EEN NEDERLANDSCH VOLKSVERTEGENWOORDIGER AAN DEN DOOD ONTSNAPT.

De heer Colijn, voor Sneek ter Tweede Kamer afgevaardigd, is nog

altijd in Indië, maar denkt in 't begin van November te repatriëeren,

na een diensttijd van zeventien jaren onafgebroken in Indië te hebben

doorgebracht. Hoeveel succes hij daar had in den krijg, hoe hem

belangrijke regeeringsopdrachten werden gegeven, die hij steeds met

goed gevolg ten uitvoer bracht, hoe tactvol hij onder de inboorlingen

werkte, is algemeen bekend.

Zijn benoeming tot adviseur voor de Buitenbezittingen verruimde zijn

werkkring. Een ervaring, die hij opdeed op een dienstreis naar de

Kleine Soenda-eilanden, wordt in de Java-Bode als volgt weergegeven. De

gouvernementsstoomboot »De Snip«, die den heer Colijn aan boord had,

vertrok den 26sten Augustus j.l. van Waingapoe aan de noordkust van

Soemba naar Laboean-hadji, aan de Oostkust van het eiland Lombok, om

van die plaats een dienstreis te beginnen over het gewest Bali-Lombok.

De reis begon voorspoedig, maar tegen middernacht, toen de Snip

ter hoogte van Midden-Soembawa was, vielen er stortregens, gepaard

met hevige winden, die voortdurend in kracht toenamen; de regens

belemmerden het gezicht aan alle kanten. Omdat de genomen koers aangaf,

dat het schip in volle zee was, bleef men doorstoomen, toen plotseling

's nachts bij vieren het schip op een rif werd gezet en daarop muurvast

bleef liggen.

Toen het schip op het rif vastzat, stortte zich de deining uit

het zuiden met volle kracht op het schip en deed het 90° draaien,

zoodat dus de steven naar den wal gekeerd was. De hevige stortzeeën,

die met iedere minuut in kracht toenamen, beukten onafgebroken op het

achterste deel van het schip, zoodat 't van het rif werd opgelicht

en den wal werd opgejaagd; de noordelijke rand van het rif was naar

berekening 300 meter van den wal verwijderd.

Het schip kwam toen in de hevige branding vlak bij den wal te liggen

op een scheepslengte afstands van een rotswand, 30 meter hoog, steil

uit het water oprijzend. Toen de dag begon aan te breken, kon men de

vernieling overzien, door den storm aan het schip toegebracht. Alle

sloepen waren in dien vreeselijken nacht tot splinters geslagen;

een eenigszins zeewaardige vlet, die overbleef, zou niet bestand

zijn om tegen de krachtige branding op te werken; inmiddels bleef

het voortdurend stortregenen.

Door den derden stuurman Pieterse werd een moedige doch vruchtelooze

poging gedaan, om met den wal verbinding te krijgen, door, met

een aan het schip verbonden lijn om het middel, al zwemmende den

wal te bereiken; telkens werd hij door de hoog oploopende zeeën

teruggeslagen. Tegen half zes in den vroegen morgen werd hetzelfde

beproefd door den savoeneeschen matroos Riwoe Ngoeroe, die gelukkig

den vasten wal wist te bereiken. In allerijl werd aan de lijn een

sterke kabel verbonden en door Riwoe Ngoeroe kustwaarts getrokken en

het eind stevig aan een vooruitstekende rotspunt bevestigd. Met handen

en voeten hangende aan den kabel, boven de woest rollende golven, ging

de geheele bemanning, groot 42 personen, aan wal. Ook de heer Colijn

kroop, op die wijze hangende, naar de kust; wijselijk had hij den

voorzorgsmaatregel genomen een lijn om zijn lijf te binden en verder

met een lus aan den kabel, want midden onder de hang-manoeuvre, werd

hij door een meters hooge aanrollende golf van den kabel weggeblazen,

maar bleef gelukkig aan de lijn hangen, waarna hij zich weer naar boven

heesch, en korten tijd daarna den vasten wal betrad; de wd. gezaghebber

was de laatste, die het ontredderde schip verliet. Niemand nam iets

mee dan het nachtgewaad, dat men aanhad, toen de eerste schok bij het

vallen van het schip op het rif zich gevoelen deed. Boven de rotsen

werd de kust geheel onbewoond bevonden; het was, voor zoover het oog

reikte, bergachtig terrein, dicht bezet met bosch.

Het eerste werk was toen verbinding met de bevolking te zoeken, iets

meer landwaarts in. De heer Colijn met een 6-tal inlandsche matrozen

trok landwaarts, terwijl de rest met den wd. gezaghebber langzaam

volgde. Twaalf uur 's middags werd de kampong Garantah ontdekt, waarvan

de bevolking bleek vriendschappelijk gezind te zijn. Dit laatste

is opmerkelijk, in aanmerking genomen dat, nog geen jaar geleden,

in West-Soembawa, waar Garantah ligt, onze troepen herhaaldelijk in

gevecht geraakten met de half woeste bevolking.

Op dien dag werd rust gehouden na de doorgestane ontberingen.

Den volgenden dag, 28 Augustus, werden door den wd. gezaghebber

(eersten stuurman) den maatregelen genomen om den 29sten Augustus

naar het gestrande schip terug te keeren, om te zien of, met behulp

van de inlandsche bevolking, iets gedaan kon worden om het schip

nog te redden. De heer Colijn vertrok den 28sten Augustus met een

gedeelte van de bevolking, om het omliggende terrein op te nemen,

en zoo mogelijk met de buitenwereld buiten Garantah, verbinding te

krijgen. Zonder ophouden bleef het regenen, allen waren ongewapend;

niemand had iets anders aan dan de nachtkleeren die door het gaan

door bamboebosschen en langs doornstruiken, spoedig in gehavenden

toestand verkeerden. Het troepje kon niet verder, omdat het aan alle

kanten ingesloten werd door sterk bandjirrende rivieren.

Den 29sten Augustus werden de pogingen hernieuwd, maar men was niet

gelukkiger, zoodat besloten werd naar Garantah terug te keeren, waar

men 's middags aankwam, maar de overigen niet meer terugvond, die,

zooals boven gezegd, naar het strand waren getrokken.

Den 30sten Augustus werd door den heer Colijn met een 4-tal inlandsche

matrozen de poging herhaald. Langs een anderen weg maar altijd

nog onder stortbuien, langs bergruggen van pl.m. 5000 voet hoogte

en altijd door op bloote voeten, want men had letterlijk alles op

het schip moeten achterlaten, werd in den namiddag van den 2den

September de kampong Taliwang bereikt, waar de civiele gezaghebber

van Midden-Soembawa met een detachement militairen is gevestigd.

Te Taliwang werd juist de Van Oudshoorn verwacht, die op denzelfden dag

ook aankwam, maar met geene mogelijkheid assistentie kon verleenen,

vooreerst door het stormweer, maar ook omdat de boot een deklading

had van 500 stuks vee; buitendien zou hulp toch niet meer gebaat

hebben omdat de Snip in den nacht van den 1sten op den 2den September

gedurende springtij tegen de hooge rotsen van de kust zoo goed als

geheel vernietigd werd. De Oudshoorn vertrok naar Laboean-hadji

om telegrammen van den heer Colijn te bezorgen en assistentie te

verzoeken.

Intusschen is de wd. gezaghebber den 29sten Augustus met zijn

bemanning van Garantah naar de kust getrokken, waar hij den volgenden

dag verbinding kreeg met het gestrande schip. Daar vond hij alles

weggespoeld; niets was meer op zijn plaats; alle mondvoorraad door

zeewater bedorven of verloren. Gelukkig werden de postzakken, in een

stevig dekhuis bewaard, nog intact bevonden en aan wal gebracht.

Dienststukken en het reisarchief van den regeeringsadviseur Colijn

werden over het geheele schip verspoeld gevonden; later bleek, bij

het nazien, dat geen stuk was zoek geraakt. Gelukkig ook, want dan

waren de resultaten van eenige maanden arbeids verloren gegaan.

Toen de poststukken en de paperassen aan wal waren gebracht, kon

men nadien met het schip geen verbinding meer onderhouden; zooals

hierboven gezegd, werd het fraaie vaartuig bij springtij tegen de

rotsen stuk gerammeid.

Inmiddels werden de regens minder; op verzoek van den heer Colijn

werd den 3den September een detachement militairen van het garnizoen

te Taliwang met proviand en lijfgoederen, naar de achtergebleven

schipbreukelingen te Garantah gezonden, waar het den 6den September

in den middag aankwam.

Het flottieljevaartuig Koetei werd naar Taliwang gezonden om den heer

Colijn af te halen en deze werd den 7den September naar Laboean-hadji

gebracht, waar hij na ruim een uur stoomens aankwam. Direct daarop

werd de Koetei teruggezonden om de andere schipbreukelingen naar

veiliger oord over te brengen.

Den 9den September vertrok de regeeringsadviseur Colijn met het

st. Duymaer van Twist van Laboean-hadji over Boeleléng, hoofdplaats

van het gewest Bali, naar Soerabaja, waar ZHEGestr. in den vroegen

ochtend van den 11den aankwam.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 321 / 353 题