13 Juli.

Liefste Judy,

Aanhoort de goede tijding!

Daar dit de 31ste dag van Punch's afwezigheid is, telefoneerde ik

zijn twee weldoensters op, om, zooals was afgesproken, over zijn

vertrek te confereeren. Maar ik stuitte op een verontwaardigde

weigering. Hun lief klein vulkaantje teruggeven, nu hij er juist aan

begon te wennen de menschheid niet regelmatig op vulkanische

uitbarstingen te vergasten! Ze konden er gewoonweg niet over uit, dat

ik zulk een ondankbaar voorstel doen kon. Punch heeft de uitnoodiging

al aangenomen om er den heelen zomer door te brengen.

Nog steeds zijn we hier aan het kleeren naaien. Je moest de machines

hooren snorren en eens luisteren naar het vroolijk gebabbel in de

naaikamer. Ons meest lusteloos, versuft vondelingetje wordt wakker en

stelt weer belang in het leven, als ze hoort, dat ze drie jurken zal

krijgen, die aan haar en niemand anders zullen toebehooren en elk van

een andere kleur zal zijn, die ze zelf mag uitzoeken. En je moest

eens zien hoe dat hen bij het naaien aanspoort; zelfs de kleintjes

van tien jaar zijn dapper aan het zoomen. Ik wilde wel dat ik net

zoo'n goed middel kon bedenken om de belangstelling voor het koken op

te wekken, maar onze keuken helpt ons absoluut niet om die opleiding

wat aangenaam te maken. Je weet niet welk een domper het is voor

iemands geestdrift als hij een H.L. aardappelen moet schillen.

Ik geloof dat ik je al verteld heb, dat ik mijn kinderen in tien

aardige kleine families zal verdeelen met een lief huismoedertje, dat

aan het hoofd van de tien staat. Als ik nu tien aardige

cottage-woninkjes had om hen daarin te stoppen, met bloemen voor het

huis en hondjes en katjes en konijntjes, zouden we een werkelijk

presentabel gesticht kunnen vormen en behoefden wij ons niet te

schamen als deze of gene ons kwam opzoeken.

Donderdag.

Ik begon dezen brief drie dagen geleden maar werd daarbij overvallen

door een zeer welwillenden breedsprakerigen philantroop (met dat

gevolg, dat ik vijftig kaartjes voor het circus kreeg) en ik had

sedert dien geen vrij oogenblik om weer verder te schrijven. Betsy is

drie dagen in Philadelphia geweest omdat ze voor het een of ander

nichtje bruidsmeisje moest zijn. Ik hoop dat haar overige familie

voorloopig niet aan trouwen denkt want zoo'n evenement is zeer

storend voor de rust en orde van het John Grier Home.

Tijdens haar afwezigheid bezocht zij een familie die naar een kind

had gevraagd. Natuurlijk hadden wij niet bepaald een kuikentje, dat

van onder Moeders vleugels uit moest vliegen, maar nu die familie ons

zoo toevallig tegen het lijf liep, wilden we toch van de gelegenheid

profiteeren. Gewoonlijk werken wij met de State Charities' Aid

Association, welke een menigte agenten heeft die het land bereizen en

zoo dus voortdurend in aanraking blijft met families, die kinderen

wenschen aan te nemen en met gestichten, die die kinderen op deze

wijze een goed tehuis willen verschaffen. Sedert deze instelling zich

bereid heeft verklaard ook voor ons te werken, kunnen we haast alle

kleine babies, die wij hebben, plaatsen. Ik wil er ook zooveel

mogelijk op heel jeugdigen leeftijd een eigen thuis bezorgen, want ik

geloof zeker dat een eigen thuis het beste is wat een kind zich

wenschen kan. Natuurlijk moeten wij eerst heel zeker zijn van het

milieu waarin het schaapje terecht komt. Ik verlang geen rijke

pleegouders, maar in elk geval vriendelijke liefhebbende en

verstandige ouders. Deze keer heeft Betsy naar het schijnt een juweel

van een familie aangetroffen. Het kind is nog niet geleverd, de

papieren zijn ook nog niet geteekend en dus verkeer ik nog steeds in

angst dat plotseling al onze mooie plannen in duigen zullen vallen.

Vraag eens aan Jervis, of hij wel eens gehoord heeft van J. F.

Bretland in Philadelphia. Hij schijnt zich veel in financieele

kringen te bewegen. Het eerste, wat ik van hem onder mijn oogen

kreeg, was een brief aan den "Directeur van het John Grier Home", een

kort zakenbriefje in machineschrift, van een afschuwelijk zakelijken

advocaat, meldend dat zijn vrouw besloten had een meisje van goede

gezondheid en met lief voorkomen tusschen twee en drie jaar aan te

nemen. Het kind moest een vondelinge van Amerikaansche afkomst zijn,

zonder erfelijke belasting en zonder familieleden, die nog eenig

recht kunnen laten gelden. Zou ik hem zulk een kind kunnen

verschaffen?

Bij wijze van referentie noemt hij "Bradstreets". Heb je ooit zoo

iets grappigs gehoord?

Wij begonnen ons onderzoek door aan een dominee in Germantown, de

stad, waarin J. F. Bretland woont, inlichtingen te vragen.

"Is hij bemiddeld?

Betaalt hij zijn rekeningen?

Is hij vriendelijk tegen dieren?

Bezoekt hij de kerk?

Leeft hij in goede verstandhouding met zijn vrouw?" en nog een dozijn

andere impertinente vragen.

Wij schenen een dominee met gevoel voor humor te hebben aangetroffen

want in plaats van hierop breedvoerig in te gaan, schreef hij met

groote letters dwars over het vel papier: "Ik wou dat zij mij wilden

aannemen!"

Dit klonk veelbelovend, daarom ging Betsy dadelijk naar Germantown,

zoodra de bruiloftsplechtigheid afgeloopen was, Betsy schijnt een

geboren detective te zijn. Nadat zij ergens een kort bezoek heeft

afgelegd, kan ze ons alleen door het zien van tafels en stoelen op

een heel familiedrama vergasten.

En ze keerde vol van enthousiaste bijzonderheden bij ons terug.

Mijnheer J. F. B. is een rijk en zeer invloedrijk burger, die door

zijn vrinden hartelijk bemind en door zijn vijanden diep gehaat wordt

(ontslagen bedienden, die niet nalaten van hem te vertellen dat hij

een hardvochtig man is). Hij bezoekt ook de kerk, niet geregeld, maar

zijn vrouw haalt de schade voor hem in en hij geeft er geregeld geld

voor.

Zij is een allerliefste zachte vrouw en zeer beschaafd. Nadat zij een

jaar zenuwziek in een sanatorium heeft doorgebracht, heeft de dokter

gezegd dat zij iets moest hebben wat haar aan het leven bond en hij

raadde haar ten zeerste aan om een kind te adopteeren. Zij heeft

daarnaar altijd verlangd. Eindelijk, zoo als altijd, heeft ook in dit

geval de lieve zachte echtgenoote getriomfeerd en de strenge man is

gedwongen om toe te geven.

Terwijl hij nu zijn voorkeur voor een jongen voorbijzag, schreef hij,

zooals ik je reeds vertelde, het gewone verzoek van een vrouw, een

meisje te willen aannemen.

Mevrouw Bretland heeft, met het steeds levendig verlangen een kind

aan te nemen, al jaren lang over niets dan over kinderen gelezen en

er bestaat geen kinderziekte of zij is er volkomen van op de hoogte.

Zij heeft een heerlijk zonnige kinderkamer en een kast vol poppen,

die zij vol liefde heeft uitgezocht. Zij toonde Betsy alles vol

trots. Je begrijpt hoe hard die arme vrouw een kindje noodig heeft!

Zij heeft ook juist gehoord van een uitstekende Engelsche nurse, die

ze zou kunnen krijgen, maar misschien zou het wel beter zijn om met

een Fransche kindermeid te beginnen, zoodat het oor van het kind

dadelijk aan die vreemde klanken zou kunnen wennen. En het

interesseerde haar ook erg toen zij hoorde, dat Betsy de Universiteit

had bezocht. Ze wist nog niet of ze haar baby later daarheen zou

sturen, ja of neen. Wat dacht Betsy ervan? Als het kind nu Betsy's

eigen dochter was, zou zij haar dan de Universiteit laten bezoeken?

En dit alles zou vermakelijk zijn als het niet tevens zoo aandoenlijk

was. Werkelijk, ik kan me niet los maken van het beeld van die arme

eenzame vrouw, die daar poppenkleertjes jaren achtereen naaide voor

het kleine onbekende meisje, waarvan ze zelfs nog niet eens zeker

wist of ze het zou mogen aannemen ja of neen. Ze verloor jaren

geleden haar eigen twee babies, of liever gezegd, ze heeft ze nooit

gehad, de kindertjes van dat arme moedertje hebben nooit geleefd.

Je ziet dus wat een prachtig thuis dat zou zijn. Een schat van liefde

wacht op het kleine meisje en dat is meer waard dan alle weelde, die

toch ook niet kwaad is als ze met liefde gaat gepaard.

Maar nu is het groote probleem een kind te kunnen vinden en dat is

niet gemakkelijk. De J. F. B.'s zijn zoo afgrijselijk veeleischend.

Ik heb juist het baby-jongetje dat voor hen zou passen, maar wat zou

er dan met al die poppen moeten gebeuren! Kleine Florence is ook niet

goed want haar moeder leeft nog steeds, en dan heb ik een verzameling

van buitenlanders met groote, bruine oogen, maar dat is heelemaal

niets, want Mevrouw Bretland is blond en heeft blauwe oogen en haar

dochter moet op haar lijken. Ik heb ook verschillende kleine

snoesjes, die niet het minst van erfelijke belasting te lijden

hebben, maar de Bretlands verlangen een afstammeling van een

geslacht, waarvan zes generaties minstens de kerk trouw hebben

bezocht terwijl aan het hoofd een groote persoonlijkheid moet

prijken. Ook heb ik een schat van een kindje met blonde krullen (en

krullend haar wordt hoe langer hoe zeldzamer), maar, lieve deugd, het

kind is onwettig en dat schijnt een onoverkomelijk bezwaar in het oog

van pleegouders, hoewel het aan het kind zelf niet de minste afbreuk

doet. Toch zal het niet gaan want de Bretlands eischen een

boterbriefje.

Van alle 107 blijft er maar één over, die er voor geschikt zou zijn

De vader en moeder van onze kleine Sophie werden bij een

spoorwegongeluk van het leven beroofd en alleen doordat hun kindje

juist in een hospitaal lag om voor een abces in de keel behandeld te

worden, bleef het kind gespaard. Ze is van een goede, Amerikaansche

familie en van vervelend-onberispelijk gedrag. Zij heeft ook veel van

een uitgewrongen vaatdoek -- een dreinerig, vervelend klein ding! De

dokter heeft haar met zijn geliefkoosde levertraan en spinazie

volgepropt, maar kon er ondanks dat alles toch niet in slagen, om er

een beetje aardigheid in te pompen.

Toch kunnen liefde en goede zorg soms wonderen bij gestichtskinderen

uitrichten en het kan zijn, dat zelfs zij zich nog eens tot een

zeldzame, schoone bloem ontplooit. Dus zond ik een ontroerend verslag

over haar familie-geschiedenis aan J. F. Bretland, vergezeld van het

aanbod om haar in Germantown uit te leveren.

Vanmorgen kreeg ik echter een telegram van J. F. B. Hij is niet van

plan een dochter ongezien te koopen, maar hij zal hierheen komen om

het kind persoonlijk den volgenden Woensdag om drie uur in

oogenschouw te nemen.

Lieve deugd, als hij haar nu eens niet kan uitstaan! Wij zetten nu

ons beste beentje voor om het kind schoonheid bij te brengen, evenals

ook een jonge hond geprepareerd wordt alvorens hij naar de

tentoonstelling verhuist. Zou je het heel erg vinden, als ik een

tikje rouge op haar wangen smeerde? Ze is nog te klein om die

gewoonte over te nemen.

Nu, je kunt je niet beklagen, dat ik je weinig schrijf, -- ik heb aan

een stuk door achter elkaar gepend. Je ziet nu wel waar mijn hart en

gedachten zijn. O Judy, ik ben toch zoo bezorgd voor de toekomst van

die kleine Sophie! Het lijkt wel of het mijn toekomst betreft of die

van mijn bloed-eigen kleine dochter!

Eerbiedige groeten aan onzen President,

Sallie McBride.

Beste Gordon,

Ik vind het heel leelijk en onaardig om me vier weken lang zonder een

enkel woord te laten, alleen maar omdat ik in een abnormale herrie en

drukte je drie weken lang niet schreef. Ik maakte me al ongerust over

de vraag of je nog tot de levenden behoorde en ook mijn kinderen

missen Oom Gordon op een vreeselijke wijze, want ze houden dol veel

van dien Oom. Denk er alsjeblieft aan, dat je ons beloofd hebt een

ezel te sturen en vergeet ook niet, dat ik het zwaarder heb te

verantwoorden dan jij. Het is heel wat harder werk om in het John

Grier Home te ploeteren dan in het Capitool en daarbij komt nog, dat

jij veel betere hulp hebt dan ik.

Dit is geen brief, alleen maar een verontwaardigd protest. Misschien

schrijf ik je morgen of op een andere keer.

Het "John Grier Home" · 第 27 / 48 题