Sir Harry Johnston, de reislustige Engelschman, ontdekker van den okapi
in Midden-Afrika, een tijdlang gouverneur van Britsch Oost-Afrika,
groot jager en natuurvriend, heeft dezer dagen een rede gehouden in
een vergadering van de Royal Geographical Society, waarin hij het
had over de schilderachtigste stad, die hij ter wereld kende. Dat
was Havana, de hoofdstad van Cuba.
Reeds het binnenvaren in de nauwe haven met de forten aan weerszijden
werkt imponeerend en het heele voorkomen der stad is grootsch en
mooi. Het karakter wordt vooral uitgedrukt door de vele palmen van
allerlei soort, waaronder de koningspalm, Oreodoxa Regia, vooraan
staat. Elke stad op het mooie eiland Cuba bezit een palmenlaan, en
heele wouden van slanke waaierpalmen verfraaien het landschap van Cuba.
De berghellingen dragen prachtige tropische wouden, waar waardevol hout
groeit, o.a. de cubasche mahoniehoutboom. Ook de cactussen in hooge,
rijke vormen kenmerken hier en daar het land. De Engelschman noemt
Cuba wonderlijk schoon, als het leven er maar niet zoo afgrijselijk
duur was!
Haïti, waar de reiziger zich later heen begaf en dat eveneens veel
natuurschoon heeft van een liefelijk karakter, was onvergelijkelijk
veel goedkooper dan Cuba. Sir Johnston wees erop, dat dit eiland,
waar de beide republieken Haïti en San Domingo op liggen, nog altijd
geen eigen naam heeft, voor beide republieken geldend. Hij doet
het voorstel, daar Hispaniola voor te kiezen, een naam, dien reeds
Columbus aan het eiland had gegeven.