KERBELA, HET TWEEDE MEKKA.

Den 3den van de maand Moharram, ongeveer gelijk met onze maand Maart,

gaat een groot deel van de mohammedaansche wereld uit Perzië en den

Kaukasus, uit het verre Indië en uit Midden-Azië op ter bedevaart

naar een plaats in Perzië, het oude Kerbela, war ze hun godsdienstige

plechtigheden vieren bij het graf van Hussein, den kleinzoon van

Mohammed. Het zijn de Sjiïeten, die aan deze feesten deelnemen, zij,

die zich als afzonderlijke afdeeling in de muzelmansche wereld altijd

hebben staande gehouden tegenover de Sunnieten, de oudere richting.

Men neemt wel eens aan, dat de godsdienst van Mohammed zijn aanhangers

volkomen afkeerig maakt van al, wat naar liberalisme zweemt. Toch

ziet men zeer geloovige Mohammedanen in de beste verstandhouding

met ongeloovigen verkeeren, en de triomfen van het modernisme in

Konstantinopel en overal, waar Jong-Turken wonen, bewijzen wel,

dat de Islam geen beletsel is voor de nieuwere ideeën. Maar als

men die Mohammedanen ontmoet, die zoo liberaal zijn, dan is het

honderd tegen één, dat het Sunnieten zijn, wier ruimere opvatting,

inschikkelijkheid en beminnelijkheid, als men het zoo mag uitdrukken,

een scherpe tegenstelling vormen met het fanatisme der Sjiïeten.

Hoe kon Hussein die secte stichten? Hij deed het door zijn dood

bij Kerbela, waaromheen de volksfantasie veel wonderen heeft

gegroepeerd. Mohammed, de Profeet, was op 8 Juni 632 gestorven, zonder

rechtstreeks een opvolger te hebben aangewezen. Zijn schoonvader en

vriend Aboe Bekr werd tot des profeten plaatsvervanger, tot khalief,

gekozen, en Ali, neef en schoonzoon van Mohammed, wiens dochter Fatima

hij had getrouwd, werd voorbijgegaan. Nog tweemaal moest deze voor

anderen wijken; Omar en Othman, beiden vrienden en medestanders van

Mohammed, werden tot het khalifaat verheven, vóór Ali tot khalief

werd uitgeroepen. Toen hief Moawiah, de stadhouder van Syrië uit

het geslacht der Omayaden, de vaan van den opstand omhoog; Ali werd

vermoord en Moawiah behield de alleenheerschappij.

Doch Ali had zonen nagelaten, en om hen schaarde zich de partij, die

al spoedig als de partij der Sjiïeten bekend en geducht werd. Hassan,

Ali's oudste zoon, zag van zijn aanspraken af en vestigde zich te

Medina, waar hij aan vergif stierf; maar zijn ridderlijke broeder

Hussein weigerde na Moawiah's dood diens zoon Jezid te erkennen en

waagde een poging, om met behulp van zijn aanhangers in het Westen

van Perzië, in de provincie Irak, den troon voor zijn geslacht te

herwinnen. De poging mislukte; de in stilte voorbereide opstand werd

verijdeld, en in Irak met zijn getrouwen aangekomen, werd de edele

Hussein door een overmacht omsingeld en viel in de vlakte van Kerbela

onder de pijlen der Moslims.

Een gansche sagenkring omgeeft de martelaren, die bij Kerbela

vielen. In Perzië vonden die Aliden van den beginne af hun sterksten

en trouwsten aanhang, en nog verfoeien de perzische Sjiïeten

Aboe Bekr en Omar en Othman en de Abassiden als troonroovers en

overweldigers; nog wordt jaarlijks het Moharramfeest gevierd, het

groote, nationale treurfeest ter herinnering aan den dood van Ali's

zoon Hussein. Duizenden trekken ter bedevaart naar zijn graf en laten

zich, als hun tijd is gekomen, begraven in dien gewijden grond,

waar achttien leden uit de familie van den Profeet waren gevallen

en twee-en-zeventig discipelen. De moord dier martelaren heeft van

Kerbela het heiligdom van Sjiïsme gemaakt.

De stad ligt in de schaduw van palmen aan een zijtak van de Euphraat;

men ziet bij de nadering boven dadels, populieren en wilgen de koepels

der moskeeën en de spitse minarets uitsteken in een glans van goud

en edelgesteenten. Als de tijd der bedevaarten voorbij is, sluimert

Kerbela weer in met de nauwelijks 15000 inwoners.

Maar wat een leven en beweging in den bedevaartstijd! Jammer, dat

die ontsierd wordt door de gruwelijke tooneelen van bijgeloovige

boetedoening, als de dweepzucht en de exaltatie der opgewonden

menigte ten top stijgen. De helden van het geloof laten zich een

deel van het hoofd kaal scheren, omhullen zich met het wijde, witte

gewaad en brengen zich dan met een sabel bloedige wonden toe. In den

hof der moskee is intusschen de menigte samengestroomd en ziet toe,

hoe het bloed stroomt langs de hoofden, hoe het de oogen verblindt,

de kleederen rood verft, terwijl maar altijd de opgeheven hand

nieuwe slagen toebrengt. Dat geschiedt onder gezang en gebed, en de

afgrijselijke marteling wordt volgehouden, zonder dat iemand van de

duizenden moeite doet, er een eind aan te maken. Er vallen sommigen

bij neer om niet weer op te staan, en dadelijk is er een doodkist

bij de hand voor het slachtoffer van geloofsijver, dat als een held

zal worden gevierd.

De Sjiïeten hebben niet altijd in Kerbela zoo vrij hun kerkelijke

plechtigheden kunnen vieren als tegenwoordig. De abassidische khaliefen

hebben al het mogelijke gedaan, om hen tegen te werken, opdat niet

naast Mekka een mededingster van die heilige plaats zou opkomen. Maar

niets kon den ijver der volgelingen van Hussein fnuiken, en hun

volharding boezemde zelfs hun tegenstanders eerbied in. De vrijheid

van de uitoefening van hun godsdienst is hun voortaan gewaarborgd,

ook die voor de gruwelijke uitspattingen, waartoe dat geloof hen voert.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 163 / 353 题