Daar mijn speurneus wel begreep, dat de aristocratische buren, die
wij er hier op na houden, zeer goed voor het gesticht te gebruiken
zijn, bewoog ik mij den laatsten tijd veel in de goede kringen van de
streek en had ik gisteren het geluk bij de lunch een allerliefste
mooie weduwe aan te treffen, die prachtige kleeren droeg, welke zij
zelf had ontworpen. Zij vertrouwde mij toe dat zij dolgraag
costumière had willen worden en het betreurde, dat zij met een
gouden lepel inplaats van met een naald in haar mond geboren was.
Verder zeide ze nog dat ze steeds, wanneer ze een slecht gekleed jong
meisje zag, den prikkel in zich voelde opkomen om het kind in geheel
nieuwe kleeren te steken. Heb je ooit zoo iets heerlijks gehoord! Van
het oogenblik af, dat ze haar mond opende, was ze gebrandmerkt.
"Ik kan U 59 zeer slecht gekleede meisjes toonen", zei ik tegen haar.
"En U moet met me meegaan en nieuwe kleeren voor die kinderen
ontwerpen en ze allemaal er mooi laten uitzien".
Ze kwam daartegen in opstand, maar te vergeefs! Ik geleidde haar naar
haar auto, stopte haar erin en mompelde "John Grier Home" tegen haar
chauffeur. Ons eerste kind waarop ons oog viel, was Sadie Kate, die,
naar het scheen, juist de strooppot had uitgelikt. Voor elk
aesthetisch aangelegd persoon moet ze een vreeselijken aanblik
geboden hebben. Buiten haar kleverigheid had ze, o schande, een
afhangende kous, haar schort was scheef dichtgeknoopt en ze had haar
haarlint verloren. Maar, als steeds volkomen op haar gemak,
verwelkomde zij ons met lieflijken glimlach en bood de dame een
kleverig pootje aan.
"Wel Mevrouw", zei ik triomfeerend, "nu ziet U toch hoe erg wij om Uw
hulp verlegen zijn! Wat kunt U voor Sadie Kate doen?"
"Wasch haar", was Mrs. Livermore's antwoord. Sadie Kate marcheerde af
naar de badkamer. Toen de boenpartij afgeloopen en haar haar netjes
gekamd was en haar kousen op de aangegeven hoogte waren opgetrokken,
liet ik haar voor een tweede inspectie voorkomen en nu was zij een
absoluut normaal vondelingetje.
[Illustratie]
Mrs. Livermore draaide haar als een tolletje rond en bestudeerde haar
lang en zorgvuldig.
Sadie Kate is een ware schoonheid, een wild, donker Zigeunertype. Het
lijkt er veel op alsof ze zoo uit een kamp is weggeloopen, maar met
onze afschuwelijke uniform hebben we heel wat van haar schoonheid
weggemoffeld.
Nadat Mrs. Livermore vijf minuten zich in diepzinnig zwijgen had
gehuld, vestigde ze haar blik op mij:
"U hebt gelijk.... U hebt mij inderdaad noodig".
En toen vormden wij ons plan. Mrs. Livermore zal aan het hoofd staan
van het Kleedings-comité. Ze zal drie vriendinnen uitzoeken die haar
zullen helpen, en samen zullen zij met bijstand van twee dozijn van
de beste naaisters onder onze meisjes en van onze
handwerkonderwijzeres en onze vijf naaimachines, het gesticht in een
ander pakje steken. En daarbij doen wij een zeer nuttig en goed werk,
want op deze wijze zal Mrs. Livermore de taak vervullen, waarvan ze
altijd heeft gedroomd. Vind je mij niet handig om haar zoo uit te
vinden?
Ik heb nog veel meer nieuws en zou nog een heelen brief kunnen
vullen, maar Mr. Witherspoon heeft vriendelijk aangeboden om dezen
brief te posten en hij staat al, met een zeer hoogen boord aan en in
pikzwarte avondkleeren gestoken, gereed om naar een feestje van zijn
club te vertrekken. Ik heb hem gezegd, dat hij de allerliefste
meisjes met wie hij danst mee moet nemen, om aan onze kinderen
verhaaltjes te vertellen.
Ja, het gesticht verandert mij in een vreeselijk schepsel! Als ik
iemand zie, denk ik er al over, welk nut ik er uit kan trekken!
Er is groot gevaar, dat de tegenwoordige directrice zóóveel belang
in haar werk gaat stellen, dat zij het nooit meer in den steek wil
laten. Soms zie ik mezelf als een sneeuwwit oudje, in een rolstoel
gezeten, door het gesticht rondrijden, nog steeds het toezicht
houdend over de vierde generatie van de gestichtskinderen.
Toe Judy, verlos me voordat die vreeselijke tijd zal aanbreken.
Je Sallie.
Vrijdag.
Liefste Judy,
Gistermorgen verscheen, zonder dat wij in het minst van te voren
gewaarschuwd waren, een stationsrijtuig voor ons hek, ontlaadde twee
mannen, twee kleine jongens, een klein meisje, een hobbelpaard en een
teddybeer en reed weer weg.
De twee mannen waren artisten en de kleintjes waren de kinderen van
een kunstbroeder, die drie weken geleden gestorven was. Ze hadden die
schapen bij ons gebracht, omdat ze vonden, dat John Grier Home heel
solide en respectabel klonk en niets heeft, naar den naam te
oordeelen, van een liefdadigheidsinstelling. Nooit was in hun
artistenbrein de gedachte gerezen, dat er eenige formaliteiten noodig
zijn om een kind in een gesticht te plaatsen.
Ik legde hun uit, dat het heele huis stampvol was, maar ze schenen
zoo verward en verdrietig, dat ik hen uitnoodigde even te gaan
zitten, terwijl ik trachten zou hun een goeden raad te geven. Dus
werden de kinderen zoolang naar de speelkamer gestuurd, terwijl ik
naar hun verhaal luisterde. Deze artisten hadden een fatale
welsprekendheid. Wellicht ook heeft het kleine meisje, met een
zeldzaam mooi kinderlachje, het gedaan -- in elk geval het eind van
het lied was, dat de kinderen bij ons bleven.
Ik heb nog nooit zoo'n zonnig schepseltje gezien als de kleine
Allegra. (Wij krijgen hier niet vaak zulke elfenwezentjes te zien en
zulke elfennamen te hooren). Ze is drie jaar en spreekt een
alleraardigst kindertaaltje, waarbij zij het telkens uitschatert van
de pret. De tragedie, die ze zoo pas heeft meegemaakt, heeft haar
niet in het minst aangegrepen. Maar Don en Clifford, ernstige, flinke
jongens van vijf en zeven, hebben al een vroeg-wijze uitdrukking op
hun gezichtjes en zijn gehard in het wreede leven.
Hun moeder was kinderjuffrouw en trouwde met een schilder met een
kapitaal aan geestdrift en een paar tubes verf. Zijn vrienden zeggen
dat hij talent had, maar natuurlijk kon hij daarmee den melkboer niet
betalen. Ze leefden op artistenmanier in een ouderwetsch atelier,
kookten achter ezels, terwijl de babies op een paar planken sliepen.
Maar toch schijnt dat leven mooi geweest te zijn, want ze hadden een
schat van liefde en heel veel vrienden, allen min of meer arm, maar
artistiek en broederlijk en vol hooge idealen. En de kinderen met hun
lieve fijne maniertjes, zijn nog het bewijs van de omgeving waarin ze
zijn opgegroeid. Ze hebben iets over zich dat vele van mijn kinderen,
ondanks alle goede manieren die ik hun aanleer, zich nooit eigen
zullen maken.
De moeder stierf een paar dagen na Allegra's geboorte in het
ziekenhuis en de vader worstelde nog twee jaar door, zwoegend voor
het dagelijksch brood en er maar op los schilderend wat hij opkreeg,
advertenties, reclames, alles, wat er maar was, om voor zijn kinderen
dak en eten te hebben.
Drie weken geleden stierf hij in het St. Vincent gesticht, overwerkt,
ondervoed, doodop. Longontsteking. Zijn vrienden namen de babies tot
zich, verkochten de schilderstukken die nog niet beleend waren,
betaalden de schulden en keken naar het beste gesticht uit, dat ze
konden krijgen. En, hoe toevallig, hun oog viel op het onze!
Welnu, ik hield die twee artisten hier gedurende de lunch. Aardige
menschen waren het met slappe hoeden, en zwarte, los gestrikte
dassen, aan wien je het moeilijke leven toch kon aanzien. En toen
stuurde ik ze naar New-York terug met de belofte, dat ik voor de drie
kleintjes met veel liefde en toewijding zou zorgen.
Zoo zijn ze dus hier aangeland! Een in de baby-afdeeling en twee bij
de grootere kleintjes. Vier groote kisten vol schilderijen in den
kelder, een koffer met de brieven van hun vader en moeder op zolder
en een zeker onbeschrijfelijk iets, gekenmerkt door de uitdrukking in
hun gezicht, hun woordenkeuze en gedachtengang, dat is hun erfenis.
Ik moet telkens en telkens weer aan hen denken. Den geheelen langen
nacht heb ik al over hun toekomst nagedacht. Niet wat de jongens
betreft: die gaan later naar de Universiteit met de hulp van Mr.
Pendleton en zullen beroemde burgers worden -- maar ik weet niet wat
er uit Allegra moet groeien. Heusch, ik zou niet weten wat ik voor
dit kind zou wenschen. Natuurlijk is de normale wensch voor elk lief
meisje, dat twee vriendelijke pleegouders de plaats van de werkelijke
ouders, waarvan het noodlot haar heeft beroofd, zullen innemen. Maar
in dit geval zou het wreed zijn dat kindje van haar broertjes te
scheiden. Hun liefde voor de baby is ontroerend. Zie je, ze hebben
haar groot gebracht en de eenige keer, dat ik hen hoorde lachen, was,
toen zij iets leuks zeide. Die arme jongens missen hun vader
vreeselijk. Gisteren vond ik Don, de kleine van vijf,
hartstochtelijke snikkend in zijn bedje liggen "omdat hij vader geen
goedennacht kon zeggen".
Maar Allegra doet haar naam eer aan en is werkelijk de vroolijkste
jonge dame, die ik ooit heb gezien. Dat ondankbare kindje heeft nu al
haar ongelukkigen vader vergeten, die zoo goed voor haar heeft
gezorgd.
Wat kan ik met deze drie kleintjes doen? Ik peins en peins en peins
maar ik kan de oplossing van het vraagstuk niet vinden en het schijnt
mij zoo vreeselijk om die schaapjes hier groot te brengen. Want, hoe
goed het er ook bij ons zal uitzien, als wij den heelen boel
verbeterd hebben, toch is en blijft het een gesticht en onze kinderen
blijven toch het product van een kunstmatig broedsel. Ze krijgen niet
die zorgvuldige individueele warmte, die van een oude moederhen
uitgaat.
Het kan zijn, dat ik je nog veel interessante nieuwtjes had te
vertellen, maar mijn nieuw drietal heeft alle andere gedachten uit
mijn hersens verdreven.
Kinderen geven een zekere vreugde maar ook niet weinig zorg.
Als altijd,
Je Sallie.
P.S. Vergeet niet, dat je me de volgende week wilde bezoeken.
P.S. 2. De dokter, die gewoonlijk zoo droog-wetenschappelijk is en
ongevoelig is op de kleine Allegra dol verliefd. Hij keek niet alleen
of ze geen gezwollen amandelen had, neen, hij nam haar in zijn armen,
tilde haar hoog op en knuffelde haar. O, het is zoo'n heerlijk
diertje! Wat zal er uit die kleine groeien?