In het pruisische Huis van Afgevaardigden is de vorige maand nog
eens gewezen op de wonderlijke en afkeurenswaardige toestanden
in het landje op de grenzen van Nederland, België en Duitschland,
dat bij het Weener Congres in 1815 bij de verdeeling van Europa na
de ontreddering door Napoleon erbij is ingeschoten. Men heeft er
blijkbaar allertreurigste toestanden.
Over het door ongeveer 3400 inwoners, meerendeels Duitschers,
bewoonde landje, regeert de burgemeester van de naburige gemeente
Pruisisch Moresnet, onder toezicht van den landraad van Eupen en den
Belgischen prefect van Verviers. In het civiele recht geldt de Code
Napoléon, volgens den tekst van 1814, strafrechtelijk de Code pénal
van 1810. Wegens zijne draconische bepalingen wordt die laatste code
echter meestal niet toegepast. Wanneer inwoners onder elkaar geschillen
hebben, kunnen zij in België of in Pruisen recht zoeken. Daar zijn
ongewenschte toestanden het gevolg van.
Onzijdig Moresnet geniet volkomen vrijdom van invoerrechten, zoodat de
menschen van rechts en van links kunnen invoeren, wat zij willen. Alle
neringen en bedrijven zijn er vrij. Geen wonder, dat het kroegwezen er
meer ontwikkeld is dan ergens anders ter wereld. Slimme lieden hebben
een aantal branderijen opgericht en smokkelen jenever in België binnen,
waar zij goede prijzen maken. Het moet voorgekomen zijn, dat in België
jenever is ingevoerd in mineraalwaterflesschen, met het opschrift:
Altenberger Mineralwasser. De pogingen om een speelbank op te richten,
zijn mislukt. Toch blijft Onzijdig Moresnet het beloofde land voor
een aantal menschen van verdacht allooi: landloopers, kwakzalvers,
speculanten en allerlei andere rondtrekkende lieden. Het treurigst is
de toestand van de scholen. Er is geen leerplicht. Er zijn 5 veel te
volle klassen, in 4 ervan zitten meer dan 110 jongens en meisjes. In de
eenige meisjesklas zitten meer dan 200 kinderen. In de schoollokalen
zijn geene banken, ten minste geen banken met een tafel eraan. De
kinderen zitten in alle hoeken neergehurkt en kunnen alleen schrijven,
door hun lei in den linker arm te nemen. De luchtverversching,
of liever het luchtbederf, is van dien aard, dat onderwijzers,
onderwijzeressen en kinderen herhaaldelijk dientengevolge ziek worden.
De bevolking zelve is verbitterd, de burgemeester van Pruisisch
Moresnet houdt haar aan het lijntje, door altijd weer opnieuw te
herinneren aan de sedert tien jaren hangende onderhandelingen.
De afgevaardigde Hackenberg, een nationaal-liberaal, werd door den
heer Frantzius, directeur aan het ministerie van Buitenlandsche
Zaken, vriendelijk te woord gestaan; de regeering moest de gewraakte
toestanden erkennen, maar men moest wachten, tot een uitvoerige
overeenkomst, die de pruisische aan de belgische regeering had
overgelegd, door België zou zijn beantwoord.