MASKERS VAN DE MAHAKAM.

De kaart van Borneo vóór zich leggende, vindt men op de westkust

Pontianak en, ongeveer terzelfder breedte, op de oostkust

Samarinda. Van het gebergte ongeveer in het midden des eilands

stroomt naar Pontianak de Kapoeas, naar Samarinda de Mahakam; zij

is de grootste rivier die aan de oostkust in zee valt. De maskers

bij dit artikel afgebeeld zijn afkomstig van Long Iram, een plaats

aan de Mahakam, die langs een rechte lijn ongeveer 100 kilometers

van Samarinda verwijderd ligt, maar feitelijk misschien wel 200,

door de sterke kronkelingen van de rivier.

De maskers kwamen in het bezit van het Rotterdamsche Museum voor land-

en volkenkunde door de goede zorg des heeren H. Gramberg, militair-

en civiel gezaghebber van de Boven-Mahakam, en vormen een deel eener

uitgebreide en belangrijke verzameling die deze ambtenaar voor het

Museum bijeenbracht.

De Boven-Mahakam, het gebied waar de heer Gramberg gezag uitoefent,

is, volgens prof. Nieuwenhuis, bedekt met bosch, en van een bergtop

gezien, zijn 't alleen de steile wanden der kalkbergen die het oog

treffen als lichte plekken op het donkergroene kleed. Waar de bevolking

hare droge rijstvelden aanlegt ligt de grond bloot gedurende den tijd

dat hij voor den rijstbouw dient; maar al gauw neemt struikgewas en

later jong bosch dit terrein weer in. Gras is er, naar de bewoners

zeggen, eerst de laatste 20 jaar aan de Boven-Mahakam verschenen;

en het hooge gras dat alang-alang en ilalang heet kent men er niet.

De bevolking aan de Mahakam boven de watervallen is niet talrijk;

oorspronkelijk bestaat zij uit Bahau-stammen, die in de laatste twee

eeuwen uit het hoog gelegen bergland Apo Kajan hierheen getrokken

zijn. In het brongebied van de Mahatam, tot aan den val die Kiham

Matandow heet, ligt nog ongerept oerwoud, en daarin zwerven kleine

groepen van de Boekats, die telkens van woonplaats veranderen. Vóór

den krijgstocht van de Dajaks uit Serawak in 1885 was het stroomgebied

der Mahakam, van bovengenoemden val Kiham Matandow tot aan de Soemwé

bewoond door verscheidene nederzettingen van Pnihing-stammen; deze

nederzettingen werden toen verwoest en de bewoners trokken langs de

hoofd-rivier naar beneden. De stam der Sepoetans woont in het gebied

van de Kaso, ten deele hoog de rivier op, voor een ander deel aan de

Penaneh. Volgt men de rivier verder benedenwaarts, dan komt men in

het gebied der Kajans, die zich de Mahakam toerekenen van de Soemwé

tot aan de Dini. Ten oosten aan deze laatstgenoemde rivier begint

het gebied van de Long-Glats en aan de Merasè wonen de Ma-Soelings.

Wie, na deze vluchtige voorstelling, zich geroepen voelt tot

nadere kennismaking, zal vinden wat hij verlangt in het werk van

dr. A. W. Nieuwenhuis In Centraal Borneo, of in zijn boek Quer durch

Borneo, beide boeiende reisverhalen, met een overvloed van platen. Aan

de berichten van dezen schrijver zijn de volgende mededeelingen

over het maskerspel ontleend waarbij maskers als de hier afgebeelde

gebruikt worden.

De zaaitijd van de rijst is bij de Kajans van de Boven-Mahakam

verdeeld in drie perioden van negen dagen, en het maskerspel dat

een deel is van het religieuse zaaifeest, valt op den eersten dag

van de tweede en derde periode. De eeredienst van de Kajans, die

uitsluitend landbouwers zijn, staat in nauw verband met den rijstbouw

en de groote godsdienstige feesten van het jaar vallen op het begin

der verschillende werkzaamheden. Deze worden onderscheiden in nebas

(houtkappen), noetoeng (branden), noegal (zaaien), nawo (wieden),

ngeleno (oogsten), newoeko (einde van den oogst) en nangei (het vieren

van een nieuw jaar en begin van een nieuwen rijstbouw). De feesten

bij noegal en nangei zijn de voornaamste.

Wat heeft nu het optreden van gemaskerden te maken met het zaaien

van rijst? In de overtuiging dat de geesten machtiger zijn dan de

menschen, gelooven de Kajans, dat zij, als geesten vermomd en doende

als geesten, ook meer vermogen dan menschen vermogen. Evenals de

geesten de zielen der menschen kunnen terugbrengen, gelooven zij, dat

zij ook de zwervende ziel van de rijst tot zich kunnen lokken. Daartoe

dient een lange, houten haak die de hoofdman der gemaskerden in de

hand houdt, en waarmede hij de beweging maakt van iets naar zich toe

te halen.

Geesten behooren er schrikwekkend uit te zien en daarom hullen zich

de Kajans die sterk behaarde geesten voorstellen in uitgerafelde

pisangbladeren, die zij met de hoofdnerf om het geheele lichaam winden,

dat zoodoende een vormlooze groene massa wordt. Op de afbeelding is een

groep gemaskerde Kajans van de Boven-Mahakam voorgesteld. Het masker

is van licht hout gesneden, heeft evenals de wolf in Roodkapje groote

oogen, groote ooren en groote tanden. Boven in de ooren zijn van hout

nagemaakte pantertanden gestoken [1] en de banden aan den onderkant

der ooren verbeelden de uitgerekte oorlellen, waarin oorsieraden

hangen. De symmetrische lijnen op het masker zijn met vaste hand

getrokken en doen de oogen scherp uitkomen; de kleuren zijn wit,

zwart en steenrood. Het masker wordt gedekt door een strijdmuts

van gevlochten rotan, versierd met de witte, met zwarte dwarsbanden

belegde, staartvederen van een neushoornvogel.

Deze geesten nu zijn 't die de rijstziel moeten lokken en aan de

Kajans een goeden oogst bezorgen. Zij mogen niet spreken want een

geest spreekt niet en wie dit verbod vergeet loopt kans dood neer te

vallen. Op een open plek tusschen de huizen vormen de zonderlinge

wezens een kring en op de maat van den gongslag maken zij allerlei

passen, bewegen de armen en schudden en draaien het hoofd. Dit duurt

een half uur en dan plaatsen de geesten zich achter elkander, doende

alsof zij de broewa parei, de rijstziel, uit verre oorden tot zich

halen; want soms verdwaalt deze tot aan de Kapoeas en de Barito.

Het andere masker, dat men hier afgebeeld vindt, is een varkensmasker,

ook van de Boven-Mahakam. Dr. Nieuwenhuis maakt gewag van een

maskerspel gedurende het zaaifeest aan de Mendalam, een rivier, die

dicht bij het scheidingsgebergte in de westwaarts stroomende Kapoeas

valt, welk spel een zwijnenjacht voorstelde. Ontleden doet hij deze

ceremonie niet. De man met het varkensmasker stelde het zwijn voor

en hij maakte de bewegingen en geluiden van dit dier goed na. Eenige

jonge Kajans verbeeldden de honden die het varken aanblaften en te

lijf wilden. De toeschouwers waren er heelemaal in, en de gewoonlijk

zeer kalme Kajans raakten uit hun plooi; vooral als het dier een

zijsprong maakte naar den kant waar de meisjes zaten was 't een

leven van geweld. Maar van angst of schrik was zelfs bij de eenjarige

toekijkers geen sprake; men hoorde overal luid en hartelijk lachen. Of

het varkensmasker van de Mahakam voor een dergelijk spel, als hier

van de Mendalam beschreven is, gebezigd wordt, mag waarschijnlijk

maar niet zeker heeten.

Hoe dit varkensmasker met figuren beschilderd is blijkt voldoende

uit de afbeelding; de kleuren zijn dezelfde als van het andere

masker. Beide worden door koorden van gespleten rotan voor het

aangezicht vastgemaakt, en beide hebben ter hoogte van den mond

des dragers een dwarshoutje, dat blijkbaar met de tanden door hem

omklemd wordt om het masker op zijn plaats te houden. Alleen van het

varkensmasker is de onderkaak bewegelijk; loodrecht op het zooeven

genoemde dwarshout is een stokje vastgemaakt dat naar het vooreind

van de onderkaak loopt, een eenvoudig mekaniek, dat den drager van het

masker in staat stelt met zijn tanden de onderkaak tegen de bovenkaak

te doen klepperen.

Rotterdam, 31/VIII '09. Joh. F. Snelleman.

[1] Tanden in het bovendeel van de oorschelp dragen stammen van de

z.g. Zee-Dajaks van Serawak.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 272 / 353 题