We hebben hier al dikwijls over dat oude Geldersche kasteel aan den
Rijn »De Doorwerth« gesproken en het betreurd, dat het, vooral tijdens
het beheer van den vorigen eigenaar, hoe langer hoe meer verviel. De
commissie, die voor een restaureering van het gebouw ijvert, heeft
reeds vrijwat ingezameld van de groote sommen, die zij behoeft. Mocht
zij spoedig volkomen slagen!
Het zij ons vergund, hier een gedeelte over te nemen van het
artikel, dat Mr. S. Muller Fzn. in het weekblad »Buiten« heeft doen
verschijnen. Ook de heer F. A. Hoefer heeft in dat blad nog eens een
woordje van opwekking tot steun geschreven.
De heer Muller schrijft o.a.:
»Kent gij Gustave Doré's afbeelding van het paleis der Schoone
Slaapster? Een oud kasteel, verloren in eeuwenheugend groen, dat de
oude muren en transen heeft overwoekerd met eene weelderige lijkwade,
stil en verloren, terwijl daarbinnen alles slaapt den slaap der
eeuwen. Een tafereel, dat het oog verrukt en de verbeelding machtig
aangrijpt.
Zóó is de Doorwerth, heerlijk in zijn jammerlijk verval. In een woud
van donkere oude boomen, waarop de zon soms liefelijke glansen toovert,
ligt in zijne breede grachten de oude burcht; met stomme smart heft
hij zijne hooge vervallen daken en zijne spitse torens naar den blauwen
hemel. Stil is het op het voorplein; de muren zijn gebarsten en dreigen
te storten in het spiegelende water; gebroken zijn de vensters, ledig
en verlaten de holle zalen. Het oude kasteel ligt aan den voet van
de ruige Veluwsche hoogten; de wandelaar, die het Rijnbootje heeft
verlaten en de breede weiden doorwandelt, waar het vee rustig ligt
te herkauwen in de zon, staat verrast, wanneer hij aan het einde van
zijn tocht, den ouden burcht, sterk en waardig, ziet verrijzen uit
den krans van welig geboomte tegen den achtergrond der zacht rijzende
groene heuvels. Het tooverachtig schoone plekje, dat hem wonderbaar
boeit, voert zijne gedachten verre terug naar oude tijden.
Thans rijst het wonderfraaie slot, als eene kostbare reliek, op in
eene moderne omgeving, in het Rijn-landschap, dat het terrein is der
pleizierreizigers. Maar eenmaal was dit anders. Langen tijd was de
Doorwerth het middelpunt van een uitgestrekt gebied. Op den burcht
troonde de heer, die heerschappij voerde over de uitgestrekte wouden
en landerijen der omgeving. Al in de 13de eeuw wordt het kasteel,
toen aan den Rijn liggend, vermeld. Maar dat oude primitieve kasteel
is geheel verdwenen; het gebouwencomplex, dat ons thans zoo aantrekt,
is wel oud, maar het dagteekent toch eerst uit veel latere eeuwen. Het
hoekgebouw aan de landzijde, met zijne drie aardige hoektorentjes om
het hooge dak, is het oudste gedeelte: het heeft de geheele 15de eeuw
nog zien voorbijgaan. De twee groote gebouwen, die den hoek naar de
rivier toe vullen met hunne wat barokke trapgeveltjes, zijn in het
laatst der 16de eeuw aan deze oude kern toegevoegd, zeker wel ter
vervanging van veel oudere hallen. En de hooge toren met zijne elegante
spits naast de voorpoort, waarin zich de slotkapel verbergt, is eerst
in het begin der 17de eeuw opgetrokken midden in de slotgracht. Een
geheel dus, dagteekenend uit zéér verschillende perioden. De 17de eeuw
heeft ook de beide poortgebouwen van het slotplein en den voorburcht
zien verrijzen, met de weidsche stallingen en koetshuizen, die den
voorhof omgeven, opvolgers van de »bouwinghe«, de boerderij voor het
kasteel, die in 1280 vermeld wordt. Daarbuiten, nog verderaf, liggen
buitenhof en moestuin, in den met hooge boomen beplanten singel,
die het Rijnwater keeren moet.