten kijf reeds van ouden datum bij hem. Al met zijn eerste
Latijn en Grieksch had hij het ingezogen. Het laat zich van vroeg af
wel vermoeden, dat dit philosophisch hoofd eenmaal weigeren zal de
noodwendigheid van al wat is, oordeel Gods in Christelijken zin te
noemen. Fransche philosophie werkte er krachtig toe mee. Prediken doet
hij zijn: "Wat weet ik?" niet. Het gevoelen dat de maatschappij met
onchristelijken twijfel gebaat zou zijn, is hij niet toegedaan. Hij
acht het nergens dienstig toe, er de rust van zijn kalm leven mee te
verstoren. Ieder mag op eigen manier zalig worden. Geen belijdenis
sluit het goede uit en dit vindt hij veel. Een goede Katholiek is
niet slechts. Hooft is indifferent: niet tegen den godsdienst is hij,
maar zelf (behoudens zijn eerbied voor het mysterie dat hem omgeeft
en zijn vereering van het Goede), zonder uitgewerkt geloof en vurige
aanbidding. Verdraagzaamheid vloeit hier uit voort. Niet Vondel's
Roomsch-zijn, maar zijn onnationale gevolgtrekkingen in 't politieke
veroorzaakten een omkeer in de gezindheid van den Drost. Doch--ook
Vondel's ijveren was hem tegen de borst. Hij was niet vrij van Egoïsme,
hij was verzot op het aangename, hij was Epicuristisch van aanleg en
door studie. Het ideaal van een verstandig man achtte hij in volkomen
rust gelegen. In zijn jeugd mag hij dit wel reeds van zijn ouden vriend
Hendrik Spieghel vernomen hebben, en geen van beiden heeft Epicurus
schande aangedaan. Noch in overvloed en rijkdom, noch in eer en macht
stelt hij zijn geluk. Alle zinlijke genoegens en genietingen bemint
hij, maar nadrukkelijk waarschuwt hij zich-zelven en anderen voor
het Te Veel. Geestelijk genot gaat boven alles. En de middelen, die
ons de vriendschap der gelijken en het goede aandenken der minderen
verwerven, zijn, met een wel ingericht huis, onder de voorwaarden
eener eerlijke gemoedsrust. Hij voor zich rekent nog een uitnemend
echtgenoot daartoe.--Zijne denkbeelden over de Liefde zijn niet minder
karakteristiek dan zijn vrije blik op de wereld. De Renaissance had
over de Alpen een hoogeren stand in het leven geroepen, die zich,
anders dan in de Middeleeuwen, door schitterende geestesbeschaving ver
boven het gros verheven mocht rekenen. Zij had er de vrouw uit haar
staat van afzondering en onmondigheid ontslagen, om haar voortaan te
doen huldigen als richteres en handhaafster der schoone vormen. Hooft
wederom zou zich op het Muiderslot de verfijning en veredeling
van het gezellige leven ter harte nemen en van den beginne af ziet
men hem boven het achtenswaardig Vaderlandsch Realisme verheven,
dat in de wederhelft weinig meer dan de beminlijke moeder der
kinderen en de aangename bestierster der huishouding behoeft. Want
den vierentwintig-jarigen dichter van Granida was dit te weinig. In
Florence had hij de kunst der Galanterie geleerd en zij was meer bij
hem dan vernissen van in hartelijkheid of reinheid te kort schietende
gezindheid en neiging. Zoo er conventie en manier in steekt, zij staan
hier in dienst der echte poëzie. De uitheemsche taal der vereering
werd hem het natuurlijke middel om zijn eigen vereering van de begaafde
vrouw te uiten: bewonderenswaardig is de gemakkelijkheid waarmede hij
zich deze taal heeft eigen gemaakt. Hij aanbidt in de Geliefde de
Bella Donna der Italiaansche sonnetisten: het volkomene Ideaal der
Goedheid in Schoonheid zichtbaar geworden, de zuiverste openbaring
van het Goddelijke. Ongeveinsd is zijn deelnemen aan hun eeredienst
van het Hoogste Schoon, waarin de stoffelijke vorm zinnebeeld is
van koninklijke eigenschappen. Uit echte verwondering komt zijn
religieus-getinte natuurverheerlijking voort, maar het is voor zijn
"Vrouw" dat de vergode Zon schijnt. Ongedwongen neemt zijn spreken
den toon aan van het gebed, wanneer hij haar Godin noemt en knielt
voor haar altaar. Alle kleinheid en zwakheid is haar vreemd. Zij
vereenigt goedheid met waardigheid, met beraden wijsheid teedere
lieflijkheid. Heilig zijn haar leden, heilig de gunsten die zij uit
Goddelijke genade schenkt. Zoo Platonisch is Hooft wel niet, dat hij
het zinlijke minacht. Integendeel. Maar hij wil geadelde zinlijkheid,
die, wortelend in de betrekking der geslachten, uitloopt in Ideale
Vriendschap:
Het lijf-omhelsen moet bij 't sielvermengen swichten;
Voor overst ken jck Liefd', acht Mins vermeugen cleen. [15]
Men heeft Hooft, in zijn Minneliederen, van onhartelijkheid en
gebrek aan hartstocht beschuldigd. Niemand echter die op de bepaalde
en juiste uitdrukking zijner denkbeelden en op de vastheid zijner
gevoelens let, met onverzwakten nadruk telkens weer uitgesproken,
zal van onnatuur en onwaarheid spreken. In hooge mate bezat de dichter
de gave der waardeering en het is niet te ontkennen, dat zijn verzen
de zeer persoonlijke uiting zijn eener oprechte bewondering van het
vrouwenkarakter.
Had de auteur der Granida van 1605 ons zijn naam onthouden, wij zouden
dien zonder mistasten bepalen. Zelfs met den datum stonden wij niet
verlegen. Duidelijk draagt het werk den stempel van zijn talent. Wij
kennen hem aan zijn taal. En ondersteld dat Hooft een vreemd drama
navolgde,--er ware grond voor het vermoeden, dat het den invloed van
zijn eigen denken heeft ondergaan. Bleek het dat die invloed minder
sterk was dan men geneigd was te onderstellen.--de keuze zou getuigenis
van den vertaler afleggen. Zoo al de overeenkomst van ideeën tusschen
Hooft's Liederen en zijn herdersspel nog niet de oorspronkelijkheid
van het laatste kon bewijzen, uit den klauw zouden wij den leeuw toch
kennen. Met zekerheid zouden wij zeggen: dit drama moet uit dien
tijd dagteekenen, naar luid van zijn taal; van die taal de kracht
nog daargelaten, van die liederen het accent niet eens meegerekend,
kan niemand dan Hooft toenmaals zich met zooveel ingenomenheid
en zoo gelukkigen uitslag aan de overbrenging hebben gezet. Een
toevalligerwijze niet, had de zanger van Weet yemant beter saus als
honger tot de spijsen [16] zijn hand dan op Granida gelegd. Het was
voorkeur--en dit te gevoelen is een voorwaarde van genieten. De kenner
van Hooft's Liederen vindt in zijn Pastorale een bekoring meer, die
anderen moeten missen. Hij ontmoet er den wijsgeerigen minnezanger
in levenden lijve. Het geestig pleidooi voor de rechten der jeugd
herinnert hem aan de Ritornelles voor Diana. [17] Galathea uit het
lied Vluchtige Nimph [18] heeft in Granida haar naam met Dorilea
verwisseld; in den dialoog voor Ida Quekel [19], heet zij Amaryllis en
koestert tegen Cephalus (d. i. Hooft--Daifilo niet ongelijk) hetzelfde
wantrouwen reeds. De Epicuristische leer van 't vergenoegen, met woord
en daad door de princes gepredikt, die lage rust boven verdrietige
hoogheid kiest, brengt ons telkens het aantrekkelijk gedicht op den
rijkdom [20] te binnen, waarvan het Herdersspel soms de illustratie wel
schijnt. Hooft's fijne zinnelijkheid schijnt in de Reien der Iofferen,
van de twee eerste bedrijven, door te stralen. Onmiskenbaar is in
Granida ook zijn natuurzin. [21] Zelfs de tegenstelling van Kunst en
Natuur ontbreekt er niet. [22] Dat de blinde Fortuin er een eerste
viool speelt, heeft de dichter ongetwijfeld in orde gevonden. De
philosophie over den Staat [23] komt hem die Geeraerdt van Velsen
(1612 of 1613) of Baeto (1616 en 1617) heeft gelezen, niet vreemd voor:
daar vond hij ook de tyrannenhaat van den Republikein uitgesproken
en zijn opvatting van de taak der vorsten. [24] Eindelijk is in
Granida als in de Liederen als in den Baeto de liefde een de geheele
schepping doodringende, levenwekkende macht, [25] die in den mensch
zich met het edelst menschelijke verbindt en hem tot dienaar van het
Schoone bestemt. Beide Daifilo en Pieter Cornelisz. klimmen op van de
begeerlijkheid die schoonheids lichaam meer dan lichaams schoonheid
mint, tot vereering van vorstelijke vrouwendeugd. [26]
Ondanks al deze overeenstemming zou men toch kunnen probeeren, het
waarschijnlijk te maken, dat Hooft niet de oorspronkelijke auteur
van Granida is. Laten we het drama op den keper beschouwen. Niet de
stelling dat alle menschen voor de rechtbank der Liefde gelijk zijn
[27], maar de tegenstelling van Natuur en Onnatuur is er het thema. En
dit thema wordt er in behandeld op een wijze, wordt er zoodanig
in veraanschouwelijkt, als wij het nauwelijks van Hooft verwachten
kunnen. Hem kan men de wijsgeerige gedachte, die aan het geheel ten
grondslag ligt, niet toeëigenen: in de samenleving van Italië is zij
opgekomen en was zij thuis; welk alleenloopend pessimist haar in de
Hollandsche maatschappij gevoed mag hebben, Hooft zoomin als Cats,
zoomin als Vondel of Huygens. Dit on-Hollandsche goed in 't oog
vattende, ziet men het stuk in belangrijkheid verdubbelen.
Wat wordt er in Granida geschilderd? Een door en door bedorven
aristocratie; een wereld, voor het oog nog pralend en pronkend,
maar kracht- en vreugdeloos in al de zedelijke verdorvenheid
en de ellende van haar ijdel, nietig bestaan. Te midden van deze
samenleving, die heden nog staat, doch morgen in elkaar zal storten,
treedt een dichter voor ons op, die naar bevrijding smacht, een
pessimistisch dichter, die met de kracht der verontwaardiging den
geesel zwaait. Zonder verschooning ontdekt hij de leugen waarop het
wankelend gebouw rust. Zonder verschooning legt hij de innerlijke
tweespalt bloot van dit leven zonder God noch gebod. Geen kunst
vermag de ledige plaats te vervullen, nu natuur en eenvoud geweken,
verjaagd zijn. Een minnelijk gelaat is het masker van een hart vol
haat en nijd. Valschheid regeert hier. Geweken en verjaagd zijn
alle menschelijke deugden. Er is godsvrucht noch vriendschap meer,
oprechtheid noch trouw. Waar is de vergenoegde levenslust? Zoo zang
en muziek nog weerklinken, het is niet van vreugde. In den roes van
het vermaak, zoekt men zijn verdriet te vergeten,--vergeefs:
Wat 's al des werelts lust
Als 't hart niet is gherust?
Men vergete niet dat de Hoveling hier een gansche aristocratie
met haar aanhang omvat. Het Pessimisme van den dichter gaat
verder. Maatschappelijke ontevredenheid kwelt hem. De geheele wereld is
slecht; zij ligt geheel in het Booze, zonder goddelijke ordening. Men
spreekt van recht en van wet, doch is dit rechtvaardigheid, is dit
orde, dat de slechtaard in overvloed zwelgt en de deugdzame zich moet
behelpen, gebrek lijdt? Aan allen gemeenschappelijk heeft de Natuur
de aarde als een erfgoed nagelaten.
O rechten sonder reên! o wetten sonder weten!
De boosheid en snoodheid der menschen hebben u voortgebracht! Een
blind en redeloos toeval beschikt over u. Er is een tijd geweest,
de dagen van het menschdom in zijn vroege jeugd, dat niemand veel
en niemand weinig, dat ieder zijn toereikend deel had. Wat wist men
toen van recht en wet? Toen kende men geen eigendom, men kende dienen
noch gebieden. Alles was allen gemeen. O, was een lust naar meer dan
nooddruft, de winzucht niet ontwaakt! De gemeenschap werd verbroken:
het eigendom, de diefstal kwam. Recht en wet gingen in haar gevolg:
noodzakelijk kwaad helaas! om boozer te verhoeden [28].
Het is een gewoon verschijnsel, dat beschouwingen als deze opkomen in
tijden als het Italië der XVIde eeuw beleefde. De verbeelding vormt
zich een tegenbeeld van het bestaande. Uit een dichterlijk brein
rijst een Utopia, een Nergenshuizen, bevolkt met ideale wezens,
die de verpersoonlijking zijn van 't geen de dichter als goed en
heilig vereert, van zijn wenschen en verlangens. Hij droomt van de
voorbijgevloden eeuw,
Doen 's werelts kindtsheyt soet niet deed, dan sliep of loech, [29]
toen de Natuur-zelve, met volmaakte wijsheid de menschelijke behoeften
bepaalde en ieder haar in ongestoorde gelukzaligheid volgde. Hij
gelooft in een heilige menschheid, onbesmet van misdaad, rein van
leven, die oorlogswapenen noch straffen kende; in een eeuwigen vrede,
waarin eer- noch hebzucht op het leed van den naaste peinsde en de
koningen als wijze patriarchen slechts herders hunner volken waren. De
Renaissance had deze voorstellingen aan de mythologie en de poëzie
der Oudheid ontleend. Ook elders in Europa aanvaardde men ze als
geboekstaafde geschiedenis: de verhalen der Heilige Schrift werkten
tot hun aannemelijkheid mede. In Italië was het, dat deze phantasieën
deel gingen uitmaken van het innerlijk leven; poëtische gemoederen,
die de werkelijkheid afstootte, spraken er van als van een Verloren
Paradijs, waartoe men terug moest.
Zoo ook de dichter van Granida. Hij schept nieuwe menschen. In
overeenstemming met zijn tijd, is hem de herder en de herdersstand de
vertegenwoordiger van den oorspronkelijken "staat der Rechtheid". Die
oude volken waren herdersvolken geweest: het land, niet de woelige
steden, het tooneel huns levens. Blijde leefden zij als aan den boezem
der groote, onveranderlijke Moeder Natuur, die steeds is die zij is
en in schoonheid en onuitputtelijke goedheid zich openbaart. Maar
de enkele persoon van Daifilo stelt des dichters Moraal nog niet
voldoende in 't licht. Ook Granida is een belichaming van zijn
Ideaal. Ook de Koning en Tisiphernes. Hij wil zijn tijdgenooten
een spiegel voorhouden: zijn drama is half ontboezeming, half
tendensstuk. Hij heeft een gewichtige waarheid, méér dan eene, te
prediken. Doch hij spreekt tot dikke ooren en verharde harten. Hij
roept de kunst te hulpe en plaatst de onbekeerlijken voor het
levende toonbeeld. Hij overdrijft zelfs en vervalt tot de caricatuur,
gelijk dit zoo dikwijls gebeurt met hem die de kunst in dienst der
leering stelt. Typen te schilderen is zijn doel en dit is hem al te
goed gelukt. Typen waarvan? Van oprechte vriendschap en Godsvrucht,
van onbevlekte trouw en oprechtheid, van veilige onnoozelheid, van
koninklijke zachtmoedigheid [30]: van die deugden, welke de voorwaarden
van een aangenaam menschelijk samenleven zijn en door de toongevende
hoogere menschheid als uitingen van bekrompen kleinzieligheid worden
veracht. Tegenover het Hof staat Tisiphernes, staat de Koning-zelve,
staat naast Daifilo Granida-zelve. Niet met den Herder kon de
Hoveling zich meten, alleen met zijn gelijke Tisiphernes; de vorst
en de prinses der werkelijkheid alleen met den Koning en zijn dochter.
Als de Renaissanceletteren in 't algemeen, als de Pastorale in 't
bijzonder, is Granida door en door Hoflitteratuur. Men bemerkt niet,
dat er buiten het Hof en de verdichte herders nog een volk is. Dit
is door de herders vervangen: doch toonbaar gemaakt, geschikt om
op de hoftheaters te figureeren; of, het wordt slechts nominaal,
zonder nadere aanduiding vermeld. En evenwel is dit herdersspel een
vorstenspiegel. Nooit is in Europa de vrijheid en het recht van den
onderdaan zoo menschonteerend met voeten getreden als toenmaals in
de Italiaansche staten. De schandelijkste tyrannie gaf het land
aan de meest gewetenlooze politiek prijs. Italië was een chaos,
ééne zee van onbeschrijflijke verwarring: het was de schuld van
haar vorsten. Alles scheen overgeleverd aan een booze macht, aan de
woeste Fortuin als aan den Tyran der Tyrannen. Die Fortuin heet de
dichter: Geluk! het speelzieke, het redelooze en blinde, het dolle,
bulderende Geluk! De vorsten zijn haar speelballen en zij vervolgt
zelfs den geringe. Wel krijgt men in Granida, evenals bij de Ouden, nù
den indruk dat de Goden en het Geluk samen regeeren, dan weer dat zij
afhankelijk zijn, óf het Geluk van de Goden, óf de Goden van het Geluk,
maar het is toch wel zeker dat de maker meer de Bulderende gevreesd
dan op de Onsterfelijken vertrouwd heeft. Ostrobas is de Tyran: de
Coningh is de monarch van echt koninklijke roeping, dien de dichter
tegenover hem stelt, de dienaar van zijn volk. [31] De overdrijving
in de karakteristiek des eenen is de satire, de onwaarheid in die des
anderen is de tendens. De zachtmoedigheid, het geheele stuk door als
vorstelijke eigenschap bij uitnemendheid geprezen, moet in den koning
het toppunt bereiken: wreedheid kenmerkte de Italiaansche grooten. Ook
is hij het type van vroomheid; met het gebed en den deemoed van een
Christelijken Job, draagt hij zijn lot, als de troost van zijn ouderdom
hem ontnomen is, en blijmoedig ontvangt hij den schoonzoon, die de wil
der Goden hem toezendt [32]. Zeg niet, dat hij een idioot is: hij is
de goedheid-zelve. In Daifilo heeft hij den natuurmensch zonder ondeugd
ontdekt, dien hij-zelf ook voorstelt. Hij is het eens met de Voedster,
dat een edel hart alle andere edele harten beminnen moet [33]; hij
vraagt wat de mensch is, niet naar zijn afkomst en zijn bezittingen:
Dàts Prinslijck, Daifilo, geen prinslijckheyt begeeren. [34]
Geheel anders dan de Koning, braveert en tergt Ostrobas, de goddelooze
geweldenaar, den nijd der Fortuin. [35] Hij is een verachter der
Godheid. In zijn verwaten snorken (de geïdealiseerde Pyrgopolinices
uit het blijspel van PLAUTUS) [36] verraadt zich de grenzenlooze
ijdelheid van de menschen der Renaissance. Daifilo (die als een edel
ridder de Goden vóór den strijd aanroept, wien zijn ideale liefde
krachten verleent), is in zijn rustigen moed de aangewezen man om
hem te vernederen: David en Goliath. [37]
Tegenstelling van den Parth is ook Tisiphernes. Hij is de Coningh
dertig jaar jonger. Al de deugden die onze auteur tevergeefs in zijn
tijd zoekt, heeft hij in hem willen doen schitteren. Tisiphernes
is de menseh, in wien geen bedrog gevonden wordt. Ridderlijke en
menschelijke volkomenheid hebben elkander in hem ontmoet en de
bescheidenheid is toegetreden. Ondanks zijn heldendaden is hij de
zachtzinnigste aller stervelingen. Zijn vijanden vergeeft hij. [38] De
Renaissance leed aan manlijke ondeugden. De reactie vertoont zich in
Tisiphernes' vrouwenaard. De diepe smart waarin zijn verloren liefde
hem dompelt, de melancholie van zijn "peinsachtig gemoed" misstaan
hem niet. Als de toedracht van het verdwijnen der bruid bekend wordt,
onderwerpt hij zich met gelijke Christelijke gevoelens als de Koning
[39], en doorstaat koninklijk mild de proef van het Noblesse oblige:
hij zal niet scheiden het echtste paar. Zijn droefheid duurt voort,
maar hij zal het gewis ondervinden:
Wie sal u deese deucht loonen, als uw ghemoedt?
Dat sal u lof en loon nae deuchts waardije geven. [40]
"Recht Prinselijk, edel bloed!" roept Granida en daarmede spreekt
zij de meening des dichters uit.
Granida en Daifilo! Met de beschaafde vrouwen van het tijdvak dat
het herdersspel zag geboren worden, behoort de Princes tot de sekte
der geëmancipeerden. Zij doet haar zin en bekommert zich niet om het
oordeel der wereld. Zij is het kind eener eeuw, die met de overlevering
heeft gebroken en ieder het recht geeft, op eigen hand naar het nieuwe
te zoeken. Granida weet, wat vooroordeelen zijn, hun aard en oorsprong:
Dat inghesoghen waen, die 't merch en 't hart soo naer leyt,
Door dien van kintsheyt af zy ons wort ingheplant,
Niet met haer nevel deck de klaere naeckte waerheyt,
Die de natuyre prent in 't redelijck verstandt. [41]
Zij beroept zich op de natuur. Hare natuur echter eischt geen
afschaffing van den ernst des levens, zij ziet een lager en een hooger
leven en kiest het hoogere. Zij is, idealistisch, de wijsgeerige
overtuigingen van haar vader, van Tisiphernes,--van den schrijver
toegedaan. In den oorspronkelijken aanleg des menschen erkent zij een
onbedriegelijk onderscheidingsvermogen voor waar en onwaar, goed en
slecht. Klare, naakte waarheid is het, dat het geluk niet in de hoogte
gezocht moet worden. O, schijn in goud en zijde gehuld! Slavernij
die heerschappij en heerlijkheid heet! [42] Ontbering is overvloed,
van 't alleronontbeerlijkste! [43] Wat weet de Herder van "'t gezwind
ramps overrompelen", van het speelzieke Geluk, dat met vorstengrootheid
lacht? [44] Granida's scherp oordeel hangt een welsprekend tafereel
van het hofleven op. Met de aangenaamste kleuren maalt haar gevoelig
hart de zaligheid van het herdersbestaan [45]. Reeds lang heeft de
lezer opgemerkt, welk een overeenkomst er is tusschen de ideeën die
het thema van Hooft's Pastorale blijken en de denkbeelden die zich
in de achttiende eeuw in Rousseau concentreerden. Gij verwondert u
niet meer de stelling te vernemen:
'K en acht geen beuseling van onderscheyd der stammen, [46]
De deucht maeckt eedel. [47]
Gij hoort haar uit den mond van 's Konings dochter. De Princessen
van vleesch en bloed hebben zoo niet gedacht. De dichter schept ze
als een hoogere werkelijkheid: vermaning en voorbeeld! Hier staan
wij nu midden in de nieuwe, ideale wereld. Leg haar niet aan, den
maatstaf van mogelijkheid waarmee wij gewoon zijn te meten. Hier is
het natuurlijk, dat een "groote Coninginne", aan de inspraak des
harten gehoor gevend, als de stem van een zèkere leidsvrouw, haar
staat verwisselt en Harderinne wordt. Het is hier niet ongerijmd,
dat de koning den herder, die om harentwille den prinselijken staat
dien men hem aanbiedt, weigert, aanneemt als pair. Tisiphernes,
die hem zijn landen òverlaat, behoort inderdaad tot deze wereld.
Die beweert, dat Granida zich in haar keus bedriegen zal, vergist
zich. Daifilo zal een voortreffelijk vorst zijn en als echtgenoot
de hooggestemde verwachtingen der gade niet teleurstellen. Zij zijn
waarlijk de schoonste tempels die de Liefde zich verkiezen kon,
om zijn heerlijkheid te ontvouwen. [48] Wederom heeft de dichter
zijne opvatting der betrekking van man en vrouw in de Pastorale
veraanschouwelijkt. Die opvatting maakt niet slechts deel uit van
het stelsel zijner gedachten--zij kroont het; zonder haar is het meer
dan onvolledig,--het is onvoltooid. Goed komt de mensch uit de hand
des Scheppers, doch hij is nog niet wat hij worden zal. Hij is het
in beginsel, maar hij moet worden òpgevoed, gròòt gebracht. Zoo hij
gelukkig kan zijn in de betamelijke voldoening zijner begeerten,--er is
zaligheid voor hem weggelegd in de kennis en het genot der Goddelijke
Schoonheid. De Liefde nu is in ons drama de paedagogische kracht, die
opleidt tot het Hoogste. Zij is er niet vleeschelijke begeerlijkheid,
maar de onzelfzuchtige drang, met het Schoone en Goddelijke zich te
vereenigen en één te zijn. Het is er mede als in den Godsdienst met
de Liefde tot God. Als Daifilo door de stralen der Goedheid en der
Schoonheid is getroffen, dan heeft er een plotselinge ommekeer plaats:
hij ontdekt zich-zelven, de herderlijke deugden verdwijnen niet,
maar met hen ontwikkelt zich de geheele rijkdom van zijn aanleg;
dan openbaart het zich, dat hij Koning geboren is. Over geheel zijn
zieleleven heerscht Granida. Voortaan wijdt hij zich aan den dienst
van het Ideaal. In mystieke Platonische termen wordt deze verandering,
het nieuwe leven en die eenheid uitgedrukt. [49] Het is een overgang
van duisternis tot het licht, van droombeeld en afschaduwing tot
aanschouwen. Het is een opgeven van zich-zelven, een versmelten,
een opgaan van den een in den ander, mogelijk door de verwantschap
der zielen: verwantschap die werkt in den geheimzinnigen trek die hen
tezamenvoegt, in het zekere vinden, het snelle kennen: zeker en snel
als een herkenning:
Recht of die sielen met elckander onderlinghen
Ghepaert hadden gheweest, al eer zij lijf [50] ontfinghen. [51]
In dit soort taal heeft men in de XVde en XVIde eeuw in het Zuiden
tot de vrouwen gesproken, òf om edele voorstellingen en gevoelens
in passende vormen te hullen, òf om galant en verheven te zijn. Van
Daifilo gelooft Granida, moeten ook wij gelooven, dat zijn verhevenheid
niet volslagen zinledig is, en haar offervaardigheid, zonder haar
schande aan te doen, de zijne evenaren mag. [52]