IN EN OM AMERSFOORT.

Lezer, kent gij den naam Flehite? Mogelijk wel, als ge namelijk

uw vaderlandsche geschiedenis tot in kleine bijzonderheden hebt

bestudeerd, want het was de naam van een landstreek waar het oostelijk

deel der provincie Utrecht toe behoorde, en die al in het jaar 777 door

Karel den Groote aan de Sint-Maartenskerk te Utrecht werd geschonken.

In Amerfoort worden de menschen telkens aan dien naam herinnerd door

hun Flehite-museum aan den Westsingel. Het mooie, in oudhollandschen

stijl opgetrokken gebouw dateert van 1878, toen de oudheidkundige

Vereeniging, die ook reeds den naam Flehite droeg, na een onderzoek van

grafheuvels op de heide in de omstreken der stad door het vinden van

urnen en andere voorwerpen, op de geschiedenis betrekking hebbende,

aanleiding vond tot het stichten van het Museum. Men begon op kleine

schaal in een kamer van het stadhuis, maar bracht de verzameling in

1890 over naar een eigen gebouw, dat in 1898 vernieuwd werd, zoodat

in Mei 1899, dus juist tien jaren geleden, het tegenwoordige gebouw

kon worden geopend.

Het telt tien kamers, in een waarvan urnen, steenen en bronzen

voorwerpen, uit grafheuvels opgedolven, worden tentoongesteld;

een ander vertrek stelt een tot in kleinigheden trouw gevolgde

zeventiende-eeuwsche keuken voor, terwijl in een tweede gekluisd

vertrek grafzerken worden bewaard en oude steenen overblijfselen uit

Amersfoorts verleden. In de voor twintigste-eeuwsch gebruik bestemde

ruimten wordt, zooals bij voorbeeld in de bestuurskamer, het verleden

gehuldigd door oude schilderijen, regentenborden, stamboomen of platen,

op historische gebeurtenissen betrekking hebbend. Zoo ziet men in de

bibliotheekkamer alle prenten, op de inhaling van den Amersfoortschen

kei doelend, die in 1661 plaats had, tentoongesteld.

In andere zalen zijn antiquiteiten ondergebracht als glaswerk,

munten, penningen, zegels, wapens, sieraden, kinderspeelgoed en

wat niet al! Den grooten burger Johan van Oldenbarnevelt, die te

Amersfoort geboren werd, is eer bewezen door een vitrine, die geheel

gevuld is met souvenirs aan hem en zijn werk. Oude kleederdrachten,

oude vrouwelijke handwerken, oud smeedwerk, houtsnijwerk, dat alles

krijgt de bezoeker van het, dagelijks voor een dubbeltje geopende,

museum te zien en te bewonderen. Bezoekers der stad, ook zomergasten,

zullen goed doen, zich dit hoekje voor rustige en belangwekkende

beschouwing te herinneren, als de regendagen hen in huis houden of

althans het langdurig verblijf in de buitenlucht onmogelijk maken.

Met mooi weer hebben ze natuurlijk reeds dadelijk hun schreden

gericht naar Birkhoven, het groote, nieuwe sportterrein, dat

de stad in den laatsten tijd is rijker geworden en dat een zoo

groote aantrekkelijkheid voor Amersfoort belooft te worden. Het

gemeentebestuur heeft, met zijn tijd meegaande en gedachtig aan de

groote beteekenis, die het bezit van mooie plekjes natuur voor een

stad en haar bewoners heeft, verleden najaar aangekocht het landgoed

Birkhoven, dat door den dood van mevrouw de douairière Cock Blomhoff

ten verkoop werd aangeboden. De zeer uitgestrekte bezitting ten westen

van de stad in de richting van de Baarnsche en Soestdijker bosschen

zal later, voor wat het dichtst bij de stad gelegen gedeelte betreft,

uitstekend als bouwterrein dienst kunnen doen, maar voorloopig heeft

men er een andere bestemming aan gegeven. De gemeente heeft namelijk

een plek open grond van tien hectaren, geheel omgeven door dicht en

hoog opgaand geboomte, verhuurd aan een te Amersfoort opgerichte

Naamlooze Vennootschap, die er een sportterrein, aan alle eischen

des tijds voldoende, heeft ingericht.

Men stelt zich voor, er harddraverijen, wedrennen, sportfeesten

van allerlei aard, tentoonstellingen en alle openluchtspelen te

doen houden, waarvoor de heerlijke boschrijke omgeving wel moet

uitlokken. Reeds is er een begin gemaakt en enkele welgeslaagde feesten

hebben den roem van Birkhoven reeds heinde en ver verspreid. Het

eerste optreden naar buiten van de Naamlooze Vennootschap Maatschappij

tot exploitatie van feest-, sport- en tentoonstellingsterreinen

»Birkhoven«, gevestigd te Amersfoort, heeft plaats gehad op Woensdag

28 April, waarbij het terrein feestelijk werd geopend.

Het was een concours hippique, waarmee de driedaagsche wedstrijden der

Militaire Sportvereeniging besloten werden en dat mede uitgeschreven

was door de Vereeniging tot bevordering der Paardenfokkerij in

Nederland. De groote tribune, waar men gezellig aan tafeltjes kan

zitten, terwijl in het achterste gedeelte banken zijn aangebracht, was

dicht bezet, al was het weer niet in alle opzichten, zooals men zich

het bij zulk een feest zou wenschen, want daarvoor waaide het te hard,

zoo dat men de ervaring kon opdoen, dat het niet kwaad zou wezen, als

de tribune gedeeltelijk met glas kon worden afgeschut. Op de breede,

800 meter lange baan werden achtereenvolgens een hinderparcours

afgelegd; een wedstrijd gehouden van éénspannen, toebehoorende aan

landbouwers, wier uitsluitend bedrijf de landbouw is, welke paarden

gespannen moesten zijn vóór een tilbury of sjees; verder een kamp

tusschen rijpaarden, om er het bestgaande van te bekronen. Ze moesten

toebehooren aan en bereden worden door officieren of particulieren,

leden of donateurs der Militaire Sportvereeniging, of het moesten

paarden wezen van de troepen der cavalerie of artillerie; dan nog

werd er een concours d'adresse gehouden voor paarden, die nog nooit

in een spring- of jachtconcours een eersten prijs hadden gewonnen, en

ten slotte een springconcours om surprises voor juniores, niet ouder

dan 17 jaar. Daarvoor waren er zes deelnemers, die in den sprong

de opgehangen prijzen moesten grijpen. Wij herinneren even aan de

namen der prijswinners, den tweeden luitenant der huzaren J. Knel,

den eersten luitenant der veldartillerie J. J. van Santen en den heer

D. van der Grift, landbouwer te Baarn.

Het welgelukte sportfeest, reeds door andere gevolgd, is een goed

begin geweest, maar Birkhoven is niet alleen een aanwinst voor de

sportvrienden in Amersfoort en omstreken, neen, het is een uitgezocht

plekje voor zomergasten, voor toeristen, voor gewone wandelaars en

fietsers, voor allen, die het buitenleven liefhebben en in de mooie

natuur, vooral, waar ze nog niet al te druk door stedelingen wordt

opgezocht, zich graag vermeien.

De bosschen, gedeeltelijk gemengde, gedeeltelijk dennenbosschen,

beslaan een groote oppervlakte heuvelachtig terrein, zijn door

keurige wandelpaden doorsneden, hebben aardige rustieke banken,

door baas Jansen gemaakt, die vroeger bij den heer Otto Stork in

Hengelo heeft gewerkt, en zijn er te aantrekkelijker om, nu er een

uitstekend hotel en café-restaurant, dat ook den naam Birkhoven draagt,

het uitgangspunt kan zijn van wandelingen en fietstoeren, het centrum,

waar men rust en verkwikking kan vinden en een prettige gelegenheid om

te logeeren. Het modern ingerichte huis heeft negen ruime logeerkamers,

intercommunale telefoon, wordt met acetyleengas verlicht volgens een

nieuw geheel gevaarloos procédé en wordt door een ervaren hôtelier,

den heer S. K. Kielder, een Fries, met ambitie en ijver bestuurd.

Om zijn belangstelling in de zaak te toonen, die het wezenlijk belang

van Amersfoort slechts ten goede kan komen, heeft het gemeentebestuur

een geheel nieuwen weg naar Birkhoven laten aanleggen. Die weg loopt

voor een groot deel door dennenbosch, is 17 meter breed, waarvan 5

meter bestraat met klinkers en aan elken kant een fiets-, een wandel-

en een rijpad. Eerst volgt hij tot de halte Vlasakkers de lijn van den

Centraalspoorweg en komt dan in de bosschen van Birkhoven. Die korte

verbinding met de heerlijke wandelingen maakt het mogelijk den minder

mooien weg van Soest links of eigenlijk rechts te laten liggen. De

nieuwe weg begint aan het station, sluit aan het andere einde aan op

den weg Amersfoort-Baarn en is in het geheel 2400 meter lang.

De stad der keientrekkers gaat onder den tegenwoordigen burgemeester

krachtig vooruit. Hare nieuwe geschiedenis belooft niet minder

belangwekkend te worden dan haar oude het was. De naam »keientrekkers«,

aan de bewoners gegeven, herinnert aan een gebeurtenis uit de

zeventiende eeuw. In het jaar 1661 werd een reuzenkeisteen of eigenlijk

een brok graniet van ongeveer zes bij negen voet en peervormig van

gedaante, op de heide aan den weg naar Utrecht op de hoogte van Soest

gevonden. Onder leiding en op initiatief van jonkheer Everhard Meyster,

die het landgoed Nimmerdor aan den Arnhemschen Weg bewoonde, werd de

steen op 7 Juni 1661 naar Amersfoort gesleept en op de Varkensmarkt

opgesteld. De slede, waarop de reusachtige steen stond, werd door

een paar honderd menschen getrokken. Vandaar de naam »keientrekkers«,

aan de Amersfoorters gegeven.

Met muziek en gejuich werd de kei plechtig ingehaald, en naar de

gewoonte dier dagen werden er penningen geslagen, om het heugelijk

feit te herdenken, en die penningen onder het volk uitgedeeld. Op

een schilderij in het museum Flehite is het feestelijk binnenhalen

afgebeeld. Maar de pret over het bezit van den met moeite verkregen

steen, duurde niet zoo heel lang; er kwam oppositie van verschillende

zijden en al in 1664 sloeg men spotpenningen op het feit van het

inhalen. Tien jaren later verdroot de toenmalige stadsregeering de

beweging, die om den steen was gemaakt, en ze liet het groote blok

graniet ter plaatse in den grond verdwijnen. De niet meer zichtbare

steen maakte echter ook later nog de belangstelling gaande; er werden

overdreven voorstellingen van gegeven en het was als een openbaring,

toen in 1856 bij het leggen van buizen voor de gasleiding men op

den steen stootte en dus de ware afmetingen leerde kennen. Er waren

toen enkelen, die voor opgraving pleitten; maar hun plan kwam niet

tot uitvoering.

Nog 47 jaren zou het blok blijven liggen in den grond, toen, in 1903,

heeft men het weer voor den dag gehaald tusschen den Wilhelminaboom

en het toenmalige hotel Müller, en ongeveer op dezelfde wijze als

in 1661 heeft men den steen naar zijn tegenwoordige standplaats,

aan gene zijde van de brug nabij het politiebureau in het Plantsoen,

vervoerd. Heel Amersfoort vierde bij die gelegenheid feest, en alle

couranten vermeldden de keihistorie, een niet onaardige aanleiding, om

de gedachten der twintigste-eeuwers bij een betrekkelijk nietig voorval

uit het verleden te bepalen, en het schijnt voor de verlevendiging van

den historischen zin bij ons volk niet verkeerd, zulk een aanleiding

niet te laten voorbijgaan.

Er was toen een »Keicommissie«, die den 1sten Mei op de Varkensmarkt

aan het graven toog, maar eerst er niet in slaagde, den steen te

vinden. Men was al tweemaal 24 uur aan het werk, toen men nog het

spoor niet had. De oudjes, die zich iets van de ligging herinnerden

uit het jaar 1856, waren het niet eens over de plaats. Trouwens dat

jaar 1856 schijnt zelfs niet vast te staan, ten minste, hoewel het

in de »Wandelgids voor Amersfoort en omstreken« genoemd wordt als

het jaar, waarin de steen bij het leggen der gasbuizen werd gezien,

vermelden de dagbladen van het jaar 1903 daarvoor het jaartal 1859.

Men zette toen het zoeken voort den heelen nacht door en omstreeks

zes uur in den morgen van den 3den Mei werd op aanwijzing van den

oud-directeur der vroegere gasfabriek op een andere plaats gepeild

dan de vorige dagen, en de kei werd gevonden. De feestcommissie stelde

den 28sten Mei vast als den dag, waarop 's middags om twee uur onder

opperste leiding van jonkheer Everard Meyster zelf de »Plechtige

Keitrekking« zou plaats hebben. Men maakte er zoo een historischen

optocht van, die uitstekend is geslaagd. Herauten en trompetters

trokken des morgens om acht uur al door de stad, om de blijde tijding

te verkonden, dat de Amersfoorters hun kei weer zouden kunnen zien,

en welke feestelijkheden er bij de plaatsing in het Plantsoen zouden

plaats hebben. Op een eigenaardig driehoekig voetstuk staat daar

nu het groote granietblok, omgeven door met kettingen verbonden

zandsteenen palen.

Laat mij nog even de historische herinnering aanvullen met te

vertellen, dat die merkwaardige jonkheer Everard Meyster om drie

duizend guldens met zijn makkers gewed had, dat hij den steen alleen

met menschenhanden in de stad zou brengen. Als zonderling schijnt

hij bekend te zijn geweest, maar deze grap van bewoner van het buiten

Nimmerdor heeft per slot van rekening wel succes gehad. Volgens een

oud verhaal »solageerde een kar met bier en kraekelingen de manhafte

keytrekkers«. Een door Everard Meyster in 1669 gestichte Doolhof op

heuvelachtig terrein bij de stad is thans door den tegenwoordigen

eigenaar, den heer Tromp van Holst, als wandeling in den ouden vorm

hersteld.

Het later weer begraven van den steen moet vooral in verband hebben

gestaan met den spot van buitenlanders en wel met dien van de

Franschen, die in Amersfoort verblijf hielden van 8 Juni 1672 tot

13 November 1673. Onder al de oorlogsrampen ook nog uitgelachen te

worden door de vroolijke Franschen, dat was te erg, en de steen des

aanstoots werd op bevel van den magistraat weggeruimd en, daar vervoer

te moeilijk was, liet men hem zinken.

Wie in Amersfoort vertoeft, gaat nu den herplaatsten steen natuurlijk

zien, en een paar andere merkwaardigheden, die hem niet zullen ontgaan,

zijn de Lieve-Vrouwentoren en de Koppelpoort, echte oude monumenten

van het verleden. De toren is 92½ meter hoog en doet denken aan den

dom van Utrecht, maar hij is sierlijker en maakt meer den indruk

van rankheid. Hij dateert uit de eerste helft der 15de eeuw en heeft

behoord bij een kapel, waarmee hij door middel van een gemetselden

boog over de straat was verbonden; maar die kerk, die de gewone

geschiedenis van zooveel kerkgebouwen in ons land had, van eerst

door de Katholieken, later door de Hervormden te zijn gebruikt, werd

nu juist een eeuw geleden gesloopt en de prachtige gothische toren

overleefde het gebouw, waarbij hij had behoord.

Niet minder oud en interessant is de Koppelpoort, de laatst

overgeblevene der eens zoo talrijke poorten, die de stad moesten

verdedigen. Langzamerhand was de eene poort na de andere onder de

hand van den slooper gevallen, en hetzelfde lot dreigde ook de

Koppelpoort, maar de herlevende liefde voor onze oude gebouwen,

die zich in de tweede helft van de vorige eeuw deed gelden, strekte

haar beschermende hand over die mooie poort en haar omgeving uit;

er werd een kapitaal bijeengebracht voor de restauratie, en een van

Amersfoorts fraaiste merkwaardigheden is erdoor behouden gebleven.

Mooie oude gevels is de stad rijk in de Muurhuizen en een overblijfsel

van den ouden stadsmuur is bewaard gebleven in twee oude torens, door

een hooge steenen brug over het water verbonden, het Monnikendam. Van

die antieke waterpoort heeft men een mooi, ruim uitzicht, maar voor

bekoorlijke vergezichten moet men zijn op den Amersfoortschen berg,

waar bij voorbeeld bij het Paviljoen een verrukkelijk panorama te

bewonderen valt. Ook van het hotel De Berg heeft men van de veranda bij

de ruime bovenzaal een aardig kijkje, zoo ruim, dat men bij gunstig

weer de schepen op de Zuiderzee kan onderscheiden. Schilderachtig

kronkelt de Eem door de weilanden, en duidelijk onderscheidt men de

torens van Soest, Baarn, Hilversum en den watertoren bij Laren.

Is dit reeksje van namen niet genoeg aanwijzing, in welk een schoone

omgeving Amersfoort is gelegen? Denkt men, dat de Vuursche en Soestdijk

en huis ter Heide alle in de buurt te vinden zijn, dat de Pyramide van

Austerlitz, het doel van zoo menig uitstapje, gemakkelijk te bereiken

is langs een grintweg door de hei, dat de buurtschap Oud-Leusden maar

een stapje is, waar groote landgoederen als de Treek, de Heiligenberg,

Lokhorst, Zwanenburg e.a. liggen met de heerlijke wandelingen, dan

kan ieder begrijpen, hoe bevoorrecht Amersfoort is uit het oogpunt

van het bezit van natuurschoon.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 178 / 353 题