Het is een aardig denkbeeld van de Leidsche Stoombootmaatschappij »De
Volharding«, om een rondreis te water te organiseeren van uit Haarlem
langs Spaarne, Noordzeekanaal, Kanaal van Nauerna over Knollendam,
de Zaan en Zaandam en door Noordzeekanaal en Spaarne terug naar
Haarlem. Hoe verbazend jammer was het voor de onderneming, dat in
de maand Juli het aantal mooie zomerdagen zoo gering is geweest,
want juist die warme dagen met zon zijn uiterst geschikt voor het
genot van bootjevaren.
Vreemdelingen en toeristen, die altijd zoo verrukt zijn over de
»wazige« luchten van Holland, hebben hun hart aan de wazigheid kunnen
ophalen, en zeker is het, dat ook bij donker weer het polderland niet
alle bekoring mist, maar hoeveel vriendelijker doet alles zich voor
in den zonneschijn! Mocht Augustus nu nog maar goed maken, wat Juli
is te kort gekomen en mocht het aantal passagiers, die dagelijks met
de nieuw gebouwde stoomboot »Volharding VII« meegaan van harte kunnen
genieten van het afwisselende landschap, waarvan wij enkele kijkjes
hier reproduceeren.
Want er is heel wat te zien op het tochtje, dat, om half elf 's morgens
beginnend, de deelnemers om vijf uur weer aan het Noorder Spaarne aan
wal zet. Eén ding is voor deze pleiziervaart een stellig vereischte,
namelijk stiptheid, wat den tijd betreft, want er zijn sluizen en
spoorbruggen in de route, die op een bepaalden tijd geopend worden,
en die de grootste preciesheid verlangen van de vervoermiddelen te
water op poene van soms een langen wachttijd.
In het aardige boekje, dat de reisbeschrijver bij uitnemendheid,
de heer J. Craandijk, voor de stoombootmaatschappij samenstelde en
waaraan wij hier het een en ander ontleenen, wordt opgegeven, hoe
de reizigers van verschillende kanten, van Bloemendaal, van Alkmaar,
van Amsterdam, van Aerdenhout en Zandvoort, het moeten aanleggen, om
langs den kortsten weg naar het Noorder Buitenspaarne te komen. Alle
eenigszins belangrijke punten van den watertocht passeeren de revue,
terwijl in de beschrijving enkele historische bijzonderheden zijn
ingevlochten en niemand onbevredigd blijft, die graag zou willen
weten, welk torentje daar uit het groen verrijst, wat voor oud huis
ginds te zien is, in welk water men bij het omslaan van deze bocht is
binnengevaren, hoe dit vriendelijk dorpje heet en wat de naam is van
dien in groene frischheid en frissche groenheid van vruchtbaarheid
getuigenden polder.
Laat ons even vertellen, dat men eerst door het Spaarne vaart
in noordoostelijke richting, langs den Houtrakpolder, om dan een
scherpe bocht rechts te maken en in het Noordzeekanaal te komen,
dat slechts gevolgd wordt op den heenweg tot waar men links afslaand
het Nauernakanaal binnenvaart of de Nauerna'sche vaart, een ouden
waterloop, die indertijd uitgediept en bedijkt werd voor de droogmaking
van den Schermerpolder. Dat was nog in onze groote zeventiende eeuw,
die wij wat onze waterbouwwerken betreft, in den tegenwoordigen tijd
gerust onder de oogen kunnen komen.
Kalm glijdt de boot er door het vlakke weiland, met slooten doorsneden,
waar watermolentjes wat afwisseling brengen, en de huizenstrook
van Assendelft met de beide kerktorens en al eerder het langgerekte
Westzaan aantoonen, dat men nog niet heelemaal buiten de bewoonde
wereld is geraakt. Noordwaarts op gaat het tot aan de spoorbrug
niet ver van het station Krommenie-Assendelft en verder noordelijk
achterlangs Krommenie tot bij het punt, waar de Nauernavaart zich
afbuigt van de ringvaart van den Starmeerpolder.
Bij Knollendam wendt de stoomboot zich dan naar het Zuiden en vaart
de Zaan in. Het riviertje de Zaan, zoo bescheiden in haar oorsprong
als afvloeiing van vroegere meren, die in polders zijn veranderd en
die de voeding van de Zaan aan de ringvaarten hebben overgedragen,
heeft liefelijke oevers, en schilderachtige tooneelen krijgt men vanaf
de boot te zien. Men passeert Oost- en West-Knollendam, Wormerveer,
typisch omdat het nu eens niet echt zaansch is en wel zijn beste
beentje voorzet naar den kant van de Zaan; dan de lange reeks van
dorpsachterhuizen en tuinen, die Zaandijk en Koog aan de Zaan vormen
en aan de westzijde der rivier een aardig karakter geven, rijk aan
afwisseling.
Bij Zaandam zijn beide oevers bebouwd, en de passagiers, die hun lunch
aan boord hebben gebruikt, waarvoor de haarlemsche restaurateur,
J. A. Mulder heeft te zorgen, kunnen van de eenigszins verlengde
wachtperiode bij de sluis profiteeren, om iets van de stad te zien
en misschien het Czar-Peterhuisje in oogenschouw te nemen. Maar veel
tijd is er niet, en al spoedig ligt Zaandam achter de »Volharding
VII«, die rechts zwenkend het Noordzeekanaal invaart en de Hembrug
vóór zich ziet liggen. In westelijke richting gaat het weer door
het breede Kanaal tot waar het zijkanaal C. wordt gevolgd, een der
vaarten, die door den uitgestrekten IJpolder loopen. Bij Spaarndam
herhaalt zich het openen van de sluis, dat alleen op het volle uur
gebeurt, het belangstellend kijken naar het niet onaardig buurtje
met de typische huizen, winkels en werkplaatsen en het zoeken naar
het wat verborgen kerkje, waar men de grafstede kan vinden van schout
Nicolaas Cruqius, die er in 1754 is overleden en naar wien, ook om hem
te eeren als Opziener van Rijnland, een der groote stoomgemalen van
den Haarlemmermeerpolder is genoemd, zoodat de naam vaak wordt gehoord.
Zoo gaat het dan weer op Haarlem aan door het Spaarne, nu met
de uitgestrekte weilanden aan onze linkerhand, langs het in 1842
aangelegde jaagpad van Haarlem naar Spaarndam en den ouden, grooten
heirweg van Kennemerland naar Alkmaar. Die naam Kennemerland herinnert
aan het vele schoon in de omstreken van de grijze Spaarnestad, het
mooie, dat overal in ons land en daarbuiten wordt gewaardeerd. De
nieuwe boottochtjes hebben nu daarnaast meer waardeering gebracht voor
het schilderachtige polderland, door zijn kalme wateren doorsneden.