De triomf van de beide poolhelden, wier portretten wij in ons vorig
nommer gaven, is niet onaangevochten gebleven. In de wetenschappelijke
wereld doet zich een sterke strooming van twijfel gelden, zoowel wat
het slagen van Cook als dat van Peary betreft.
Bij beiden stemt vooral de snelheid, waarmee ze de laatste
breedtegraden in de nabijheid van de Noordpool zouden moeten hebben
bereikt, als hun mededeelingen volkomen geloofwaardig waren tot een
zeker voorbehoud. Het is eenvoudig tooverij, dat Peary zoo gauw van
kaap Columbia aan de noordpunt van Grantland zou gereisd hebben, als
hij opgeeft en Cook is omtrent die hoogste breedten zoo onnauwkeurig
en onvolledig, ook in de toespraak, die hij in Kopenhagen heeft
gehouden voor een tot oordeelen bevoegd publiek, dat teleurstelling
en onvoldaanheid zich in de plaats van de geestdrift hebben gesteld.
Wie van het eerste oogenblik af aan den twijfel in zijn gemoed niet
den toegang heeft geweigerd, wie dadelijk moedig voor die overtuiging
van de tegenspraak in de gegeven berichten is uitgekomen, dat was
de oude admiraal Melville, de Engelschman, die zelf mooie sporen
heeft verdiend in het Noordpoolonderzoek, althans in poolreizen,
met groote gevaren verbonden.
Hij hoort tot die groep van poolreizigers, die voor het bekend worden
van de eilanden in den Siberischen Oceaan ten noorden van Azië veel
heeft bijgedragen. Meer in het bijzonder de Nieuw-Siberische eilanden
ten noordoosten van de Lena-delta. Sedert in 1770 een russisch koopman
Liakhof een der eilanden ontdekte, toen hij een rendierkudde met
sleden over het ijs volgde, had de russische regeering in het begin
der 19de eeuw vooral terwille van de vondsten van mammoethsbeenderen
het onderzoek zooveel mogelijk aangemoedigd.
Bij die tochten maakte zich o.a. luitenant F. von Wrangell bekend,
en het naar hem genoemde Wrangell-land bleef tot in de jaren tusschen
1880 en 1890 de menschen intrigeeren door de onzekerheid, waarin men
verkeerde, om te weten of het een eiland was of een vasteland. Aan
de expeditie nu, die dat probleem heeft opgelost, nam Melville als
hoofdmachinist van de Jeannette deel.
De eer van ontdekt te hebben, dat Wrangell-land geen continent was,
komt toe aan commandant G. W. de Long van de marine der Vereenigde
Staten, die in 1879 op een ontdekkingsreis uitging door de Beringstraat
met de Jeannette. De Long dacht, dat Wrangell-land een continent
was en drong stoutmoedig door in het pakijs bij het Heraldeiland op
71 graden 35 minuten N.B. en 175 W.L. in de meening Wrangell-land
te zullen bereiken en daar te kunnen overwinteren. Tot De Long's
teleurstelling kwam het schip maar niet buiten het pakijs en dreef
gestadig aan naar het Westen, tot het tegenover en ten noorden van
Wrangell-land was gekomen, waardoor bewezen was, dat dit wel verre van
een continent te zijn, slechts een betrekkelijk klein eiland was. Het
schip had veel van het ijs te lijden, en alleen de bekwaamheid en de
moed van den hoofdmachinist G. W. Melville behoedde schip en bemanning
dien eersten winter voor ondergang. Na een tweede overwintering werd
de Jeannette op 12 Juni 1881 door het ijs ingedrukt, waardoor de
bemanning onbeschut achterbleef op de ijsschotsen midden in de IJszee.
Op een ellendige reis van de ergste ontberingen en ziekte, die maakte,
dat men haast niet voort kon, toonde Melville zijn geestkracht en
vindingrijkheid. Telkens dreef een noordelijke strooming hen terug
van de kust van Azië, die ze trachtten te bereiken. Bij een poging,
om de Lena-delta te bereiken, verongelukte de boot van luitenant Chipp
in een storm met een bemanning van acht personen op 12 September,
en bij die gelegenheid werden ook commandant De Long en Melville
gescheiden. De laatste bereikte met negen man op 26 September een
russisch dorp langs een der oostelijke monden van de Lena.
De Long met Dr. Ambler en twaalf man moesten op 17 September aan land
gaan en de boot achterlaten, daar de zee te ondiep was. Met hun wapens
en hun voedsel en de rapporten en berichten en benoodigdheden beladen,
volgden zij de kale, verlaten oevers der Lena zuidwaarts, haast niet
vorderend door sneeuw, nieuw ijs en ziekte. Telkens moest men wachten,
tot het ijs vastheid had gegeven aan de oppervlakte van ondoorwaadbare
zijtakken en wild en voedsel ontbraken reeds op 9 October, toen een
man gestorven was en de anderen hulpeloos waren. Trouw blijvend bij de
zieken en de stervenden, zonden De Long en Ambler twee zeelieden uit,
om hooger op de Lena hulp te halen.
De Long en al de zijnen op drie na kwamen er van gebrek om vóór
den 1sten November, terwijl de beide matrozen Bulun op 29 October
bereikten, nadat ze bijna niet verder konden. Zoodra hij kon, nam
Melville maatregelen om te hulp te komen, en op 14 November 1881
vond hij reeds de scheepsboeken, toen een hevige storm hem belette
verder te gaan. In het eerste begin van de lente ging de onvermoeide
Melville er weer op uit, en 23 Maart 1882 vond hij de lijken der
ongelukkige schepelingen.
Behalve door belangrijke natuurwetenschappelijke waarnemingen in een
onbekende streek was deze expeditie gewichtig om de aardrijkskundige
ontdekkingen. Er werd een gebied van wel vijftig duizend vierkanten
mijlen in de IJszee bevaren.
Melville's verdiensten zijn erkend door zijn promotie in de marine
en doordat naar hem zijn genoemd een baai aan de westkust van
Groenland, een schiereiland van het amerikaansche vasteland, dat
door de Heclastraat van Baffinseiland is gescheiden en een meer aan
de noordoostkust van Labrador. Geen wonder, dat ook nu nog het woord
van admiraal Melville gehoor vindt.