Mijn lieve Judy,
Dat was een erg kort bezoek dat je ons bracht! Toch zijn we dankbaar
voor elke kleine gunst die ons ten deel valt. Ik was dol in mijn
schik, dat jij zoo blij was met den gang van zaken en ik kan Jervis
en de architecten haast niet afwachten, om nu eindelijk met de
grootste verandering een aanvang te maken.
Je weet niet, ik had toch zoo'n vreemd gevoel al dien tijd, dat je
hier was. Ik kan haast niet gelooven dat jij, mijn eenige lieve,
buitengewone Judy, vroeger hier in dit gesticht bent grootgebracht en
het bittere gemis van die kleine schapen dus zoo door en door
meevoelt. Soms vervult de tragedie van je jeugd mij met een wilde
drift en in zulk een bui zou ik mijn mouwen willen opstroopen en de
heele wereld te lijf willen gaan, om de lui te dwingen een betere
plaats voor al die kleine ongelukkige kinderen in te ruimen. Die
Schotsch-Iersche stamboom van mij schijnt me een goede dosis
vechtlust in mijn bloed gegoten te hebben.
Als je me aan het hoofd had gesteld van een modelinrichting met
aardige, heldere woninkjes en waar de heele regeling prachtig liep,
dan zou die eentonigheid van dat modelwerk mij heel gauw de keel
hebben uitgehangen. Juist het weten dat zooveel dingen om verbetering
schreeuwen, geeft mij het gevoel dat ik hier moet blijven. Soms word
ik 's morgens wakker en luister naar al die gestichtsgeluiden en
snuif de gestichtslucht op en verlang dan dol naar het gelukkige
zorgelooze leventje, dat mij door mijn geboorte is toegewezen.
Jij, mijn kleine lieve heks, hebt me betooverd en mij hierheen
gebracht, maar dikwijls breekt die ban in den nacht en ik verlang
naar den komenden ochtend, met het vaste besluit, dan er van door te
gaan. Maar dat vertrek stel ik altijd tot na het ontbijt uit en als
ik dan door de gang loop, komt een van die kleine wezentjes op me toe
en laat schuchter zijn warm knuistje in mijn hand glijden en kijkt
naar me op met zijn groote kinderoogen, schuchter vragend naar een
kleine liefkoozing, en ik pak hem en knuffel hem fijn in mijn armen
en als ik dan over mijn schouder naar al die andere kleintjes kijk,
verlang ik er naar om al die 113 kinderen in mijn armen te kunnen
nemen en tegen me aan te drukken, tot hun gezichtjes vroolijk staan,
zooals kindergezichtjes moeten zijn. Er gaat iets hypnotiseerends van
het werk met kinderen uit, stribbel zooveel tegen als je maar wilt,
je legt het er tòch bij af.
Het schijnt dat je bezoek mij in een zeer philosophische stemming
heeft gebracht, maar ik heb werkelijk een of twee nieuwtjes, die ik
je vertellen moet. De nieuwe jurken schieten al mooi op en o, ze zijn
zoo aardig! Mrs. Livermore was dolblij met die balen gekleurd katoen,
die je ons zond. Je moest onze werkkamer zien, waar alles in 't rond
ligt. En als ik bedenk, hoe heerlijk onze zestig meisjes in het geel
en blauw en roze en groen eruit zullen zien, als ze op ons grasveld
spelen, dan denk ik er hard over een paar verrekijkers voor onze
bezoekers aan te schaffen.
Natuurlijk begrijp je ook wel, dat sommige van onze jurken gauw
zullen verkleuren en dus onbruikbaar zullen worden, maar Mrs.
Livermore heeft hierover dezelfde slechte principes als wij beiden --
ze geeft er geen steek om! Ze zal voor elk kind een tweede en derde
pak maken als het noodig is. In elk geval: WEG MET HET BLAUW GERUIT
KATOEN!
Ik ben blij dat je onzen dokter graag mag lijden. Natuurlijk behouden
we ons het recht voor, om over hem te zeggen, dat we maar willen,
maar toch zouden we ons pijnlijk beleedigd voelen als iemand zich in
spottende bewoordingen over hem zou uitlaten.
Wij twee houden nog steeds contrôle over elkaars boeken. De vorige
week kwam hij met Spencer's "Systeem van Synthetische Philosophie"
aanzetten om het door te bladeren en in ruil hiervoor gaf ik hem het
"Dagboek van Marie Bashkirtseff". Weet je nog wel, hoe wij op College
onze gesprekken met aanhalingen uit Marie's dagboek wisten te
doorspekken? Welnu, Sandy nam het boek mee en las het pijnlijk
nauwkeurig door.
"Ja", vertelt hij een paar dagen daarna, "het is een getrouwe
beschrijving van een koud, egoïstisch slag menschen, dat nu eenmaal
op onze aarde rondzwerft.
[Illustratie]
Maar ik begrijp niet, waarom U het mij hebt aangeraden. Lieve hemel,
Sallie Lunn, u en Bash hebben nu letterlijk niets gemeen".
Dat is de liefste opmerking, die hij ooit tegenover mij heeft geuit
en ik gevoel mij zeer gevleid. Wat die arme Marie betreft, die noemt
hij maar "Bash", omdat hij haar naam toch niet kan uitspreken en haar
te verachtelijk vindt om het zelfs maar te probeeren.
Wij hebben hier een kind, het dochtertje van een figurante, een
vreeselijk zelfzuchtig, aanstellerig, koud en leugenachtig
schepseltje. Maar oogwimpers dat ze heeft, verrukkelijk! Sandy heeft
nu eenmaal het land aan dat kind en sinds hij het dagboek van de arme
Marie heeft gelezen, heeft hij een nieuwe uitdrukking gevonden om al
zijn afschuw tegenover dat kind uit te drukken. Hij noemt haar
"bash-achtig" en daarmee is alles gezegd.
Dag Judy! Kom gauw terug. Sallie.
P.S. Mijn kinderen leggen een wanhopende geneigdheid aan den dag, om
hun heele vermogen aan kandijklontjes uit te geven.
Dinsdagnacht.
Mijn lieve Judy,
Wat denk je wel dat Sandy nu heeft uitgevoerd? Hij maakt een
pleizierreisje naar het zenuwgesticht, waarvan de
directeur-geneesheer ons een paar maanden geleden heeft bezocht. Heb
je ooit zoo'n man gezien? Hij is gewoonweg dol op krankzinnigen en op
idioten en kán die menschen niet met rust laten.
Toen ik hem bij zijn vertrek om eenige raadgevingen vroeg, antwoordde
hij:
"Voed de kinderen goed als ze honger hebben en laat ze zonder eten
als ze een maagkoliek krijgen en vertrouw nooit op een dokter".
Met dezen wenk en een paar flesschen levertraan zijn wij aan ons zelf
overgelaten. Het is nu een heel geschikte tijd om even aan te loopen,
want je weet niet hoe vroolijk ik ben, nu ik niet meer onder Sandy's
beangstigenden invloed sta.
John Grier Home.
Vrijdag.
Waarde vijand,
Hier sta ik aan den mast gebonden, terwijl U er van door gaat en Uw
heil bij krankzinnigen zoekt. En ik dacht nog wel, dat ik U zoo
netjes had genezen van Uw naargeestige belangstelling in zenuwzieken.
Het is vreeselijk ontmoedigend. U leek mij in den laatsten tijd nog
wel zoo gewoon.
Mag ik U vragen hoe lang U daar denkt te blijven? U hadt verlof voor
twee dagen en nu bent U er al vier weggebleven. Gistermiddag is
Charlie Martin uit een kerseboom gevallen, waarbij hij een wond aan
zijn hoofd heeft opgedaan. Dus was hij gedwongen om de hulp van een
vreemden dokter voor lief te nemen. Vijf steken. Patiënt tamelijk
goed. Maar wij houden er hier niet van om op vreemdelingen te zijn
aangewezen. Ik zou niet durven kikken als U werkelijk voor een
begrijpelijke zaak er van door was, maar U weet ook heel goed, dat U,
na een week met Uwe droefgeestigheid te hebben gestreden, in een
allerverdrietigste bui terug zult keeren, er vast van overtuigd, dat
het menschdom geen knip voor den neus waard is. En mij zal de zware
taak te beurt vallen om U weer tot een gemoedelijke bui op te werken.
Kom, Iaat die krankzinnigen aan hun lot over en keer naar het John
Grier Home terug! Wij hebben U noodig!