Liefste Judy,
Aanhoort de goede tijding!
Daar dit de 31ste dag van Punch's afwezigheid is, telefoneerde ik
zijn twee weldoensters op, om, zooals was afgesproken, over zijn
vertrek te confereeren. Maar ik stuitte op een verontwaardigde
weigering. Hun lief klein vulkaantje teruggeven, nu hij er juist aan
begon te wennen de menschheid niet regelmatig op vulkanische
uitbarstingen te vergasten! Ze konden er gewoonweg niet over uit, dat
ik zulk een ondankbaar voorstel doen kon. Punch heeft de uitnoodiging
al aangenomen om er den heelen zomer door te brengen.
Nog steeds zijn we hier aan het kleeren naaien. Je moest de machines
hooren snorren en eens luisteren naar het vroolijk gebabbel in de
naaikamer. Ons meest lusteloos, versuft vondelingetje wordt wakker en
stelt weer belang in het leven, als ze hoort, dat ze drie jurken zal
krijgen, die aan haar en niemand anders zullen toebehooren en elk van
een andere kleur zal zijn, die ze zelf mag uitzoeken. En je moest
eens zien hoe dat hen bij het naaien aanspoort; zelfs de kleintjes
van tien jaar zijn dapper aan het zoomen. Ik wilde wel dat ik net
zoo'n goed middel kon bedenken om de belangstelling voor het koken op
te wekken, maar onze keuken helpt ons absoluut niet om die opleiding
wat aangenaam te maken. Je weet niet welk een domper het is voor
iemands geestdrift als hij een H.L. aardappelen moet schillen.
Ik geloof dat ik je al verteld heb, dat ik mijn kinderen in tien
aardige kleine families zal verdeelen met een lief huismoedertje, dat
aan het hoofd van de tien staat. Als ik nu tien aardige
cottage-woninkjes had om hen daarin te stoppen, met bloemen voor het
huis en hondjes en katjes en konijntjes, zouden we een werkelijk
presentabel gesticht kunnen vormen en behoefden wij ons niet te
schamen als deze of gene ons kwam opzoeken.
Donderdag.
Ik begon dezen brief drie dagen geleden maar werd daarbij overvallen
door een zeer welwillenden breedsprakerigen philantroop (met dat
gevolg, dat ik vijftig kaartjes voor het circus kreeg) en ik had
sedert dien geen vrij oogenblik om weer verder te schrijven. Betsy is
drie dagen in Philadelphia geweest omdat ze voor het een of ander
nichtje bruidsmeisje moest zijn. Ik hoop dat haar overige familie
voorloopig niet aan trouwen denkt want zoo'n evenement is zeer
storend voor de rust en orde van het John Grier Home.
Tijdens haar afwezigheid bezocht zij een familie die naar een kind
had gevraagd. Natuurlijk hadden wij niet bepaald een kuikentje, dat
van onder Moeders vleugels uit moest vliegen, maar nu die familie ons
zoo toevallig tegen het lijf liep, wilden we toch van de gelegenheid
profiteeren. Gewoonlijk werken wij met de State Charities' Aid
Association, welke een menigte agenten heeft die het land bereizen en
zoo dus voortdurend in aanraking blijft met families, die kinderen
wenschen aan te nemen en met gestichten, die die kinderen op deze
wijze een goed tehuis willen verschaffen. Sedert deze instelling zich
bereid heeft verklaard ook voor ons te werken, kunnen we haast alle
kleine babies, die wij hebben, plaatsen. Ik wil er ook zooveel
mogelijk op heel jeugdigen leeftijd een eigen thuis bezorgen, want ik
geloof zeker dat een eigen thuis het beste is wat een kind zich
wenschen kan. Natuurlijk moeten wij eerst heel zeker zijn van het
milieu waarin het schaapje terecht komt. Ik verlang geen rijke
pleegouders, maar in elk geval vriendelijke liefhebbende en
verstandige ouders. Deze keer heeft Betsy naar het schijnt een juweel
van een familie aangetroffen. Het kind is nog niet geleverd, de
papieren zijn ook nog niet geteekend en dus verkeer ik nog steeds in
angst dat plotseling al onze mooie plannen in duigen zullen vallen.
Vraag eens aan Jervis, of hij wel eens gehoord heeft van J. F.
Bretland in Philadelphia. Hij schijnt zich veel in financieele
kringen te bewegen. Het eerste, wat ik van hem onder mijn oogen
kreeg, was een brief aan den "Directeur van het John Grier Home", een
kort zakenbriefje in machineschrift, van een afschuwelijk zakelijken
advocaat, meldend dat zijn vrouw besloten had een meisje van goede
gezondheid en met lief voorkomen tusschen twee en drie jaar aan te
nemen. Het kind moest een vondelinge van Amerikaansche afkomst zijn,
zonder erfelijke belasting en zonder familieleden, die nog eenig
recht kunnen laten gelden. Zou ik hem zulk een kind kunnen
verschaffen?
Bij wijze van referentie noemt hij "Bradstreets". Heb je ooit zoo
iets grappigs gehoord?
Wij begonnen ons onderzoek door aan een dominee in Germantown, de
stad, waarin J. F. Bretland woont, inlichtingen te vragen.
"Is hij bemiddeld?
Betaalt hij zijn rekeningen?
Is hij vriendelijk tegen dieren?
Bezoekt hij de kerk?
Leeft hij in goede verstandhouding met zijn vrouw?" en nog een dozijn
andere impertinente vragen.
Wij schenen een dominee met gevoel voor humor te hebben aangetroffen
want in plaats van hierop breedvoerig in te gaan, schreef hij met
groote letters dwars over het vel papier: "Ik wou dat zij mij wilden
aannemen!"
Dit klonk veelbelovend, daarom ging Betsy dadelijk naar Germantown,
zoodra de bruiloftsplechtigheid afgeloopen was, Betsy schijnt een
geboren detective te zijn. Nadat zij ergens een kort bezoek heeft
afgelegd, kan ze ons alleen door het zien van tafels en stoelen op
een heel familiedrama vergasten.
En ze keerde vol van enthousiaste bijzonderheden bij ons terug.
Mijnheer J. F. B. is een rijk en zeer invloedrijk burger, die door
zijn vrinden hartelijk bemind en door zijn vijanden diep gehaat wordt
(ontslagen bedienden, die niet nalaten van hem te vertellen dat hij
een hardvochtig man is). Hij bezoekt ook de kerk, niet geregeld, maar
zijn vrouw haalt de schade voor hem in en hij geeft er geregeld geld
voor.
Zij is een allerliefste zachte vrouw en zeer beschaafd. Nadat zij een
jaar zenuwziek in een sanatorium heeft doorgebracht, heeft de dokter
gezegd dat zij iets moest hebben wat haar aan het leven bond en hij
raadde haar ten zeerste aan om een kind te adopteeren. Zij heeft
daarnaar altijd verlangd. Eindelijk, zoo als altijd, heeft ook in dit
geval de lieve zachte echtgenoote getriomfeerd en de strenge man is
gedwongen om toe te geven.
Terwijl hij nu zijn voorkeur voor een jongen voorbijzag, schreef hij,
zooals ik je reeds vertelde, het gewone verzoek van een vrouw, een
meisje te willen aannemen.
Mevrouw Bretland heeft, met het steeds levendig verlangen een kind
aan te nemen, al jaren lang over niets dan over kinderen gelezen en
er bestaat geen kinderziekte of zij is er volkomen van op de hoogte.
Zij heeft een heerlijk zonnige kinderkamer en een kast vol poppen,
die zij vol liefde heeft uitgezocht. Zij toonde Betsy alles vol
trots. Je begrijpt hoe hard die arme vrouw een kindje noodig heeft!
Zij heeft ook juist gehoord van een uitstekende Engelsche nurse, die
ze zou kunnen krijgen, maar misschien zou het wel beter zijn om met
een Fransche kindermeid te beginnen, zoodat het oor van het kind
dadelijk aan die vreemde klanken zou kunnen wennen. En het
interesseerde haar ook erg toen zij hoorde, dat Betsy de Universiteit
had bezocht. Ze wist nog niet of ze haar baby later daarheen zou
sturen, ja of neen. Wat dacht Betsy ervan? Als het kind nu Betsy's
eigen dochter was, zou zij haar dan de Universiteit laten bezoeken?
En dit alles zou vermakelijk zijn als het niet tevens zoo aandoenlijk
was. Werkelijk, ik kan me niet los maken van het beeld van die arme
eenzame vrouw, die daar poppenkleertjes jaren achtereen naaide voor
het kleine onbekende meisje, waarvan ze zelfs nog niet eens zeker
wist of ze het zou mogen aannemen ja of neen. Ze verloor jaren
geleden haar eigen twee babies, of liever gezegd, ze heeft ze nooit
gehad, de kindertjes van dat arme moedertje hebben nooit geleefd.
Je ziet dus wat een prachtig thuis dat zou zijn. Een schat van liefde
wacht op het kleine meisje en dat is meer waard dan alle weelde, die
toch ook niet kwaad is als ze met liefde gaat gepaard.
Maar nu is het groote probleem een kind te kunnen vinden en dat is
niet gemakkelijk. De J. F. B.'s zijn zoo afgrijselijk veeleischend.
Ik heb juist het baby-jongetje dat voor hen zou passen, maar wat zou
er dan met al die poppen moeten gebeuren! Kleine Florence is ook niet
goed want haar moeder leeft nog steeds, en dan heb ik een verzameling
van buitenlanders met groote, bruine oogen, maar dat is heelemaal
niets, want Mevrouw Bretland is blond en heeft blauwe oogen en haar
dochter moet op haar lijken. Ik heb ook verschillende kleine
snoesjes, die niet het minst van erfelijke belasting te lijden
hebben, maar de Bretlands verlangen een afstammeling van een
geslacht, waarvan zes generaties minstens de kerk trouw hebben
bezocht terwijl aan het hoofd een groote persoonlijkheid moet
prijken. Ook heb ik een schat van een kindje met blonde krullen (en
krullend haar wordt hoe langer hoe zeldzamer), maar, lieve deugd, het
kind is onwettig en dat schijnt een onoverkomelijk bezwaar in het oog
van pleegouders, hoewel het aan het kind zelf niet de minste afbreuk
doet. Toch zal het niet gaan want de Bretlands eischen een
boterbriefje.
Van alle 107 blijft er maar één over, die er voor geschikt zou zijn
De vader en moeder van onze kleine Sophie werden bij een
spoorwegongeluk van het leven beroofd en alleen doordat hun kindje
juist in een hospitaal lag om voor een abces in de keel behandeld te
worden, bleef het kind gespaard. Ze is van een goede, Amerikaansche
familie en van vervelend-onberispelijk gedrag. Zij heeft ook veel van
een uitgewrongen vaatdoek -- een dreinerig, vervelend klein ding! De
dokter heeft haar met zijn geliefkoosde levertraan en spinazie
volgepropt, maar kon er ondanks dat alles toch niet in slagen, om er
een beetje aardigheid in te pompen.
Toch kunnen liefde en goede zorg soms wonderen bij gestichtskinderen
uitrichten en het kan zijn, dat zelfs zij zich nog eens tot een
zeldzame, schoone bloem ontplooit. Dus zond ik een ontroerend verslag
over haar familie-geschiedenis aan J. F. Bretland, vergezeld van het
aanbod om haar in Germantown uit te leveren.
Vanmorgen kreeg ik echter een telegram van J. F. B. Hij is niet van
plan een dochter ongezien te koopen, maar hij zal hierheen komen om
het kind persoonlijk den volgenden Woensdag om drie uur in
oogenschouw te nemen.
Lieve deugd, als hij haar nu eens niet kan uitstaan! Wij zetten nu
ons beste beentje voor om het kind schoonheid bij te brengen, evenals
ook een jonge hond geprepareerd wordt alvorens hij naar de
tentoonstelling verhuist. Zou je het heel erg vinden, als ik een
tikje rouge op haar wangen smeerde? Ze is nog te klein om die
gewoonte over te nemen.
Nu, je kunt je niet beklagen, dat ik je weinig schrijf, -- ik heb aan
een stuk door achter elkaar gepend. Je ziet nu wel waar mijn hart en
gedachten zijn. O Judy, ik ben toch zoo bezorgd voor de toekomst van
die kleine Sophie! Het lijkt wel of het mijn toekomst betreft of die
van mijn bloed-eigen kleine dochter!
Eerbiedige groeten aan onzen President,
Sallie McBride.
Beste Gordon,
Ik vind het heel leelijk en onaardig om me vier weken lang zonder een
enkel woord te laten, alleen maar omdat ik in een abnormale herrie en
drukte je drie weken lang niet schreef. Ik maakte me al ongerust over
de vraag of je nog tot de levenden behoorde en ook mijn kinderen
missen Oom Gordon op een vreeselijke wijze, want ze houden dol veel
van dien Oom. Denk er alsjeblieft aan, dat je ons beloofd hebt een
ezel te sturen en vergeet ook niet, dat ik het zwaarder heb te
verantwoorden dan jij. Het is heel wat harder werk om in het John
Grier Home te ploeteren dan in het Capitool en daarbij komt nog, dat
jij veel betere hulp hebt dan ik.
Dit is geen brief, alleen maar een verontwaardigd protest. Misschien
schrijf ik je morgen of op een andere keer.