In La Vie à la Campagne schetst een eigenaar van een jachtluipaard
of guepard, de heer H. Crépin, zijn ervaringen met dat toch altijd
verscheurende dier, dat feitelijk zoo tam kan worden en van aard
zoo goedig is als onze gewone huisdieren, gevogelte en schapen niet
uitgezonderd. Zooals herten en reeën graag geziene gasten zijn in
groote parken, zoo zou men daar ook zeer goed den jachtluipaard,
Cynailurus, kunnen houden.
De Cynailurus guttatus van den heer Crépin is uit Afrika afkomstig;
hij was bewoner van de woestijn ten zuiden van Algerië. Andere
soorten komen in West-Azië voor en zijn als tsjita's bekend, terwijl
de Afrikaansche jachtluipaard ook fahhad wordt genoemd. Het zijn
dieren, die tusschen de katten en de honden in staan; het latijnsche
woord beteekent "hondskat". De oranjegele huid draagt zwarte vlekken,
en de ronde kop en lange staart doen aan het hondengeslacht denken,
maar de allures, bewegingen en neigingen tot spelen; het spinnen of
snorren, dat het dier graag doet, is volkomen katachtig.
Door de hoogte van de pooten staat hij dicht bij den hond, en ook
de nagels zijn maar weinig ingetrokken en dus stomp geworden en
onschadelijk als bij de honden; maar een enkele gekromde klauw aan
den binnenkant van elk der achterpooten is nog zeer scherp en raakt
nooit den grond.
Het exemplaar, waarvan de heer Crépin vertelt, is een wijfje
van twintig maanden, op den leeftijd van eenige weken gevangen en
grootgebracht in den Soedan. Sedert vier maanden had de eigenaar het
nu in Frankrijk en hij en de zijnen hebben al veel genoegen van het
dier beleefd, al blijft het een huisgenoot, waar eenige voorzichtigheid
mee moet worden betracht.
Het maakt volgens den schrijver een paar kenmerkende geluiden, hoewel
er gewoonlijk niets van hem is te hooren. Het eerste is een scherp
gekrijt, als hij zich verveelt, hoog en kort als van een vogel,
en als hij bang is, hoort men een licht gebrom.
In wilden staat leeft de jachtluipaard van kleine herkauwende dieren,
die hij met verbazende slimheid besluipt en daarna omverwerpt, om
zich aan het bloed tegoed te doen. Den mensch zal hij niet aanvallen,
al wordt hij wel gevaarlijk, als hij vervolgd wordt of gewond is. Die
besliste jachttalenten hebben deze soort van luipaard al vroeg doen
africhten voor de jacht op de manier, waarop valken worden gebezigd
als hulp van den mensch bij de vogeljacht. In het heele Oosten en in
Britsch-Indië neemt de jager het dier, aan een dunne lijn bevestigd,
mee naar het jachtveld op een lichte, tweewielige kar, houdt eerst den
kop van het dier bedekt en tracht zoo dicht mogelijk bij het jachtwild
te komen, bij voorbeeld een kudde gazellen of antilopen. Dan neemt de
jager het dier den kap van het hoofd en maakt hem opmerkzaam op het
wild, waarop de oude hartstochtelijke jachtlust ontwaakt, en list en
geslepenheid te hulp komen. Met eenige sprongen is het dier bij zijn
prooi, die hij bij den hals grijpt en op den grond drukt. De jager
snelt toe, maakt de prooi af, geeft het roofdier van het bloed te
drinken en schuift 't dan weer den kap over den kop.
Brehm, die door den franschen schrijver ook wordt aangehaald, zegt, dat
geen enkel lid der kattenfamilie beter in staat is, zich de genegenheid
van den mensch te verwerven dan de jachtluipaard, die goed is van
vertrouwen en zacht van aard als hij getemd is, en wiens gemoedelijke,
droomerige stemming alleen verstoord kan worden door de nabijheid van
andere roofdieren. Ook de huisdieren moeten voorzichtig zijn met hem,
en het heet, dat alleen het zien van een hond zijn woede kan gaande
maken. Maar de fransche schrijver laat het wijfje van twintig maanden
vrij rondloopen in een tuin in gezelschap met twee wijfjeshonden,
een grooten Deenschen hond en een kleinen fox-terrier.
In het begin was de verhouding wel een beetje gespannen. Telkens
vloog de luipaard op den Deen toe, blijkbaar met het plan, om met
hem te spelen; maar de bruuskheid van zijn bewegingen werd verkeerd
uitgelegd door den grooten hond, die meende, dat een aanval bedoeld
was, en die met een knauw antwoordde, waaraan de luipaard zich met
een grooten sprong moest onttrekken. In die omstandigheden was hij
zoo onder den indruk gekomen van de tanden van den hond, dat hij den
ander langen tijd niet anders durfde naderen dan van achteren en,
zachtjes dichterbij komend, zóó, dat hij weg kon komen in minder tijd,
dan de tegenstander behoefde om zich om te keeren.
Langzamerhand leeren de dieren elkaar echter verstaan; de luipaard
blijft onstuimig, maar de hond is niet meer vijandig en ze zijn in de
beste verstandhouding, wandelen samen en slapen naast elkaar. Wordt
de luipaard wat al te ondernemend, dan is een gegrom van den hond,
onderstreept door een schuinen blik, voldoende om hem tot kalmte te
brengen. Mocht die waarschuwing niet door een onmiddellijk resultaat
worden gevolgd, dan behoeven de tanden zich maar even te vertoonen,
en de luipaard is tot rust gebracht. Ze vechten nooit meer, zelfs niet
aan den gemeenschappelijken schotel, waaruit de hond gulzig slobbert,
terwijl de luipaard kleine likjes neemt, steunend op de ellebogen op
de manier van katten.
Met de fox-terrier is de verhouding niet zoo goed. Die kleine vluggert
wijst stelselmatig alle toenadering af van een gezel, die met haar
wil spelen als de kat met de muis. Ze bijt van zich af en houdt den
grooteren makker op een afstand. Het is een merkwaardig en min of meer
verontrustend schouwspel, als het roofdier, dat zooveel grooter is,
op den kleinen hond toespringt, hem omverwerpt en als een bal tusschen
de pooten omdraait. Het hondje, dat zoowat driemaal zoo groot als
een rat is, weet zich dan los te rukken, springt den tegenstander
naar den kop en brengt hem totaal in de war, zonder hem echter in
het minst te deren of zelf maar een schrammetje op te loopen.
Tegen de menschen is Moustique, zoo noemt men in het gezin den
luipaard, alleraardigst; hij zoekt menschelijke aanraking, gaat
liggen aan de voeten van zijn meester of meesteres, wrijft zich aan
alle beenen en schuift als een poes langs de rokken der dames, met
hoogen staart en krommen rug en onder een gezellig snorren of spinnen
van voldoening, en likt daarbij graag iemand de hand of het gezicht.
Met kinderen is hij het liefst en hij doet niets liever dan met hen
spelen, terwijl zijn onstuimigheid volkomen ongevaarlijk is, zelfs
met de allerkleinsten, op voorwaarde echter, dat hij geheel vrij wordt
gelaten in zijn bewegingen, zonder ketting of touw of halsband. Als men
hem vrijlaat in een park of een tuin, gaat het dier nooit ver van de
woning en komt er trouw terug op het uur der maaltijden. Hij maakt de
gasten vaak verschrikt door het open venster binnen te springen van
de eetzaal, als hij de tafel gedekt ziet; maar ieder wordt spoedig
met hem bevriend om zijn gezelligen, aanhankelijken aard.