IN INDIË NAAR DE MIDDELEEUWEN VERPLAATST.

Engeland is nu vijftig jaar lang de rechtmatige bezitter van

Voor-Indië; een halve eeuw geleden deed de machtige engelsche

oost-indische Compagnie afstand van haar rechten ten behoeve der

britsche regeering. Hoewel de officiëele engelsch-indische wereld den

gewichtigen datum plechtig heeft gevierd, kan men niet zeggen, dat

overal de herdenking naar wensch is afgeloopen, want de bengaalsche

oproerlingen hebben den dag op hun manier herdacht, namelijk door

ambtenaren te dooden of hun huizen met dynamiet te doen springen en

door openbare tegen Engeland gerichte betoogingen.

Met zijn 300 millioen inwoners, onder wie 700 verschillende talen

en dialecten worden gesproken en die een twintigtal onderscheiden

godsdiensten belijden, blijft Indië steeds voor den volkenkundige en

den philosofisch aangelegde het voorwerp van boeiende studie. Het is

een wereld op zichzelf, en men kan er de stadia aantreffen van velerlei

beschavingen, liggend tusschen de beide uitersten, de wildheid van de

Karoemba's uit de Nilgiribergen, die nog in het steentijdperk leven,

en het hof van den ghikwar van Baroda, den souverein, die zijn juweelen

verpandt, om de scholen voor hooger onderwijs, die hij in het leven

heeft geroepen, in stand te houden.

Het vorstendom Gwalior is een der tusschenliggende schakels. Het is een

der voornaamste leenstaten, die nog een schijn van onafhankelijkheid

genieten. De bevolking is bijna drie millioen zielen sterk en bestaat

zoo goed als uitsluitend uit dat oorlogszuchtige ras van de Mahratten,

dat zegevierend streed tegen de mohammedaansche overheersching

en een machtig rijk stichtte in het midden en het Zuiden van het

schiereiland. Het zou inderdaad te zijnen voordeele het rijk van den

Grooten Mogol weer hebben doen herleven, als niet Engeland met succes

de verovering van geheel Indië had ondernomen.

De regeerende maharadja, de Sindhia van Gwalior, werd in 1877

geboren. Zijn vader maakte met de Engelschen gemeene zaak bij den

opstand der Cipayers en werkte mee aan de volledige neerlaag van Nana

Sahib, den dapperen Mahrat. De jonge vorst was even Engelschgezind

als zijn vader en werd ter belooning voor zijn beproefd royalisme

gemachtigd, om een legercorps van 4000 man onder de wapens te houden,

die naar europeeschen trant zouden worden gedrild en deel zouden

uitmaken van het inlandsche leger, de »Imperial Service Troops«. Het

contingent van Gwalior is daarin het sterkste.

Buitendien recruteert de Sindhia onder zijn adel een klein legertje,

zooals alle leenvorsten bezitten, dat enkel dient, om het prestige van

het hof te vergrooten. Engeland zorgt er wel voor, dat die schimmen

van legers niet meer worden dan paradetroepen; ze mogen geen kanonnen

hebben, zelfs geen moderne geweren, en nauwelijks jachtwapens.

Maar wat die inlandsche legers in kracht en geoefendheid missen, dat

winnen ze aan schoonheid en schilderachtigheid. Toeristen, die zich

in Gwalior hebben opgehouden, nemen er een onvergetelijken indruk van

mee, vooral als hun bezoek samenvalt met een tijdstip van feesten,

als de Sindhia, wiens paleis een paar uur van de stad is verwijderd,

zich erheen begeeft met groote staatsie, gezeten op een reusachtigen,

prachtig opgetuigden olifant, onder geleide van gewapende krijgers

en gevolgd door een rijke koets, waarin de familie en de gasten

zijn gezeten.

Als die enorme dikhuiden geen deel hadden in de vertooning, zou

men zich in de Middeleeuwen verplaatst kunnen wanen, den tijd

der Kruistochten! De weelderig gedrapeerde krijgslieden in hun

met juweelen en diamanten versierde mantels, die voetknechten in

ijzeren wapenrusting of in maliënkolders, dat zijn de Middeleeuwen,

overgebracht in de twintigste eeuw. Een historieschilder zou daar

zijn motieven kunnen gaan zoeken.

Maar hij moet zich haasten, als hij nog tijdig in Gwalior wil

werken. Dat oude Indië is ook al bezig te verdwijnen. De radja's der

jongere generaties worden in Engeland opgevoed en ze stellen er een

eer in, up to date te wezen, zich zelfs ultra modern te toonen, en zoo

deinzen ze er niet voor terug, hun heerlijke perzische en arabische

hengsten te verkoopen, en hun stallen te veranderen in garages voor

auto's! En zoowel uit spaarzaamheid, als uit navolgingszucht vervangen

ze de prachtige costumes van hun lijfwacht door het banale kaki van

de troepen uit Calcutta.

In hun gevolg ziet men dan geen rijk opgetuigde olifanten meer met

harnachementen vol goudborduursel en met banden van kostbare steenen om

de kolossale pooten! Dat is alles ouderwetsch, vieux jeu! De radja uit

de 20ste eeuw geeft de voorkeur aan het nieuwste model van 24 P. K.!

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 105 / 353 题