VERBETERD SNELTREINVERKEER.

De duitsche uitgever, de heer August Scherl, heeft een omvangrijk

geschrift het licht doen zien, waarin hij pleit voor een verandering in

ons verkeerswezen. Hij noemt zijn boek »Ein neues Schnellbahnsystem,

Vorschläge zur Verbesserung des Personenverkehrs" en begint met erop

te wijzen, dat het hoog tijd wordt, ons verkeerswezen op een andere

leest te schoeien en er een hervorming op toe te passen, die een eind

zal maken aan de gewoonte, om het goederen- en het personenverkeer

over dezelfde lijnen te laten loopen. Er ligt een verspilling in van

allerlei kracht, dat over dezelfde rails, waar zoo juist een sneltrein

met een vaart van 90 kilometers in het uur is overheen gebruist,

dadelijk een zware, langzame goederentrein volgt.

Het snelle personenverkeer wordt daardoor opgehouden en verhinderd,

en dat men daaraan reeds op een enkele plaats een eind heeft

gemaakt, blijkt uit wat in Chicago is gebeurd, waar een stelsel van

onderaardsche spoorlijnen voor het geheele goederenverkeer zorgt. In

Europa loopen de sneltreinen lang niet zoo hard, als ze het kunnen

doen, eensdeels omdat de lijnen te zeer voor het goederenvervoer in

beslag genomen zijn, anderdeels omdat de stations te gauw op elkaar

volgen.

De schrijver, nu van het schitterend uitgevoerde boek met veel

illustraties, plannen en tabellen, die al vaker de aandacht heeft

weten te vestigen op nieuwe ideeën en plannen, wil de tegenwoordige

spoorlijnen voor het vervolg geheel beschikbaar stellen voor het

vervoer van goederen, en voor het personenverkeer nieuwe lijnen

aanleggen. Uit economisch oogpunt is tegen het eerste deel van

het voorstel daarom niets in te brengen, omdat, zooals uit het

budget blijkt, de overschotten der spoorwegen afkomstig zijn van

het goederenvervoer, terwijl het personenverkeer daartoe niets of

zoo goed als niets bijdraagt. Een kleinere rente-opbrengst van de in

spoorwegen belegde kapitalen zal dus niet het gevolg zijn, als het

personenverkeer zich terugtrekt.

Toen aan het eind van het eerste vierde deel van de vorige eeuw

de eerste spoorwegen werden aangelegd, had men nog zeer bekrompen

inzichten in den aard van het verkeer. Van eenig groot gezichtspunt was

nog geen sprake. Men had geen flauwe voorstelling van de eischen, die

mochten worden gesteld met het oog op de toekomst, en de berlijnsche

postmeester-generaal van toen moet zelfs gezegd hebben, niet te

begrijpen, waarom een spoorweg tusschen Berlijn en Potsdam noodig zou

wezen, daar de postwagen nog niet eens altijd vol was. Zoo ontstonden

de spoorlijnen op een peuterige schaal met inachtneming van allerlei

kleine en persoonlijke belangen. Tengevolge daarvan is de spoorwijdte

nog altijd gelijk aan die van de oude engelsche postwagens en moeten

de groote internationale sneltreinen, die het Noorden van Europa met

het Zuiden verbinden, vaak op kleine nesten van plaatsjes stoppen,

omdat overoude overeenkomsten met kleine staten bestaan, die het tot

voorwaarde hebben gesteld.

Met de vraag, hoe daarin grondige verbetering te brengen, hebben zich

al dikwijls de verkeerstechnici en financiëele specialiteiten bezig

gehouden, maar een oplossing, die allen bevredigde, is tot nu toe

niet gevonden. Maar dit nieuwe ontwerp van August Scherl boeit de

aandacht door veel goeds en bruikbaars, dat het schijnt te bevatten

en door een interessant principe, waarop het berust.

Voor het personenverkeer wil hij een geheel nieuw net aangelegd hebben,

en al lijkt dat eerst verbluffend, men bedenke, dat bijvoorbeeld

de berlijnsche Stadtbahn doet zien, hoe het economisch voordeeliger

kan wezen, tot een volkomen nieuwen aanleg over te gaan en niet aan

bestaande lijnen te peuteren, terwijl ook verder de berlijnsche

bovengrondsche spoorweg en verscheiden trams aantoonen, dat ook

verkeersondernemingen, die enkel voor het personenvervoer bestemd zijn,

uitstekend kunnen rendeeren.

Op nieuwe lijnen nu, waar nog geen oude vormen hinderend werken,

zal het personenverkeer ook nieuwe technische vormen moeten vinden,

die inderdaad in staat zijn, aan alle eischen van het moderne leven

te voldoen. De eerste eisch van het op de hoogte van den tijd gebracht

verkeer is die der verhoogde snelheid. Men moet op de hoofdlijnen een

snelheid verlangen van 200 kilometer in het uur. Maar dan weigert de

stoomlocomotief, want zelfs de oude vrienden van dit verkeersmiddel

geven toe, dat de economische grenzen van deze machine liggen bij

100 kilometer in het uur en dat alles wat daarboven ligt, zuivere

sport moet heeten. Natuurlijk zal dus het nieuwe stelsel een geheel

electrisch bedrijf moeten hebben.

Maar verder moet ook de inrichting van de rails in den grond veranderd

worden. De onderhoudskosten van een spoor met twee rails groeien bij

200 kilometers in het uur zoodanig, dat men niet uitkomt, in de verste

verte niet.

Dus zal in het nieuwe systeem moeten opgenomen worden de éénsporige

lijn. De wagens zullen over een enkele rail zich moeten bewegen en

zullen dan moeten worden gestabiliseerd door aparte toestellen, die

het evenwicht bewaren, gyrostatische apparaten, die eigenlijk niets

anders zijn dan door electriciteit gedreven snel loopende tollen. Het

probleem, vaartuigen door toestellen, die rondtollen, vastheid te geven

houdt de technici in Engeland en Duitschland al geruimen tijd bezig,

en de uitgever van het bedoelde werk heeft in eigen werkplaatsen reeds

verscheiden jaren proeven laten nemen en laten werken met toestellen,

op het tolprincipe berustend, en hij komt nu pas openlijk met zijn

voorstellen voor den dag, nu hij meent het vraagstuk van het evenwicht

voor den wagen op één rail te hebben gevonden.

Wie den voortgang der moderne techniek opmerkzaam heeft gevolgd,

zal hebben bespeurd, dat een lang bekend instrument, namelijk de

tol, in een aantal nieuwe machines, toestellen en inrichtingen

tegenwoordig wordt toegepast. Men is er zich van bewust geworden,

dat in een draaienden tol eigenschappen en krachten liggen besloten,

die hem op zeldzame wijze geschikt maken, een rol te spelen in het

machinebedrijf. Maar de geheele op aanwending van den tol berustende

ontwikkeling staat nog maar aan haar begin en het laat zich nog niet

bepalen, wat er uit de thans gedane pogingen zal worden.

Als men een kinderspeeltol onopgewonden op de tafel plaatst, zal

hij dadelijk omvallen. Windt men hem echter op, zoodat hij lustig

snort en zet men hem nu op de tafel, dan valt hij niet alleen niet

om, maar men kan er ook de wonderlijkste standen en richtingen aan

geven, zonder dat hij zijn gewicht verliest. Men kan hem op den rand

der tafel wel zoo laten draaien, dat de as zich vrij in de lucht

beweegt, zonder dat hij op den grond valt. Die as heeft, als de tol

is opgewonden, een verbazingwekkend volhardingsvermogen. Ze laat zich

moeilijk uit haar richting brengen en blijft daaraan zoo getrouw, dat

niet eens de zwaartekracht in staat is, den tol te doen omvallen. Dat

volhardingsvermogen van de as van een draaienden tol heeft men, hoewel

soms onbewust, al aangewend bij den tweewieler, die daardoor op zijn

twee smalle gummibanden kan blijven draaien, en de automobilist kan

zijn wagen alleen dan om bochten heen krijgen, als hij langzamer rijdt,

want bij grooter snelheid werken de voorwielen als sneldraaiende

tollen, wier assen maar moeilijk uit hun richting zijn te krijgen,

zoodat de bestuurbaarheid bij stijgende snelheid al kleiner wordt.

Opzettelijk heeft men het beginsel toegepast bij schepen. Er is

groote aandacht geschonken aan de proeven van den Directeur der

Germaansche Lloyd te Bremen, consul Schlick. Hij liet in een schip

een tol aanbrengen, die door een turbine in snelle draaiing werd

gebracht. De as van dien tol behield onveranderd haar stand, en

als dus maar het schip met den tol vast werd verbonden, kreeg ook

dat een groote stabiliteit. Dientengevolge hebben de golven weinig

vat op het schip, en de scheepstol van Schlick moet niet enkel een

voorbehoedmiddel tegen zeeziekte zijn, maar ook bij de oorlogsmarine

het mogelijk maken bij hooge zee met het scheepsgeschut vast en met

zekerheid te vuren.

De engelsche ingenieur Louis Brennen heeft er reeds op gewezen,

hoe men voor het spoorwegwezen voordeel zou kunnen trekken van

het »tolstelsel«. De tegenwoordige spoorwagens moesten over twee

rails loopen, daar de geringste veranderingen in de ligging van

het zwaartepunt bij een enkele rail schommelingen in den wagenstand

zouden teweegbrengen, die de vaart onmogelijk zouden maken. Brennen

wil den spoorweg met één rail door gelijktijdige aanwending van den

draaienden tol mogelijk maken. Hij bouwt, juist als consul Schlick

in de schepen, in de spoorwagens, een tol vast, die door een motor in

zeer snelle draaiing wordt gebracht. De as van den tol is vast met den

wagen verbonden en deze krijgt daardoor een groote stabiliteit. Hij

kan door evenwichtsveranderingen niet of zeer moeilijk uit zijn

stand worden gebracht. Bij de ontwerpen van den engelschen ingenieur

draait de tol in een luchtledige ruimte, wat ten doel heeft, de aan te

wenden kracht zoo gering mogelijk te maken en den weerstand der lucht

buiten werking te stellen. Dus is al een zeer zwakke motor voldoende,

om den tol in razend snelle beweging te brengen. Zoodra hij aan het

draaien is, worden de wagens zoozeer ongevoelig voor alle uitwendige

omstandigheden, dat ze geheel zonder gevaar over een enkele rail

kunnen loopen.

Een groot voordeel is daarbij gelegen in het gemakkelijk maken der

bochten, die geen verlangzaming der vaart noodig maken, en een ander,

van niet minder groot gewicht, is gelegen in de geringere kosten, die

de aanleg van den weg meebrengt. Verder kan het rijden plaats hebben

zonder eenig schokken of schudden en het tracé van de spoorlijn kan

gemakkelijk aan alle terreinen worden aangepast, daar het mogelijk is,

scherpe bochten te maken met onverminderde snelheid en zonder gevaar.

Op dezelfde wijze wil nu ook August Scherl het vraagstuk van het

evenwicht voor den wagen op één rail oplossen. De nieuwe éénsporige

lijnen zullen bereden worden door treinen, die in den regel uit drie

aaneengesloten wagens bestaan, die op de hoofdlijnen met een snelheid

van 200 kilometer in het uur zullen rijden en die elkander snel zullen

opvolgen, misschien om het halve uur, zoodat een spoorboekje niet meer

noodig is, en men op elken tijd van den nacht en den dag juist zoo

met een spoortrein kan wegrijden als nu met de electrische tram. De

wagens zijn veel breeder dan de tegenwoordige en voorzien van alle

comfort. De treinen hebben naar amerikaansch voorbeeld het karakter

van hotels; er is een buffet, een gezelschapszaal, een hall of groote

vestibule, een eetzaal met muziekkapel, een lees- en schrijfkamer,

een bad- en kleedkamer.

Zoowel op het platteland als in de stad rijden die spoorwegen hoog

boven den beganen grond, waarbij ze in de stad op betonpilaren rusten,

die door de huizen loopen en misschien daar tevens als liften zouden

kunnen worden gebruikt, of als trappenhuizen. En naast de snelheid

zal men volgens Scherl's plan het voordeel van de goede aansluitingen

hebben, want de snelheid zou waardeloos worden, als men bij den

overgang van de eene lijn op de andere zou hebben te rekenen met

uren van wachten. Het ideale verkeer der toekomst zal er dus voor

zorgen, dat men werkelijk vlug van de eene plaats naar de andere wordt

vervoerd, en daarom is een organisatieplan gegeven voor Duitschland,

waarbij een net van lijnen is ontworpen, van hoofd- en nevenlijnen,

die in kringen om groote centrale kruispunten zich bewegen met stralen

in alle richtingen. Er zullen op de verschillende kruispunten van

ring- en straallijnen geen uren, hoogstens minuten worden verdaan

met wachten, en alle aansluitingen zullen kloppen.

In de groote steden gaan de stralen uit van een reusachtig

centraalstation, van waar de luchtlijnen over de daken der huizen

heen loopen. Tot in kleine bijzonderheden heeft de schrijver zich in

alles ingedacht en de technische mogelijkheid wordt door technici niet

geloochend. Zal de verwezenlijking van het plan nog lang op zich laten

wachten? De kosten, waaraan de schrijver niet veel aandacht schenkt,

zullen bij die vraag op den voorgrond treden, en daarover en in zake

de levering van de reuzenhoeveelheid electriciteit, die men noodig

zal hebben, rijzen ook nog vele vragen, die aan de machthebbers, de

technici, de financiers en de vertegenwoordigers van het volk niet

weinig hoofdbreken zullen kosten.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 213 / 353 题