Weg nu, bestoven

Zoldring daarboven!

Heerlijker stare

Vriendlijk de klare

Ether hier neêr!

Ware het donker

Wolkfloers geweken,

’t Sterrengeflonker

Zou niet verbleeken,

Tot ons zou spreken

’t Hemelsche heer.

Godlijke zonen,

Heerlijke schoonen,

Wie zich vertoonen,

Zweeft hier voorbij;

Smachtend verlangen,

Volg gij de rij.

Prachtige kleêren,

Linten en veêren,

Ziet men bedekken

Zalen, vertrekken,

Andere plekken,

Onder abeelen

En in prieelen,

Waar in gedachten

Minnenden smachten.

Heerlijke druiven,

Werp, als gij rijp zijt,

U in den persbak!

Schuimende wijnen

Storten in beken,

Midden door godlijke,

Heerlijke streken,

Laten de bergen

Achter zich liggen,

Breiden tot geurige

Meren zich uit.

En het gevogelte

Klapwiekt het zonlicht,

Vliegt de verruklijke

Eilanden tegen,

Die zich op golfjes

Dobbrend bewegen;

Waar wij de koren

Juichende hooren,

Of in landouwen

Dansers aanschouwen,

Die spelemeijen

Of zich verspreijen.

Deze beklimmen

Bergen en boomen;

Anderen zwemmen

Over de stroomen;

Anderen zweven

Al tot het leven;

Al om een verre,

Minnende sterre

Hulde te biên.

MEPHISTOPHELES.

Hij ’s ingesluimerd! Goed zoo, beste jongen!

Gij, geesten, hebt hem trouw in slaap gezongen;

Voor dit concert sta ik bij u in ’t krijt.

Ja, Faust! ik wist wel, dat ge nog de man niet zijt

Om zoo gemakkelijk den duivel in te toomen.

Wat droomgegoochel, en gij zijt hem kwijt.

Maar om thans hier van daan te komen,

Moet mij een rat ten dienste staan.

Waar haal ik nu zoo’n beest op eens van daan?

Maar stil! Daar hoor ’k er een; ik zal zijn les hem leeren,

En hem maar dadelijk bezweren.

De heer der muizen en der ratten,

Der vliegen, torren, kikkers, katten,

Beveelt u daadlijk op te dagen

En gindschen drempel te doorknagen,

En dat terstond wel en op slag!

Ah zie! Daar komt ge al voor den dag!

Nu frisch aan ’t werk! Wat mij hier bant

Zit heel vooraan, aan d’ andren kant.

Één beet nog, en het is geschied!

Droom voort nu, Faust, tot gij mij wederziet.

FAUST, wakker wordende.

Ben ik dan andermaal bedrogen?

Verdween aldus de magt, die zoo in slaap mij zong?

Heeft mij een droom de duivel voorgelogen,

Of was het slechts een poedel, die me ontsprong?

Studeervertrek.

FAUST. MEPHISTOPHELES klopt.

FAUST.

Alweêr wat!—Binnen!—Ach, wie komt mij nu weêr storen!

MEPHISTOPHELES.

Ik ben het.

FAUST.

Binnen!

MEPHISTOPHELES.

’k Moet dit driemaal hooren.

FAUST.

Nu, binnen dan!

MEPHISTOPHELES.

Zoo is het goed.

Wij zullen, hoop ik, vrienden blijven;

Want u de grillen te verdrijven,

Is de oorzaak, die met zoo veel spoed

Mij heden bij u komen doet,

En ik u in een dos begroet,

Zoo als een jonker wezen moet.

Een haneveêr prijkt op mijn hoed;

Mijn roode rok is fraai en net

Met gouden boordsel afgezet;

Mijn manteltje is van witte zijde,

Mijn degen of ik toog ten strijde.

Nu moest gij, van den dag van heden,

U, beste vriend, ook zoo gaan kleeden,

Opdat gij, los en frank en vrij,

Moogt leeren wat het leven zij.

FAUST.

In ieder kleed heb ik den knel

Van ’t aardsche leven toch te duchten;

Ik ben reeds te oud voor kinderspel,

Te jong nog om de vreugd te ontvlugten.

Wat is het heil, dat de aard mij biedt!

Ontberen zult ge, steeds ontberen:

Dit is ’t vervelend, eeuwig lied,

Waarmeê men ieder, die geniet,

Wil zaligmaken en bekeeren.

’k Sta ’s morgens op met wee en ach,

En voel mij reeds het harte bloeden,

Als ik vooruitzie hoe de dag

Weêr zonder vreugd ten eind zal spoeden,

Geen wensch vervuld wordt, hoe gering,

Die in mijn boezem op komt wellen,

Maar ik, vol angst en foltering,

Met duizend zorgen mij moet kwellen.

Ja, ook nog in het nachtlijk uur,

Als ’k op mijn sponde me uit ga strekken,

Dan zullen, zonder rust of duur,

Mij wilde droomen telkens wekken.

De god, die in mijn boezem woont,

Kan wel mijn ziel in oproer brengen,

Maar Hij, die boven starren troont,

Hij kan geen laafdronk voor mij plengen.

Zoo is het leven mij een last;

O, wierd ik door den dood verrast!

MEPHISTOPHELES.

Toch is de dood geen aangename gast.

FAUST.

Gelukkig wie, na roemvol streven,

Den heldendood op ’t slagveld vindt,

Of, na een kort, maar zalig leven,

In d’arm van haar, die hij bemint!

O, ware ik, door de hooge kracht

Verrukt, al stervend neêrgezonken!

MEPHISTOPHELES.

En toch heeft zeker iemand in dien nacht

Het bruine vocht niet uitgedronken.

FAUST.

Het spionneeren is, naar ’t schijnt, uw lust.

MEPHISTOPHELES.

Alwetend ben ik niet; toch is mij veel bewust.

FAUST.

Wanneer uit sombre mijmeringen

Een zoete toon mij somtijds wekt,

Die uit mijn vroege erinneringen

In me opdoemt en mijne aandacht trekt

Dan vloek ik alles, wat ons harte

Met waan en goochelarij omspant,

En in dit hol van ramp en smarte

Ons door zijn vleijerijen bant.

Vloek zij vooreerst het hoog gevoelen,

Waarmeê de geest zichzelv’ omringt,

’t Verblindingswerk van heilbedoelen,

Dat zich aan onze zinnen dringt!

Vloek wat een droom ons voor kan liegen

Van roem en eer, van gunst en lof,—

Wat als bezit ons kan bedriegen,

Als vrouw en kind, als huis en hof!

Vloek zij de Mammon, die ons streelde,

Door schatten onze daden stut,

Of na een dag van lust en weelde

De zachte peluw voor ons schudt!

Vloek zij des wijnstoks zinverdooven!

Vloek liefde, die ons hart vervult!

Vloek zij de hoop, vloek zij ’t gelooven,

Maar vloek zij bovenal ’t geduld!

GEESTEN, onzigtbaar.

Wee! wee!

Gij hebt haar verstoord,

De schoone wereld,

Die ieder bekoort!

Zij valt—zinkt ineen!

Een halfgod heeft haar verslagen!

Wij dragen

De puin naar ’t onbekende heen,

En klagen

Thans over ’t schoon, dat wij verloren.

Magtiger

Lot zij haar beschoren;

Prachtiger

Worde zij herboren!

Zij vervulle uwen boezem met hoop!

Een nieuwen levensloop

Moet gij thans beginnen

Met heldere zinnen,

Dan zult gij verwinnen

Wat anders u sloop’,

MEPHISTOPHELES.

Dit zijn mijne vrinden,

Die mij komen vinden.

Hoor hoe zij u raden

Tot vreugde en tot daden!

In ’s werelds gewoel,

Uit dezen jammerpoel,

Ver van dit letterblokken,

Willen zij u lokken.

Houd op uw hartzeer toe te geven,

Dat als een gier uw borst aan flarden rijt;

Gezelschap, hoe ’t ook zij, zal u doen leven:

Voel dat ge een mensch met menschen zijt!

Maar ’t is daarom mijn meening niet

U bij ’t gemeen te doen verstikken.

Ik ben eenvoudig, zoo ge ziet;

Wilt gij nu onder mijn gebied

Aan ’t werklijk leven u verkwikken,

Dan kunt gij over mij beschikken.

Zeg! Stemt ge toe in dit verbond,

Dan ben ik tot uw dienst terstond.

Sla toe; ik meen ’t met u opregt;

Ik ben uw dienaar en uw knecht.

FAUST.

En waarmeê moet ik u daarvoor beloonen?

MEPHISTOPHELES.

Dat later; nu daarover niet getwist!

FAUST.

Neen, neen! De duivel is een egoïst,

En zal om niet wel niemand dienst betoonen.

Zeg mij uw meening duidelijk en klaar:

Zulk een bediende brengt het huis ligt in gevaar.

MEPHISTOPHELES.

Ik wil mij hier tot uwe dienst verbinden,

Mij steeds op uw bevel en wenken spoên;

Als wij daarginds elkander wedervinden,

Zult gij voor mij het zelfde doen.

FAUST.

Om ’t ginds zal ik mij niet bekommeren noch plagen:

Hebt ge eenmaal deze wereld stukgeslagen,

Laat dan eene andre ontstaan of niet!

Deze aarde kent mijn vreugde en mijn verblijden;

De zon beschijnt mijn rampen en mijn lijden:

Als eenmaal aarde of zon me ontvliedt,

Is ’t mij het zelfde wat geschiedt.

Ik wil er verder niets van hooren,

Of men ook ginder haat en mint,

En of men bij de hemelkoren

Ook rang en stand en afkomst vindt.

MEPHISTOPHELES.

Wel nu, dan kunt ge ’t veilig wagen:

Verbind u, en ik zal in deze dagen

Mijn kunsten u te aanschouwen biên;

Ik geef u wat geen mensch nog heeft gezien.

FAUST.

Wat wilt gij, arme duivel, geven!

Werd wel eens menschen geest, in ’t hooge streven,

Door uws gelijken ooit begrepen zoo ’t behoort?

Toch hebt gij spijze van de soort,

Die niet verzadigt: goud, dat altijd voort

Gelijk kwikzilver in de hand vervliet,—

Een lot, dat uitkomt met een niet;

Een meisje, dat, aan mijne borst gezonken,

Alreeds mijn buurman toe gaat lonken;

De ontembre drift naar roem en eer—

Men staart er op, en ze is niet meer.

Wijs mij de vrucht, die rot eer men haar plukt,

Of een leeuwin met meer dan twee paar welpen!

MEPHISTOPHELES.

Zulk een verlangen maakt mij niet bedrukt;

Aan ’t een en ’t ander kan ’k u helpen.

Maar, goede vriend, de tijd komt ook eens aan,

Waarin wij ’t leven in zijn vreugde willen smaken.

FAUST.

Begin ik immer naar gemak te haken,

Dan zij ’t met mij terstond gedaan!

Kunt gij mij vleijend ooit beliegen,

Dat ik mijzelv’ bevallen mag,—

Kunt gij mij met genot bedriegen—

Dan zij ’t voor mij de laatste dag!

Dat zij gewed nu!

MEPHISTOPHELES.

Top!

FAUST.

En slag op slag!

Als ’k ooit in zwijmel weg mag zinken

Voor ’t heden, dat mijn ziel bekoort,

Dan moogt gij mij in boeijen klinken,

Dan hebt gij me, en wat mij behoort.

Dat dan de doodsklok voor mij schalle!

Dan zijt ge van uw dienstwerk vrij.

Het uurwerk sta, de wijzer valle!

Dan zij voor mij de tijd voorbij!

MEPHISTOPHELES.

Bedenk u wel; wij zullen ’t niet vergeten.

FAUST.

Gij zijt daartoe volkomen in uw regt,

En ’k heb mij niet al te onbedacht vermeten:

Volhard ik dus, dan ben ik knecht—

Van wien—dat wordt eerst later uitgelegd.

MEPHISTOPHELES.

’k Zal reeds van daag, bij ’t doctoraal ontbijten,

Als dienaar van mijn pligt mij kwijten;

Ik doe mijn woord hierin gestand.

Één ding nog slechts: bij leven of bij sterven,

Verzoek ik een paar regels van uw hand.

FAUST.

Ook zwart op wit verlangt gij nog, pedant?

Moet gij het denkbeeld van een man van eer nog derven?

Is ’t niet genoeg, dat mijn gesproken woord

Mij heilig is, en nimmer zal verzwinden?

Zendt niet de wereld steeds haar stroomen voort,

En mij zou een belofte binden?

Maar deze waan schonk ons natuur tot gift;

En gaarne wil men daarop bouwen.

Wien reine trouw is in het hart gegrift,

Geen offer zal hem ooit berouwen;

Alleen een perkament, een goed gezegeld schrift,

Dat is een spook, dat wij met vrees beschouwen.

Het woord besterft reeds in de veder;

Wij bukken onder was en leder.

Wat wilt ge dus,—zeg, helgriffier!

Erts, marmer, perkament, papier?

Moet ik met griffel, pen of beitel schrijven?

’k Geef u de keus voor alle drie.

MEPHISTOPHELES.

Wat draaft ge door! O Faust, ontzie

U toch, de zaak zoo te overdrijven!

Geloof mij, ieder blaadje is goed:

Gij onderteekent met een dropje van uw bloed.

FAUST.

Zoo dit het eenige is, wat u genoegen doet,

Dan mag het bij die gekheid blijven.

MEPHISTOPHELES.

Bloed heeft een zeer bijzondre magt.

FAUST.

Wees maar niet bang, dat mij berouw zal plagen.

Het streven toch van al mijn kracht

Is wat ik aan u op wil dragen.

Te hoog schatte ik mij inderdaàd;

In uwen rang behoor ’k alleen.

De Groote Geest heeft mij versmaad:

Ik zocht natuur, doch vond er geen.

Mijn denkkracht is vaneengereten;

Ik walg reeds lang van al het weten.

Kom, laten we in de zinlijkheid

Voldoening voor ons streven zoeken!

In ondoordringbre tooverdoeken

Zij ieder wonder straks bereid!

Kom, werpen we ons in ’t aardsch gewoel;

Dat zij ons trachten, dat ons doel!

Daar mag dan smart, daar mag genot,

Daar mag erkenning, daar mag spot,

Afwisselen zoo veel het kan:

Slechts rustloos werkzaam zij de man!

MEPHISTOPHELES.

Weet dat ik paal noch perk u stel;

Geniet waar gij genot kunt vinden;

Laat u door schroom noch zorgen binden:

Wat u bevalt, bekome u wel!

Zie overal wat op te vangen.

FAUST.

Gij weet, geen vreugde is mijn verlangen.

Ik wijd me aan wat vergald genot mij biedt,

Verliefden haat, verkwikkend zielsverdriet.

Mijn boezem, nu van wetenslust genezen,

Zal voor de smart voortaan óók vatbaar wezen,

En ’t heil, dat voor een ander open staat,

Wil ’k ook genieten, mij ten baat.

Ik wil mijn geest aan hoog en laag verzaden,

Hun lief en leed op mijnen schedel laden,

Om dus mijzelv’ zoo veel ’t kan uit te zetten,

En in dien roes ten laatste te verpletten.

MEPHISTOPHELES.

Geloof toch mij, die vele duizend jaren

Aan deze harde spijs reeds kaauwt,

Dat levenslang—ik kan het u verklaren—

Den mensch dit zuurdeeg steeds benaauwt.

’t Heelal, gij moogt het vrij gelooven,

Is voor een God alleen gemaakt;

Hij woont en heerscht in eeuwgen glans daarboven,

En wij zijn in de duisternis geraakt:

Nu zijt gij de eenge, die naar beide haakt.

FAUST.

Maar ’k wil!

MEPHISTOPHELES.

Ik ben een vriend van daden;

Doch slechts voor één ding ben ik bang:

De tijd is kort, de kunst is lang.

Mij dunkt, gij moest u laten raden.

Verbind u met een dichter, arm als Job:

Die voere zijn verbeelding dan ten top,

En hoope dan wat goed is, schoon en edel,

Door u betaald, u op den schedel.

Der leeuwen moed,

De snelheid van de hinde,

Der Italianen vurig bloed,

En wat men verder vinde.

Laat hij u ook ’t geheim verklaren

Om grootheid met arglistigheid te paren,

En u dan met de drift der jeugd

Te wijden aan de minnevreugd.

’k Geloof zelfs zulk een heer te weten,

En zal hem Mikrokosmus heeten.

FAUST.

Wat zou ik zijn, indien ’t niet mooglijk waar’

Mij meester van de kroon te maken,

Waarnaar toch alle zinnen haken?

MEPHISTOPHELES.

Gij zijt een regte sukkelaar.

Zet u een pruik op met millioenen lokken,

Uit haar van geiten of van bokken:

Gij zijt en blijft onhandelbaar.

FAUST.

’k Gevoel het. Vruchtloos heb ik alle schatten

Van ’t menschlijk brein bijeenvergaard,

En zie, hoe ’k met gepeins me ook af moog’ matten,

Geen nieuwe kracht, die zich in me openbaart;

Ik ben met al mijn tobben, droomen

Geen haarbreed verder nog gekomen.

MEPHISTOPHELES.

Mijn goede heer, gij ziet de zaken

Zoo in, als dat altijd geschiedt:

Wij moeten dat heel anders maken

Vóór ons des levens vreugde ontvliedt.

Wat drommel! Zeker, hand en voeten

En al de rest behooren u;

Maar wat mij ’t leven kan verzoeten,

Behoort dat ook mij niet? Wel nu!

Als ik zes hengsten kan betalen,

Mag ik daarmede dan niet pralen?

Ik span ze voor, en rij daarhenen,

Als had ik vier-en-twintig beenen.

Weg fratsen dus! Maak een begin,

En frisch met mij de wereld in!

Geloof me, een man, die nimmer zich ontspant,

Is als een dier op dorre heide,

Dat door een boozen geest wordt rondgevoerd in ’t zand,

En daaromheen ziet men een schoone weide.

FAUST.

Hoe vangen wij dat aan?

MEPHISTOPHELES.

Wij gaan er nu naar toe.

Wat is dit voor een akelig gedoe!

Waartoe den kluisnaar hier te spelen,

U en de jongens te vervelen?

Gun dat maar aan een pruikenbent!

Waartoe nog langer onzin uit te leggen?

Het beste, wat gij weet en kent,

Moogt gij uw jongens toch niet zeggen.

Ik hoor al een daar in den gang.

FAUST.

Hij moet zijn leerlust maar wat rekken.

MEPHISTOPHELES.

Die arme jongen wacht reeds lang;

Hij mag niet ongetroost vertrekken.

Kom! Geef me uw toga en uw muts;

Dat masker zal mij goed bedekken.

Hij verkleedt zich.

Zie zoo, mijn vriend! Vertrek nu flus.

Een klein kwartiertje slechts, dan kunt gij wederkeeren;

Steek u intusschen als een jonker in de kleêren.

Faust vertrekt.

MEPHISTOPHELES, in de kleeding van Faust.

Dat gij maar geest en wetenschap veracht,

Des menschen allerhoogste kracht,—

Laat maar in blind- en tooverwerken

U door den logengeest versterken—

Dan heb ik u volkomen in mijn magt.

Hem heeft Natuur een geest gegeven,

Die rustloos voortdrong dag aan dag,

En wiens al te ongebreideld streven

Geen aardsche vreugde kende of zag:

Dien sleep ik door het wilde leven,

Door plat- en onbeduidendheid;

Ik laat hem spartlen, gapen, kleven,

En in zijne onverzaadlijkheid

Zal spijs en drank voor gierge lippen zweven,

Maar lafenis is hem ontzegd;

En ook al had hij zich niet mij ten prooi gegeven,

Toch kwam niets goeds van hem te regt.

EEN LEERLING, binnentredende.

Ik ben hier nog maar kort, mijnheer!

En kom met al ’t betoon van eer,

Om zelf een man te kennen en te roemen,

Wiens naam wij slechts met eerbied noemen.

MEPHISTOPHELES.

Uw goede dunk verblijdt mij zeer.

Gij ziet een man als andren meer.

Hebt gij reeds elders school gegaan?

LEERLING.

Ik bid u, neem u mijner aan!

Ik kom bij u met goeden moed,

Met eenig geld en jeugdig bloed.

Mijn moeder liet me ongaarn vertrekken;

Wil gij tot leeraar mij verstrekken!

MEPHISTOPHELES.

Tot leeren zijt gij hier te regt.

LEERLING.

En toch bevalt het mij hier slecht;

Hier, tusschen deze sombre wanden,

Raakt heel mijn denkenskracht aan banden.

Ik voel mij afgemat en loom;

Men aâmt geen lucht hier, ziet geen boom;

Ver van aandachtig aan te hooren,

Is ’t meeste voor mij wis verloren.

MEPHISTOPHELES.

Veel is gewoonte, en dat met grond.

Het is daarmede als met een kind:

’t Neemt niet de moederborst terstond,

Waaraan ’t welras zijn laafnis vindt.

Wilt ge u dus aan de wijsheid laven,

Hier zijt gij in de regte haven.

LEERLING.

’k Wil gaarne aan uwe lippen hangen;

Doch zeg mij, hoe ik ’t aan moet vangen!

MEPHISTOPHELES.

Geef me eerst op ééne zaak bescheid:

Wat kiest gij voor een faculteit?

LEERLING.

Ik tracht naar wijsheid en haar schatten,

En wenschte gaarne ’t al te omvatten:

Het wereldruim en zijn bestuur,

De wetenschap en de natuur.

MEPHISTOPHELES.

Dan zijt gij op het regte spoor;

Maar heb vooral een luistrend oor!

LEERLING.

Ik ben er bij met ziel en lijf;

Maar wat mij toch wel zou behagen,

Is vrijheid en wat tijdverdrijf

Des zomers met vacantiedagen.

MEPHISTOPHELES.

Gebruik den tijd, die ras vervliet;

Doch orde leert veel tijd u winnen:

Ik raad u, vriend, verzuim dus niet

Met Logica uw lessen te beginnen.

Dan wordt uw geest behoorlijk gedresseerd,

In Spaansche laarzen ingeregen,

En door u de voorzigtigheid verkregen,

Die uw gedachtenloop regeert,

Zoo dat ge niet, nu hier, dan daar,

Rondhaspelt als een broddelaar.

Dan leert men u ook, wat geschiê,

Om deze of gene zaak te ontvouwen,

Terwijl ge er anders, een, twee, drie,

Maar op zoudt hebben ingehouwen.

Toch is ’t met der gedachten veld

Als met een weefgetouw gesteld:

Daar gaan de draden op en neder;

De schietspoel glijdt al heen en weder;

Al de eersten door een enklen tred,

Terwijl de laatste op ’t weefsel let.

Zoo komt de wijsgeer, als ge alleen zit,

Bewijst u, dat het zoo ineen zit:

Eerst was het zoo, en toen weêr zus;

Toen werd zoo weêr, toen weêr dus,

En wanneer een en twee ontbraken,

Zou drie noch vier ’t geheel volmaken.

Dit wijzen ze aan op rekenborden;

Maar wevers zijn zij niet geworden.

Wie iets, dat leeft, wil kennen en beschrijven,

Zoeke eerst den geest er uit te drijven:

Dan heeft hij al de stukken in zijn hand;

Alleen ontbreekt de geest hem en ’t verband.

Dit heet nu Logica bij lieden van het vak,

Maar zelf toch vinden zij het larie slechts en lak.

LEERLING.

Ik kan u niet te best verstaan.

MEPHISTOPHELES.

Dat zal, mijn vriend, wel beter gaan,

Wanneer gij zijt aan ’t reduceeren

En aan het goed classificeeren.

LEERLING.

’k Word van dat al zoo warlig en verdoofd,

Alsof een molenrad mij ronddraaide in het hoofd.

MEPHISTOPHELES.

Voorts, vriendlief, op de Logica

Volgt nu de Metaphysica.

Dan leert ge duidlijk, wat niet past

In ’s menschen brein of hersenkast;

Hetgeen daar al of niet behoort,

Betoogt ge met een prachtig woord.

Doch neem in ’t eerste halve jaar

Toch alle mooglijke orde waar:

Vijf uren hebt gij elken dag;

Wees binnen met der klokken slag.

Heb u eerst goed geprepareerd,

Paragraphos wel bestudeerd,

Opdat men u niet voor de broek slaat,

Wanneer ge iets zegt, dat niet in ’t boek staat,

Maar zorg dat ge altijd schrijft en leest,

Als dicteerde u de Heiige Geest.

LEERLING.

Dat alles kan mij regt behagen:

Ik ben een vriend van zwart op wit;

Want als men eenmaal dit bezit,

Kan men ’t getroost naar huis toe dragen.

MEPHISTOPHELES.

Maar noem mij nu uw keus; want dat is hier de zaak!

LEERLING.

De regtsgeleerdheid valt niet in mijn smaak.

MEPHISTOPHELES.

Ik kan ’t u niet ten kwade reeknen,

Daar ’k weet wat regt en wet beteeknen:

Die leer plant zich, van oord tot oord,

Gelijk een eeuwge smetkoorts voort;

De zonen erven haar van de ouders over,

En denken dat het zoo behoort.

Een vriend des menschdoms wordt bij hen een roover;

Verstand wordt onzin; weldaad, moord.

Spreekt men van ’t regt, dat ons is aangeboren,

Dan praat men voor der dooven ooren.

LEERLING.

Mijn afkeer van dit vak wordt thans door u vermeerd;

Gelukkig hij, dien gij dus leert!

Maar nu theologie—daar zou ’k mij wel in vinden.

MEPHISTOPHELES.

’k Wil om de zaak geen doekjes winden.

Als gij hier alles wikt en schift,

Dan valt het moeilijk den verkeerden weg te mijden.

Dees wetenschap heeft veel geheim vergift;

Die zich haar wijdt, is geenszins te benijden.

Het beste is hier ook, dat u één slechts leert,

En gij bij ’s meesters woorden zweert.

In ’t kort, wil slechts tot woorden u bepalen,

Dan gaat gij veilig, ’t kan niet falen,

Den tempel der gewisheid in.

LEERLING.

Maar woorden eischen toch een zin.

MEPHISTOPHELES.

Heel goed; maar daarom niet van angst bezweken;

Want waar begrip en zin ontbreken,

Daar valt het woord ons in te regter tijd.

Een bol is ’t, die met woorden strijdt;

Met woorden kan men alle haren kloven;

Aan woorden laat zich ’t best gelooven;

Geen jota kan men van een woord ontrooven.

LEERLING.

Vergeef me; ik hou u op met al dat vragen,

Maar ’k moet toch nog van iets gewagen,

’k Zag gaarne nog door u vermeld,

Hoe ’t met geneeskunst is gesteld.

Een korte tijd toch is drie jaren,

En ’t veld is naauwlijks af te staren;

Dus, als ik maar een wenk ontvang,

Dan heb ik al wat ik verlang.

MEPHISTOPHELES, bij zichzelven.

Die drooge toon begint mij te vervelen;

’k Moet maar eens weêr voor duivel spelen.

Overluid.

Geneeskunde? O, ’t is goed dat gij dat vraagt:

Dat veld is maklijk te bezaaijen en te maaijen:

Gij bestudeert den mensch, en laat het verder waaijen

Zoo ’t God behaagt.

’t Is vruchtloos dat ge u wetenschaplijk plaagt:

Een ieder leert slechts wat hij leeren kan;

Hij echter, die slechts durft en waagt,

Dat is de regte man.

Gij zijt heel flink, als men u zoo beschouwt,

En dat gij durft, wil ’k ook wel wedden:

Als ge eerst nu maar uzelv’ vertrouwt,

Zal zich al ’t andere wel redden.

Tracht bovenal—hiermeê moet gij beginnen—

Der vrouwen gunst te winnen.

Nu scheelt haar dit, dan weder dat;

Zij weten zelf niet hoe of wat.

Geeft gij wat toe aan ieders luim,

Dan hebt gij ze onder uwen duim.

Eerst moet gij u haar kenbaar maken,

Dat uwe kunst veel kunsten achterlaat;

Dan vraagt gij haar naar deze en gene zaken,

Waarbij een ander zich veel jaren lang beraadt.

Voel haar den pols, en zie haar schalksch in de oogen;

Vat haar om ’t midden dan, om, met haar leed bewogen,

Te weten bij ervarenis,

Of zij wel goed geregen is.

LEERLING.

Dat lijkt mij beter, naar ’k voorzie.

MEPHISTOPHELES.

Dor, vriend, is alle theorie,

En groen de vruchtbre levensboom.

LEERLING.

Het is mij alles als een droom.

Zou ik een andren keer—’k word als op nieuw herboren—

Van uwe wijsheid niet wat meer nog mogen hooren?

MEPHISTOPHELES.

Wat ik vermag, zij gaarn gedaan.

LEERLING.

Ik kan onmooglijk nu reeds gaan.

Zie hier mijn album; ’k zal nog even blijven,

Opdat ge een spreuk daarin zoudt kunnen schrijven.

MEPHISTOPHELES schrijft iets in het album, en geeft het terug.

LEERLING leest.

Eritis sicut Deus, scientes bonum et malum. [6]

Hij slaat het boek vol eerbied toe, buigt zich, en vertrekt.

MEPHISTOPHELES.

Volg gij maar de oude spreuk en mijne nicht de slang,

Dan wordt ge eens zeker voor uw Godgelijkheid bang.

FAUST treedt in eene modekleeding binnen.

Waar gaan wij nu naar toe?

MEPHISTOPHELES.

Waarheen gij zelf maar wilt.

Wij zien de wereld, en hoe ’t groot van ’t klein verschilt.

Veel zult ge bij dit alles leeren,

En tevens regt u diverteeren.

FAUST.

Maar bij al ’t geen ’k als doctor weet

Ontbreekt mij wat men “wereld” heet.

’t Loopt met de proeve vast abuis;

’k Was nimmer in de wereld thuis.

Ik voel vooraf reeds angst en vreezen;

’k Zal met mijzelv’ verlegen wezen.

MEPHISTOPHELES.

Mijn vriend, waartoe die valsche waan?

Steun op uzelv’, en ’t zal wel gaan.

FAUST.

Maar wat brengt ons naar noord of zuid?

Waar hebt gij paarden, knecht en wagen?

MEPHISTOPHELES.

Wij spreiden slechts den mantel uit;

Die zal ons door het luchtruim dragen.

Doch neem bij deze stoute schrede

Vooral niet veel bagage mede:

Wat vuurlucht, dat ik zelf berei,

Helpt ons van de aarde, ons allebei;

En zijn wij ligt, dan zal het schielijk gaan.

Veel heil nu op uw nieuwe levensbaan!

Auerbach’s wijnkelder te Leipzig.

EEN GEZELSCHAP VROLIJKE DRINKEBROÊRS.

KIKKERT.

Wil niemand drinken, niemand zingen?

Dan zal ik u daar wel toe dwingen!

Nu zit gij als versuft en lam,

En anders zijt ge vuur en vlam.

BRANDER.

Dat ligt aan u; gij brengt niets voor den dag,

Geen ui, geen grap, of wat het wezen mag.

KIKKERT werpt hem een glas wijn in het gezigt.

Daar hebt gij beide!

BRANDER.

Vuile hond!

KIKKERT.

Smaakt het u niet, hoû dan uw mond!

SIEBEL.

De deur uit wie niet zingt en drinkt

En dadelijk met de andren klinkt!

Hoezee! dat gaat u voor!

ALTMEIJER.

O wee, ik ben verloren!

Hoû op, of anders barsten nog mijne ooren!

SIEBEL.

Wanneer ’t weêrgalmt van onzen Wijn-Parnas,

Voelt men eerst regt den grondtoon van den bas.

KIKKERT.

Zoo is ’t. De deur uit wie de vreugde stremt!

Vifalderaldera!

ALTMEIJER.

Vifalderaldera!

KIKKERT.

De kelen zijn gestemd.

Zingt.

Het lieve, heilge Roomsche rijk,

Hoe blijft het nog zoo hangen!

BRANDER.

Faust: Dramatisch dichtstuk van Goethe [deel 1] · 第 4 / 9 段