Geen naam heeft sedert de laatste week van Maart luider door
de heele wereld geklonken dan die van den engelschen officier
E. H. Shackleton. Hij heeft in zake de poolvaart een bijzonder
knap stuk werk verricht, door in het Zuidpoolgebied ten zuiden van
Nieuw Zeeland veel verder door te dringen dan nog aan iemand vóór
hem was gelukt. Nieuwe landen en nieuwe zeeën heeft hij dus aan
onze kennis der aarde toegevoegd, en de gansche wereld heeft, na
van dat feit telegrafisch in kennis te zijn gesteld, hem hartelijk
toegejuicht. Een nieuw gebergte, dat hij ontdekte, wenschte hij naar
Engelands koningin het Alexandra-gebergte te noemen, en koning Eduard,
die te Biarritz vertoefde, heeft in een telegram, dat in de engelsche
bladen is gepubliceerd, den ontdekkingsreiziger de gevraagde machtiging
verleend. Echt aartsvaderlijk, zou men zoo zeggen, moet het toegaan
bij het echtpaar op den engelschen troon, als zijn machtiging voor
zoo iets gevraagd en ontvangen moet worden, en er daarbij van de hare
heelemaal geen sprake is.
Shackleton was in 1907 zijn tocht begonnen en is over Victorialand
doorgedrongen tot op 178 kilometers van de Zuidpool. Dat hij zulke
prachtige resultaten heeft bereikt, is best te begrijpen, nu hij
het goede uitgangspunt schijnt te hebben getroffen, om over het
zuidpoolvasteland met sleden en honden te vorderen. Een eerste stap
in die richting was al in 1902 gedaan door den engelschen kapitein
Scott, aan wiens expeditie toen luitenant Shackleton deelnam, zoodat
hij nu ten tweeden male den voet zette op de onmetelijke ijsvelden,
die vlak en effen zich vóór hem uitbreidden, tot den voet van hooge
bergen aan den horizon.
Het had Scott indertijd aan vervoermiddelen ontbroken, om verder
te kunnen gaan, aan honden, zoowel als aan sleden. Dezen keer kon
Shackleton een aanval wagen met overvloed van beide, maar tevens met
automobielsleden. Op zijn schip, de Nimrod, zette hij op 30 Juli 1907
koers naar het Zuiden en in het begin van 1908 was hij op Victorialand,
in de haven, waar de Scott-expeditie had overwinterd van 1902 tot 1904.
Op 3 November, midden in den antarctischen zomer dus, ging de leider
zuidwaarts met drie metgezellen en levensmiddelen voor negentig dagen
op door poney's getrokken sleden. Drie en twintig dagen na het vertrek
overschreden ze het punt, door Scott in 1902 bereikt. Verderop was de
weg uiterst moeilijk, bergketenen en spletenrijke gletschers versperden
den weg bij een kou van soms 40 graden onder nul. De voorraad slonk en
de dagporties moesten worden verminderd, maar de onderzoekers hielden
moed; eerst op 88 graden, 23 minuten Z.B. en 162 graden O.L. gaven
ze het op, nog maar 178 kilometers van de Zuidpool verwijderd. Er is
nog nooit een zoo groote triomf in de poolwereld behaald, en het moet
een indrukwekkend oogenblik zijn geweest, toen op den 1sten Maart
j.l. de mannen zich bij de anderen in het winterkwartier voegden,
teruggekeerd van den bezwaarlijken tocht. Vier maanden had hun
gletscherreis geduurd.
Nog een succes kan de expeditie boeken, want een afdeeling van
het gezelschap heeft naar het Noordwesten een merkwaardigen tocht
volbracht door het bereiken van de magnetische zuidpool op 72 graden,
25 minuten Z.B. en 154 graden O. L. Aan mandsjoerijsche poney's moet
men op de reis veel hebben gehad, vooral op den gletscher, waar de
autosleden het niet zoo goed konden bolwerken.
Toen de Nimrod in Nieuw Zeeland terug was, kon eerst van het heugelijke
nieuws iets in de beschaafde wereld bekend worden. De Mac Murdobaai
aan den voet van den Erebus is de overwinteringsplaats geweest,
waar de Nimrod de ontdekkers verliet, en van waar het schip hen
weer heeft afgehaald. De drie, die den luitenant vergezelden op
den verren tocht naar het Zuiden, waren de kartograaf Marshall, de
geoloog-meteoroloog Adams en Wild. Kritieke oogenblikken zijn door
hen allen doorleefd. Eere aan de moedige pioniers!