MOSSELTEELT.

De mossel wordt ook in ons land met smaak verorberd, maar niet in

zoo grooten getale als in Frankrijk, waar men in sommige streken aan

mosselteelt doet, zooals bij ons aan oesterteelt. De voortplanting van

de mossel is voor een deel nog onopgehelderd; maar de vruchtbaarheid

is zeer groot, dat is van algemeene bekendheid. Een groot deel van

het broedsel gaat natuurlijk verloren, wordt door den zeewind mee

voortgesleurd of komt in het oeverslijk terecht en sterft er. Maar er

blijft nog altijd een aanzienlijke rest over, die zich vasthecht aan

het rotsgesteente. De ontwikkeling der mossel heeft dan betrekkelijk

vlug plaats; na afloop van twee tot drie maanden heeft de jonge mossel

een middellijn van eenige millimeters bereikt.

Dan komen de telers en maken de jonge mosseltjes los, die altijd bij

verscheiden duizenden als een tros aan elkander hangen, om ze over te

storten in zakken van fijn netwerk, die ongeveer twee liter kunnen

bevatten. Die zakken zijn gemaakt van stukken van oude, zeer fijne

netten, die meestal vroeger voor de sardinenvangst hebben gediend. De

met jongen gevulde netten worden vervolgens op eigenaardige wijze

behandeld. Diep in het water gedreven palen, die ongeveer anderhalven

meter boven het water uitsteken, worden door stevig samengevlochten

takken van kastanjeboomen met elkaar verbonden. De terreinen voor de

teelt moeten steeds zóó zijn gelegen, dat ze gedurende de helft van

den tijd der eb volkomen droog liggen.

Op dien tijd van den laagsten waterstand worden de zakken met mossels,

altijd op afstanden van een halven meter, midden tusschen de in elkaar

gevlochten takken bevestigd. De rustelooze golven der zee omspoelen

het fijne netwerk en de jonge mossels groeien en doen dan de murw

en slap geworden omhulling van de zakjes bersten. Maar dat is geen

bezwaar, want de mossels hebben dan hun eigen veerkrachtigen draad,

den byssus, verkregen, met welks hulp ze zich in het takwerk stevig

hebben vastgezet.

Na achttien maanden ongeveer hebben de mossels hun volkomen

ontwikkeling bereikt en zijn geschikt voor den verkoop. De telers

maken in den tijd van den laagsten waterstand de takken van de palen

los. Die zijn dan geheel door mossels overdekt, en men kan de schelpen

plukken als de vruchten van een boom.

Behalve op die manier wordt ook nog wel een andere methode

toegepast. Daarbij worden boomtakken, meestal tamarindetakken,

maar ook andere, loodrecht in den weeken grond gestoken, zoodat ze

een boschje vormen, waarvan de golvende punten boven de zee heen en

weer wuiven. De jonge mossels worden op dezelfde wijze, als te voren

beschreven, in fijne netten gedaan en in de takken vastgemaakt,

en het dichte takkenwirwar kan zeer veel netten bergen. De oogst

heeft eveneens ongeveer na achttien maanden plaats. De op die manier

geoogste mossels noemt de Franschman tamarinières.

De opbrengst is ook dan zeer groot, maar het is een verbazend

moeilijk werk, de schaaldieren uit het dichte gewemel van takken uit

te plukken. En dan heeft men bij deze methode nog het bezwaar, dat

zich veel slijk heeft vastgezet in de massa, terwijl bij de andere

manier het water ongehinderd onder de drijvende wanden van takken

kan doorstroomen. Men teelt de mossels graag aan de mondingen van

rivieren, omdat het sterk bewogen water uitstekend voor de voeding

der dieren zorgt en hun groei bevordert. Daarbij moeten de mossels een

voorliefde hebben voor de plaatsen, waar zout en zoet water samenkomen.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 225 / 353 题