Hukweem, de duikereend, is gedoemd door de wereld te gaan, roepend om
wat zij nooit zal krijgen, en zoekend naar iemand dien zij nooit zal
vinden; want zij is de jachthond van Clote Scarpe. Dat vertelde Simmo
me op een avond, toen hij me uitlegde waarom de kreet van de duikereend
zoo wild en treurig is.
Clote Scarpe is, laat ik dit even zeggen, de legendarische held, de
Hiawatha der Indianen uit het Noorden. Lang geleden woonde hij op den
Woolastook en heerschte over de dieren, die alle vreedzaam te zamen
leefden en elkaars taal begrepen, en „niemand er ooit iemand opeten”,
zooals Simmo zegt. Maar toen Clote Scarpe heen was gegaan, twistten ze,
en Lhoks, de panter, en Nemox, de vischmarter, begonnen de andere
dieren te vermoorden. Malsun, de wolf, volgde en at alles op wat hij
doodde; en Meeko, de eekhoorn, die altijd zooveel kattekwaad uithaalt
als hij maar kan, hitste de vreedzame dieren zelfs tegen elkaar op,
zoodat ze bang voor elkaar werden en elkaar wantrouwden. Toen
verspreidden ze zich over de groote bosschen, en gingen elk op zichzelf
wonen, en nu dooden de sterke de zwakke en begrijpen ze elkaar geen van
alle meer.
Er bestonden toentertijd geen honden. Hukweem was Clote Scarpe’s
jachtgezellin, als deze op de groote wilde beesten jaagde, die de
wildernis onveilig maakten, en Hukweem alleen van alle vogels en andere
dieren bleef trouw aan haar meester. Want op jacht ontstaat innige
vriendschap, zegt Simmo; en dat is waar. Daarom gaat Hukweem de wereld
door op zoek naar haar meester, en roept hem toe terug te komen. Boven
de boomtoppen, als zij laag vliegt om ander water te zoeken; hoog in de
lucht, onzichtbaar, op haar trek naar het Zuiden; en op elk meer, waar
zij niets dan een stem is, de melancholieke, nachtelijke stem der
oneindige, eenzame, onbekende wildernis—overal hooren we haar zoeken.
Zelfs ’s winters aan de zeekust, waar zij weet dat Clote Scarpe niet
zijn kan—want Clote Scarpe haat de zee—vergeet Hukweem zich en roept af
en toe, louter uit verlatenheid.
Toen ik vroeg wat Hukweem zegt als zij roept—want alle kreten in de
wildernis hebben hun beteekenis—antwoordde Simmo: „Nou, twee dingen zij
zeggen. Eerst zij zeggen: waar ben je? O waar ben je? Dat jullie noemen
haar lach, net of zij gek is. Dan niemand antwoordt, zij zeggen: O,
zoo’n verdriet, zoo’n verdriet! Oeoeoe-ieie!—als vrouw, in de bosschen
verdwalen. Dat is andere roep van haar.”
Dit komt dichter bij eenige verklaring van het wilde, bovenaardsche van
Hukweems kreet dan welke andere ook. Het maakt alles veel eenvoudiger
te begrijpen, als we diep in de wildernis kampeeren en de avond valt,
en uit de mistige duisternis, onder den oever aan den overkant, komt
een wilde, sidderende kreet, die op onze zenuwen werkt, tot het ons
duidelijk wordt:—Waar ben je? O, waar ben je? Dat is echt iets voor
Hukweem.
Soms echter wijzigt zij den kreet en vraagt heel duidelijk: „Wie ben
jij? O, wie ben jij?” Er was een duikereend op het Groote Squattukmeer,
waar ik eens ’s zomers kampeerde, die zoo nieuwsgierig was als een
blauwe gaai. Hij, ’t was een mannetje, woonde alleen aan het eene eind
van het meer, terwijl zijn wijfje zich met een paar jongen aan het
andere eind, negen mijlen ver weg ophield. Elken morgen en avond kwam
hij dicht bij mijn kamp—veel naderbij dan gewoonlijk, want duikereenden
zijn wild en schuw in de wildernis—om zijn uitdaging te roepen. Eens,
laat op een avond, liet ik een lantaarn flitsen aan het einde van den
ouden tronk, die als landingsplaats voor de kano dienst deed, waar ik
een eigenaardig gekabbel gehoord had; en daar had je Hukweem, die alles
met de grootste nieuwsgierigheid opnam.
Al wat ongewoon in ons doen en laten was, maakte hem nieuwsgierig.
Eens, toen ik met een mooien wind achter het meer afging, een sparretje
in den boeg van mijn kano als zeil overeind, volgde hij me een mijl of
vier, vijf, aldoor roepend. En bij mijn terugkeer naar het kamp tegen
de schemering, met een grooten beer in de kano, die zijn ruigen kop
boven den boeg vertoonde en zijn beenen in de hoogte boven de middelste
doft, net een oud, zwart kereltje met z’n rimpelige voeten op tafel,
kon Hukweem het in zijn nieuwsgierigheid niet langer uithouden. Hij
kwam tot op een afstand van twintig meters aanzwemmen, en kringde wel
een keer of zes om de kano heen, ging recht op zijn staart overeind
zitten, door hevig met zijn vleugels te werken, en rekte zijn hals uit
als een nieuwsgierige eend, om in de kano te kunnen kijken en eens te
zien wat voor raars ik daar meebracht.
Hij had nog een eigenaardige gewoonte, die hem een onuitputtelijk
vermaak verschafte. Aan den westelijken meeroever bevond zich een diepe
baai met aan drie zijden heuvels, die steil oprezen. Er was daar een
merkwaardige echo; één kreet maar bracht wel een dozijn duidelijke
antwoorden en dan een warreling van klanken, als echo’s en nog eens
echo’s van vele heuvels elkaar ontmoetten en samenschalden. Ik ontdekte
de plek op een merkwaardige wijze.
Eens, toen ik ’s avonds in de schemering naar het kamp terugkeerde van
een onderzoekingstocht op het noordelijke gedeelte van het meer, hoorde
ik een wild geroep van duikers aan den westkant. Er schenen vijf, zes
groote duikers aan ’t lachen en gillen te zijn als gekken. Toen ik
overstak om het eens te onderzoeken, bemerkte ik voor het eerst den
ingang van een groote baai en pagaaide voorzichtig tot achter een
landtong, om de duikers bij hun spel te verrassen. Want ze spelen, net
als de kraaien doen. Maar toen ik binnengluurde, was er maar één vogel:
Hukweem, de Nieuwsgierige. Ik kende hem dadelijk aan zijn grootte en
zijn mooie teekening. Hij stiet een enkelen, scherpen kreet uit en
luisterde dan aandachtig, met opgeheven kop, waarmee hij dan naar den
eenen, dan naar den anderen kant zwaaide, als de afzonderlijke echo’s
van de heuvels weerschalden. Daarna probeerde hij zijn kakelenden lach:
Oeoe-áh-ha-ha-ha-hoe, oeoe-áh-ha-ha-ha-hoe, en als de echo’s hem om den
kop begonnen te schallen, werd hij opgewonden, ging op zijn staart
overeind zitten klapwieken, kakelen en schreeuwen, vol verrukking over
zijn eigen vertooning. Elke wilde kreet werd als een schot
teruggeslingerd door de omringende heuvels, tot de lucht vol duikers
leek, die alle hun waanzinnig, hysterisch gelach vermengden met het
lawaai van den voornaamsten. Je rilde van ’t geweld. Dan hield Hukweem
plotseling op en luisterde aandachtig naar de zwermende echo’s. Voordat
het gerucht nog half bedaard was, werd hij weer opgewonden en ging in
kleine kringen rondzwemmen, met vleugels en staart uitgebreid, terwijl
hij zijn mooie veeren toonde, alsof elke echo een bewonderende duiker
was, zoo trotsch als een pauw dat hij zoo’n rumoer teweeggebracht had
in een rustige wereld.
Er was nog een duiker, op een ander meer, van wie twee eieren door een
diefachtige muskusrat gestolen waren; maar ze wist niet wie het gedaan
had—want Musquash weet hoe zij, voordat zij ze eet, de eieren ’t water
in moet rollen en ze wegsleepen, daar waar de moedervogel de schalen
niet zal vinden.—Ze kwam ons tegemoet zwemmen, ’t meer af, zoodra onze
kano er binnenvoer; en wat zij riep klonk als: „Waar zijn ze? O waar
zijn ze?” Ze volgde ons over het meer, ons van diefstal beschuldigend,
en steeds maar weer hetzelfde vragend.
Maar wat Hukweems roepen ook beteekent, het schijnt een belangrijk deel
van haar bestaan uit te maken. En inderdaad, als roep is zij het meest
bekend—de wilde, onwezenlijke kreet van den nacht in de wildernis. Haar
onderricht begint daarin al heel vroeg. Eens onderzocht ik de grazige
oevers van een ongerept meertje, toen een duikermoeder plotseling met
veel geplas en geschreeuw voor den dag kwam, tot ze middenin was. Ik
pagaaide ’t open water in, om te zien wat er aan de hand was. Ze trok
zich bij mijn nadering terug, maar ’t kostte haar blijkbaar moeite, en
ze riep nog luidkeels en sloeg met haar vleugels op het water. „Oho,”
zei ik, „jij hebt daar ergens een nest en nu probeer je er mij van weg
te krijgen.” Het was de eenige keer, dat ik ooit een duikermoeder dat
oude kunstje van den moedervogel heb zien toepassen. Gewoonlijk glippen
ze het nest af, als de kano nog wel een halve mijl weg is, en zwemmen
ze een heel eind onder water en slaan ons zwijgend gade van den anderen
kant van het meer.
Ik keerde terug en zocht een poosje naar het nest tusschen de
moeraspollen van een kleine baai, maar staakte het zoeken, om een
vreemden kreet thuis te brengen, die onafgebroken verder stroomop aan
de kust weerklonk. Hij kwam van een verborgen plek in ’t hooge gras,
een dringend, fluitend geluidje, dat me door ’t een of ander aan een
nest jonge vischarenden deed denken.
Toen ik behoedzaam door ’t moeras waadde en den oorsprong van ’t geluid
trachtte te ontdekken, stond ik plotseling voor het nest van de
duiker—niets dan de naakte top van een veenkluit, waar de moeder ’t
gras had afgetrokken en de aarde voldoende uitgehold om te verhinderen
dat de eieren er uitrolden. Ze lagen daar op den blooten grond, twee
heel groote, olijfgroene eieren met donkere vlekken. Ik liet ze
ongestoord en ging voort met naar de herkomst van ’t geroep te zoeken,
dat even had opgehouden, toen ik bij het nest kwam.
Weldra begon ’t weer achter me, eerst zwak, toen harder en dringender,
tot het me weer terugleidde naar Hukweems huishouden. Maar daar was
niets om het op te helderen, niets dan twee onschuldige eieren boven op
de kluit. Ik boog er me over heen om ze nauwkeuriger te onderzoeken.
Daar, aan de zijden, waren twee gaatjes, en uit die gaatjes staken de
punten van een paar snaveltjes. Er in zaten twee kleine duikers zoo
hard als ze maar konden te roepen: „Laat me er uit! O, laat me er uit!
Het is hier zoo warm! Laat me er uit—Oeoe-ieie! pip-pip-pip!”
Maar ik liet het bevrijdingswerk aan den moedervogel over, van oordeel
dat die er meer van afwist dan ik. Den volgenden dag keerde ik terug
naar de plek en na lang spieden zag ik twee duikertjes, die innig
genoten van hun vrijheid, in- en uitglippen tusschen de veenkluiten,
maar zoo geluidloos als een paar schaduwen. De moeder was ginds op het
meer aan ’t visschen voor hun middageten.
Hukweems visschen is altijd iets merkwaardigs om gade te slaan, maar
zij is helaas zoo schuw, dat men zelden een goede gelegenheid treft.
Eens ontdekte ik haar geliefkoosd vischwater en kwam haar elken dag van
een boschje aan den oever uit bespieden. Het zou weinig helpen in een
kano te gaan, want op mijn nadering zou zij steeds dieper in ’t water
zinken, alsof zij ballast innam. Hoe zij dat doet is een geheim, want
haar lichaam is veel lichter dan haar watervolume. Dood of levend, het
drijft als een kurk; toch, zonder eenige zichtbare beweging, door een
werking van den wil klaarblijkelijk, doet ze het onder water dalen. Ge
komt aan in uw kano en zij glijdt langzaam weg, terwijl zij haar kop
heen en weer draait als om eerst met het eene oog naar u te kijken, dan
met het andere. Uw kano is snel; zij ziet dat ge wint, dat ge al te
dichtbij zijt. Zij zwenkt om op het water en zit onafgebroken naar u te
turen. Plotseling begint zij te zinken, al dieper en dieper, tot haar
rug bijna onder is. Kom een beetje nader, en nu verdwijnt haar lichaam;
slechts hals en kop blijven boven water. Steek een hand op of maak de
een of andere snelle beweging, en zij is heelemaal verdwenen. Ze duikt
bliksemsnel, zwemt diep en ver, en als ze aan de oppervlakte komt, zal
ze netjes buiten gevaar zijn.
Wanneer we op de richting van haar snavel letten, zoodra die in ’t
water verdwijnt, kunnen we vrij goed bepalen waar ze weer op zal
duiken. Het was in ’t eerst als ik haar achtervolgde verwarrend, te
ervaren dat zij zelden bovenkwam waar ik haar verwachtte. Ik pagaaide
dan snel den kant uit, waar ze heenging, om tot de ontdekking te komen
dat ze veel meer naar rechts of links, of achter me was, wanneer ze
zich eindelijk vertoonde. Dat kwam doordat ik op haar lichaam afging,
niet op haar snavel. Terwijl ze in een bepaalde richting voortgaat, zal
ze haar kop omwenden en duiken. Dat is om ons te misleiden, wanneer we
haar nazetten. Volgen we haar snavel, zooals zijzelf doet, dan zullen
we dichtbij haar zijn zoodra ze bovenkomt, want zij zwenkt maar zelden
in het water.
Met twee flinke roeiers om te pagaaien is ’t niet moeilijk haar uit te
putten. Ofschoon ze met buitengewone snelheid onder water zwemt—gauw
genoeg om een forel te volgen en te vangen—vermoeit lang en diep duiken
haar en moet ze rusten voor een volgenden keer. Als ge haar nazit,
schreeuw dan en wuif met uw hoed, zoodra ze verschijnt, en pagaai snel
in de richting van haar snavel, zoodra ze weer duikt. Den volgenden
keer dat ze boven komt zijt gij dichter bij haar. Jaag haar gauw weer
naar beneden en dan er weer achteraan. Den daarop volgenden keer is ze
bang, als ze de kano zoo dichtbij zich merkt, en duikt zij diep, wat
haar des te meer vermoeit. Ze verdwijnt dus steeds korter en raakt hoe
langer hoe meer van streek; ge achtervolgt haar met meer zekerheid,
omdat ge haar nu duidelijk zien kunt als ze duikt. Plotseling schiet ze
naast u het water uit, zoodat de droppels in uw kano vliegen. Eens kwam
ze boven onder mijn pagaai; en ik trok haar een veer uit den rug, eer
zij ontkwam.
Komt ze zoo den laatsten keer voor den dag, dan raakt ze van schrik
buiten zichzelf en ge krijgt het tafereel te zien, waar ge zoo hard
voor gewerkt hebt—Hukweem, die van stapel loopt. Daar gaat ze in een
regen van droppels. Ze kletst met haar vlerken in ’t water, slaat hard
om zich op te heffen, wel honderd meters, en laat een kielzog achter
zich als een schroefstoomboot, tot zij vaart genoeg verzameld heeft om
uit het water te stijgen.
Als ze er maar eerst uit is, heeft ze niets plomps meer over zich. Haar
korte wieken rijzen en dalen met een snelheid, die onze oogen tart te
volgen. Zoo snel schiet een zwarte eend voor den wind naar lokvogels.
Ge kunt haar vluggen, krachtigen slag hoog boven uw hoofd hooren, als
ze niet roept. Haar vlucht is heel snel, heel gelijkmatig en dikwijls
geweldig hoog. Maar als zij dalen wil, wordt zij altijd bang; dan denkt
zij aan haar korte vleugels en hoe hoog ze is en hoe snel ze vliegt. ’s
Winters op den oceaan, waar ze ruimte in overvloed heeft, komt zij soms
in een lange, mijlenlange schuine lijn naar beneden en plonst als een
dolfijn door en over een reeks van golven, eer zij stil kan houden.
Maar waar ’t meer klein is en zij op die manier niet kan dalen, beleeft
zij duizelige oogenblikken.
Eens in September, op een meertje, zat ik wel urenlang te loeren om dat
te zien gebeuren. Twaalf of vijftien duikers waren daar verzameld en
hadden er groote pret. Ze riepen elke duiker die op den trek daar
overvloog naar beneden; hun aantal wies dagelijks aan. De schemering
was de geliefkoosde tijd van aankomst. In de stilte hoorde ik Hukweem
op grooten afstand, zoo hoog dat zij niets dan een stem was. Weldra zag
ik haar in een grooten kring boven het meer zwieren.—„Kom neer, o kom
neer,” roepen alle duikers. „Ik ben bang, oeoe-ho-ho-ho-ho-hoeoeoeieie,
ik ben bang”, zegt Hukweem, die misschien een jonge duiker is,
heelemaal uit Labrador op haar eersten trek, en zij is nog nooit eerder
uit de hoogte neergedaald. „Vooruit, o kom oh-ho-ho-ho-ho-hon. Het zal
je geen kwaad doen; wij hebben ’t ook gedaan, vooruit!” roepen alle
duikers.
Dan gleed Hukweem met elken kring lager en vloog in een groote spiraal
om en om het meer, terwijl ze al dien tijd krijschte en alle duikers
haar antwoordden. Wanneer zij laag genoeg was, spande zij haar vleugels
en dook als uit een katapult geschoten, net te midden van de
vergadering, die wild uiteenstoof, tierend als schooljongens: „Kijk
uit! Ze breekt haar nek nog; ze ploft op je; ze breekt je den rug, als
ze op je valt”.—En daarom gingen ze er plassend van door in een
overhaaste vlucht, maar alle keken ze over hun schouder, om Hukweem
neer te zien komen, wat ze met een duizelingwekkende vaart deed. Met
een geweldigen plons kwam ze in ’t water en schoot het meer half over
in een wit gebruis, voordat ze haar pooten onder zich kon krijgen en
omkeeren. Dan verdrongen alle duikers zich kakelend, krijschend,
snaterend om haar heen, met zoo’n lawaai als het duikertje nog nooit
van haar leven gehoord had; en ze zwom weg in hun midden, terwijl zij
ze zeker vertelde wat een ding het was om uit zoo’n hoogte neer te
komen en den nek niet te breken.
Wat later in den herfst zag ik diezelfde duikers iets heel merkwaardigs
doen. Verscheiden avonden hadden ze een ongewone drukte gemaakt in een
rustige baai, onzichtbaar van mijn kamp uit. Ik vroeg Simmo wat hij
dacht dat ze uitvoerden.—„O, ik niet weten, ik denken spelletjes, net
als jongen. Hukweem dat doen wel als hij geen honger,” zei Simmo,
terwijl hij doorging met het koken van zijn boontjes. Dat wekte mijn
nieuwsgierigheid op, maar toen ik de baai bereikte, was het te donker
om te zien wat ze speelden.
Op een avond, dat ik zat te visschen waar de rivier het meer
instroomde, was ’t een heel ander rumoer dan ik vroeger gehoord had.
Eerst was het een poosje doodstil, dan plotseling een hevig gekrijsch;
vervolgens een minuut of wat ’t gewone duikerpraatje en weer een
stilte, door een nog schriller gekrijsch verbroken. Dit beteekende dat
er iets ongewoons gaande was; ik liet dus de forellen in den steek om
er ’t mijne van te hebben.
Toen ik mijn kano door den rand van watergras langs de landtong het
dichtst bij de duikers geduwd had, waren er een twaalf, vijftien in een
lange rij verspreid, van het einde der baai tot een punt bijna
tegenover me. Aan het andere eind van de lijn zwommen twee duikers
rond, die iets uitvoerden dat ik niet kon onderscheiden. Plotseling
hield het duikergesprek op. Het is mogelijk dat er een sein werd
gegeven, door mij niet gehoord, maar in elk geval draaiden de twee
duikers zich op ’t zelfde oogenblik om en kwamen de rij langs stuiven,
met vleugels en pooten in de weer om bij den wedstrijd te helpen. De
duikers die boven in de rij lagen zwenkten achter hen de baan in,
zoodra ze voorbij waren, als om den uitslag beter te kunnen zien, maar
er was geen geluid te hooren, tot ze mijn eind van de rij voorbij waren
gestoven, elkaar nauw op de hielen, de een amper een meter den ander
vooruit; toen barstte er zoo’n getier los, als ik nog nooit had
gehoord. Alle duikers verzamelden zich om de beide zwemmers; er was
veel gekrakeel en gekrijsch, dat langzamerhand bedaarde; toen begonnen
ze zich weer te ontrollen in een lange rij en twee andere zwemmers
namen hun plaats in aan het eene eind. Tegen dien tijd was ’t zoo goed
als donker en ik stoorde den wedstrijd bij een poging om mijn kano
nader te brengen en alles beter te kunnen zien.
Twee keer heb ik sinds dien tijd van zomersche kampeerders gehoord dat
ze duikers een wedstrijd hadden zien houden over het meer. Ik twijfel
er niet aan of het is een tijdverdrijf, waar die vogels dikwijls van
genieten, als de zomerzorgen voor de jongen afgeloopen, als de
herfstdagen mild zijn, als er een overvloed van visch is en er lange
uren overschieten om eens echt pret te maken, voordat Hukweem naar ’t
Zuiden trekt voor het harde, eenzame winterleven aan de kust.
Van alle duikers, die me aanriepen in den nacht of de meren ’s zomers
met me deelden, gaf er me slechts één gelegenheid om haar van dichtbij
gade te slaan. Het was op een ongerept meer, zoo afgelegen, dat niemand
het nog eerder ’s zomers bezocht had, en een duikermoeder voelde zich
zoo veilig dat ze den open oever had verlaten, waar ze gewoonlijk
nestelt, en haar eieren op een veenklomp had gelegd aan den kop van een
nauwe baai. Daar ontdekte ik ze een paar dagen na mijn aankomst.
Ik was gewoon op alle uren van den dag er heen te gaan, in de hoop dat
de moeder aan mij en mijn kano gewend zou raken, zoodat ik haar later
zou kunnen bespieden, als ze haar jongen leerde; maar haar schuwheid
was onoverwinlijk. Wanneer ik ook in ’t zicht van den veenklomp met het
nest kwam, waar niets dan hals en kop van den duiker te zien waren, die
kaarsrecht en onbeweeglijk uit het gras staken, zag ik haar van het
nest glijden, weg door de groene dekking naar een diepe plek, en onder
water glippen zonder een rimpeltje achter te laten. Als ik dan
aandachtig over den rand van het heldere water tuurde, ving ik een
glimp van haar op, even een grauwe streep met een zilveren bellenbaan,
die diep en snel onder mijn kano doorschoot. Zoo ging ze de baai uit en
verscheen een heel eind het meer in weer, waar ze ging heen en weer
zwemmen, alsof ze aan ’t visschen was, tot ik verdween. Daar ik haar
nest nooit verstoorde, en altijd gauw weer wegpagaaide, dacht ze
stellig dat ze me om den tuin geleid had en dat ik niets van haar of
haar nest afwist.
Toen probeerde ik het met een ander plan. Ik ging in mijn kano liggen
en liet me door Simmo naar het nest pagaaien. Terwijl de duiker ginds
op het meer was, toog ik, door den grazigen oever verborgen, naar een
veenkluit en ging er op zitten, met een vriendelijken els over me
heengebogen, nog geen twintig voet van het nest af, dat open en bloot
lag. Daarop pagaaide Simmo weg en kwam Hukweem terug zonder het
flauwste vermoeden. Zooals ik uit den vorm van het nest had opgemaakt,
zat ze niet op haar twee eieren, maar in plaats daarvan op de kluit,
terwijl ze ze stijf tegen haar zij hield met haar vleugel. Dat was al
wat ze aan broeden kregen of noodig hadden; want binnen een week waren
er twee vroolijke duikertjes in plaats van de eieren te bespieden.
Toen dat dien eersten keer zoo mooi gelukt was, ging ik in ’t vervolg
alleen als de moeder op ’t meer was, en trok mijn kano in het gras, een
honderd meter stroomaf van het nest. Van hier uit ging ik de elzen in
en baande me een weg naar de kluit, waar ik Hukweem op mijn gemak kon
gadeslaan. Na lang wachten kwam ze dan heel schuw de baai inglippen en
na heel wat angstige omzichtigheid naar de kano glijden. Er was veel
getuur en geluister noodig om er zich van te overtuigen dat die geen
kwaad kon en dat ik niet ergens in ’t gras zat verscholen. Als ze
echter eenmaal overtuigd was, kwam ze regelrecht op het nest af en ik
had eindelijk de voldoening een duiker van vlakbij te bespieden.
Ze zat daar urenlang—zonder ooit te slapen klaarblijkelijk, want haar
oog was altijd helder—zich te pluizen, langzaam haar kop om te draaien,
als om aan alle kanten te kijken, nu en dan happend naar een
indringerige vlieg, alles in volslagen onbewustheid dat ik vlak achter
haar elke beweging zat gade te slaan. Dan, als ’k er genoeg van had,
sloop ik langs het rendierpad weg en zette me rustig in mijn kano af
zonder om te kijken. Ze zag me natuurlijk, als ik in mijn kano stapte,
maar niet één keer kwam ze van haar nest af. Als ik het open meer
bereikt had, vond ik na even zoeken met mijn kijker altijd haar kop
daar in ’t gras, nog waakzaam naar mijn kant gewend.
Ik had gehoopt te zullen zien dat ze de jongen uit hun harde schaal
liet en hoe ze voor den eersten keer te water gingen, maar dat was te
veel verwacht. Eens hoorde ’k hen in de eieren piepen; den volgenden
dag, toen ik kwam, was er niets te zien op den veenklomp. Ik vreesde
dat er iets hun gepiep gehoord had en ontijdig een eind gemaakt aan de
jonge Hukweems, bij afwezigheid der moeder. Maar toen ze terugkwam, na
nog schichtiger dan gewoonlijk de oude schorsen kano onderzocht te
hebben, kwamen er twee donzige kereltjes haar uit het gras tegemoet
dobberen, waar zij ze had verstopt en bevolen te blijven tot ze
terugkeerde.
Het was een heele zeldzaamheid ze bij hun eersten maaltijd gade te
slaan; de ronddobberende kleintjes een en al begeerigheid, verrukt over
’t eten, verbaasd over de nieuwe, groote wereld, de moeder een en al
teederheid en waakzaamheid. Hukweem was me nog nooit zoo nobel
voorgekomen. Deze groote, wilde moedervogel, die daar maar
onophoudelijk met bewonderenswaardige sierlijkheid zich om haar
kleintjes bewoog, met innige liefde naar hun spel kijkend, en kijkend
naar de groote, gevaarlijke wereld, om hunnentwil; hoe ze hen nu
zachtjes berispte, dan weer bij hen kwam om ze met haar sterken snavel
aan te raken of langs hun wangetjes te strijken met de hare, of om
slechts boven hen te kreunen van verrukking in die heerlijke
moederweelde, die de zomersche wildernis mooi maakt,—in tien minuten
had ze al mijn theorieën omvergeworpen, en me veroverd, hart en ziel,
ondanks al wat ik gehoord en gezien had van haar schadelijkheid in ’t
vischwater. Waarom zou zij eigenlijk niet even goed mogen visschen als
ik?
En toen begonnen de eerste lessen in zwemmen, wegschuilen en duiken,
waarnaar ik al zoo’n poos verlangend had uitgezien.
Later zag ik haar vischjes aandragen, die ze licht gewond had, ze
loslaten in ondiep water, en met een scherp, klokkend geluid de jonge
duikers uit hun schuilplaats voor den dag lokken, waarna ze wild aan ’t
jagen en duiken gingen voor hun eigen maaltijd. Maar eer dit gebeurde,
had er nog bijna een treurspel plaats.
Eens, terwijl de moeder uit visschen was, kwamen de jongen uit hun
schuilplaats in het riet en waagden zich een eindje de baai in. Het was
hun eerste reis alleen de wereld in; ze waren geheel vervuld van het
merkwaardige en gewichtige van de zaak. Plotseling, terwijl ik toekeek,
stoven ze wild uiteen, en bewogen zich verbazend snel voort voor zulke
kleintjes, luidkeels piepend. Van den oever stroomop, was een haastige
rimpel scherp over ’t water geschoten tusschen hen en het eenige stukje
moeras, waar ze thuis waren. Vlak achter den rimpel kwamen de spitse
snuit en de kraaloogjes van Musquash, die altijd dergelijke dingen in
haar schild voert. Op een van haar sluiptochten had zij het broedsel
ontdekt; nu stelde zij alles in ’t werk om de verschrikte jongen in
beweging te houden, tot ze uitgeput zouden zijn, en zij zelf zorgde er
voor tusschen hen en den oever in te glippen.
Musquash weet best dat jonge duikers of zaagbekken of zwarte eenden,
wanneer ze zooals nu in open water gesnapt worden, altijd terug
trachten te komen naar de plek, waar moeder haar verstopt heeft eer ze
wegging. Dat trachtten de kleine stakkerds nu ook te doen, maar slechts
om teruggedreven, in wilde beweging gehouden te worden door de
muskusrat, die zich af en toe uit het water ophief en met haar leelijke
kaken over elkaar schoof, in afwachting van de smulpartij. Zij was de
eieren misgeloopen, toen zij rondsnuffelde; maar jonge duikers zouden
nog beter, nog meer opleveren.—„Jou heb ik!” hapte zij kwaadaardig,
terwijl zij een uitval deed naar het naaste duikertje, dat bliksemsnel
onder water schoot en ternauwernood ontkwam.
Ik was opgesprongen om tusschenbeide te komen, want ik was van die
natuurwezentjes, wier groei ik van den beginne af had bespied, gaan
houden, toen er aan mijn linkerkant een hevig geplas ontstond en ik de
moeder als een bezetene aan zag komen. Ze zwom half, ze vloog half en
stormde het water over met een schuimend wit zog achter zich.—„Jij
leelijke kleine schavuit, je zult je verdiende loon hebben. Het komt
al; het komt al”, riep ik opgewonden, en verschool me weer om te
kijken. Maar Musquash, met alle aandacht bij haar snood bedrijf (er is
volstrekt geen reden waarom ze vleescheter zou worden), bleef de
uitgeputte jongen kwaadaardig nazitten en gaf geen acht op wat er
achter haar gebeurde.
Op een afstand van twintig meter schoot de moedervogel tot mijn groote
verbazing onder water en was verdwenen. Wat zou dat beteekenen? Maar er
was niet veel tijd om me te verbazen. Plotseling was het of een steen
uit een catapult de muskusrat van onderen trof en haar heelemaal boven
water tilde. Met een geweldige vaart en veel geplas kwam Hukweem onder
haar uit, den grooten, spitsen snavel door haar ruggegraat geboord.
Mijn hulp hadden ze nu niet meer noodig; nog eens hakte ze toe (dezen
keer was ’t op oog en hersens gemunt) en wierp haar minachtend weg, om
zich naar haar bevende jongen te haasten, die ze ondervroeg en beknorde
en prees, alles in één adem, bevend nu en zachtjes snaterend,
zenuwachtig overstelpt door teederheid. Toen zwom ze tweemaal om de
doode muskusrat heen en leidde haar broedsel van de plek weg.
Misschien is het aan een van diezelfde jongen dat ik een dienst te
danken heb, waar ik meer dan dankbaar voor ben. Het was in September,
toen ik me aan een meer, tien mijlen ver bevond—hetzelfde meer, waar
een troep dartele jonge duikers zich verzameld hadden, voordat ze naar
’t Zuiden trokken, en voor mijn plezier een paar zwemwedstrijden
gehouden. Ik was op een dag den weg kwijt, wanhopig verdwaald, toen ik
van een meertje in de wildernis, waar ik had gevischt, naar het groote
meer trachtte te komen, waar mijn kamp zich bevond. Het was laat op den
middag. Om den langen, moeilijken tocht langs een rivier stroomaf te
vermijden, waarlangs ik ’s morgens vroeg met een bijl naar boven was
gekomen, trachtte ik me door het onbegaanbare bosch een weg te banen
zonder kompas. ’s Zomers door een bosch te trekken in ’t Noorden is een
wanhopig karwei. Ge zakt tot aan de enkels in het mos; het kreupelhout
is dicht; omgewaaide stammen liggen in hopelooze verwarring over elkaar
heen, waardoor en onder- en overheen ge moeizaam uw weg moet banen,
gestoken, getreiterd door zwermen zwarte vliegen en muggen. Zoodat het
bijna onmogelijk is koers te houden zonder kompas of heldere zon om den
weg te wijzen, tenzij ge een sterk oriënteeringsvermogen hebt.
Nog niet halverwege was ik al verdwaald. De zon was al lang
verduisterd, en een druilerige regen begon te vallen, waar niets van
richting uit op te maken was, toen die eindelijk het kreupelhout
bereikt had, waar ik me bevond. Ik was al aan een schuilplaats
begonnen, van plan om daar een onplezierig nachtje door te brengen,
toen ik een kreet hoorde en opkijkend een glimp van Hukweem ontwaarde,
die zich hoog boven de boomtoppen voortspoedde. Ginds, een heel eind
naar rechts, klonk een zwakke kreet tot antwoord, en ik haastte mij die
richting uit, terwijl ’k onder ’t voortgaan een Indiaansch kompas van
gebroken takjes maakte. Hukweem was een jonge duiker en had lang werk
om neer te komen. Het geroep vóór me werd luider. Door haar komst uit
hun dagrust gewekt, waren de andere duikers vroeger dan gewoonlijk met
hun spelletje begonnen. Het geroep werd bijna niet meer onderbroken, en
ik volgde het recht naar het meer.
Eenmaal daar gekomen was het een eenvoudige zaak de rivier te vinden en
mijn oude kano, die geduldig onder de elzen lag te wachten in de
toenemende schemering. Weldra dreef ik weer met een gevoel van
onuitsprekelijke verlichting, dat hij alleen beoordeelen kan die
verdwaald is geweest en nu de golfjes onder zich hoort zingen, en weet
dat de vreugdelooze bosschen achter hem liggen en dat het kampvuur
wenkt achter gindsche landtong. De duikers schalden heel in de verte en
ik ging naar den overkant—ditmaal uit pure dankbaarheid—om ze weer te
zien. Maar mijn gids was bescheiden en verdween als de wind in den
mist, zoodra mijn kano maar verscheen.
Wanneer ik sinds dien tijd Hukweem hoor in den nacht, of anderen van
haar bovenaardsch gelach hoor spreken, denk ik aan dien kreet boven de
boomtoppen en het verrassende antwoord heel in de verte. En in het
geluid is nu voor mijn ooren een klank, dien het vroeger nooit had.
Hukweem, de Stem van den Nacht, leidde den dwalende uit het bosch
veilig naar een behaaglijk kamp.—Dat is een dienst, dien men in de
wildernis niet vergeet.