Tijdens de reis van staatssecretaris Dernburg naar de duitsche
koloniën in 1908 schreef de particuliere correspondent van de Deutsche
Kolonialzeitung, Dr. Oskar Bongard, die Dernburg vergezelde, uit
East-London o.a. over de struisvogelteelt in Zuid-Afrika. Hij wees
erop, hoe de struisveeren een der voornaamste uitvoerartikelen uit
Zuid-Afrika zijn. Voor 37 millioen mark werd in 1907 uitgevoerd. Het
district Oudtshoorn in de Kleine Karroo ver in het Zuiden der
Kaapkolonie is als het middelpunt der teelt te beschouwen. Het aantal
der daar gehouden vogels komt de honderd duizend nabij. Over Mosselbaai
zijn in 1907 voor 16 millioen mark uitgevoerd, die voor het grootste
deel uit Oudtshoorn afkomstig waren. Daarbij komen nog de veeren,
die over Port Elisabeth, den hoofdzetel van den struisveerenhandel,
naar Londen gingen.
In Duitsch Zuidwest-Afrika was men voordat de opstand uitbrak, met
struisvogelteelt begonnen, daar de vogel er in het wild voorkomt en
de toestanden sterk met die van Britsch Zuid-Afrika overeenkomen;
maar de oorlog heeft aan dat werk een einde gemaakt. Tegenwoordig
begint men weer opnieuw, zoodat de Duitscher het niet ondienstig vond,
Oudtshoorn te gaan bezoeken. Hij vond er uitgestrekte vlakten door
draad afgezet, waarbinnen de dieren aan het weiden waren. In kleinere
vakken waren ze naar den leeftijd gescheiden.
De dieren maken een indruk van belachelijkheid, als ze met hun grooten
snavel en de groote oogen, die in den kleinen kop haast geen ruimte
laten voor de hersens, trots draaiend rondstappen.
De mannetjes zijn vaak kwaadaardig, en dan moet men op zijn hoede
wezen; vooral in den paartijd leveren ze gevaar op voor wie te dicht
bij hen komt. Oudtshoorn beleeft thans zijn tweede periode van bloei
der struisvogelteelt. In 1880 was de eerste gunstige tijd, waarbij in
de Kaapkolonie reuzensommen ermee werden verdiend. Velen werden toen
beoefenaars van het eenvoudige bedrijf; maar twee jaren later sloeg
de mode om; de dames gaven de voorkeur aan andere hoedversieringen,
en men had overproductie.
In Oudtshoorn wendde men zich weer tot den tabaksbouw, waar veel
aan werd gedaan vóór de hausse in de struisveeren. Eerst tien
jaren later begon men de teelt der groote vogels weer ijveriger te
beoefenen. Een crisis, als men in dien tijd beleefde, is thans niet
weer te verwachten, want terwijl men in die dagen de veeren enkel
als hoedversiering bezigde, worden ze nu ook gebruikt voor boa's,
waaiers en garneering van gekleede japonnen. De veeren zijn ook door
de tegenwoordige behandeling zoo mooi geworden, dat ze wel nooit
geheel uit de mode zullen raken.
Bij de teelt wordt er veel aandacht aan geschonken, dat
alleen de vogels met de beste veeren voor de voortteling worden
gebruikt. Daardoor en door geschikte voedering is men tot veredeling
der struisen gekomen en heeft men mooie resultaten bereikt. Terwijl
een gewone struisvogel kan gekocht worden voor zestig tot honderd
mark, kost tegenwoordig een paar goede struisen voor de teelt 3000
tot 4000 mark. De voedering is natuurlijk een zaak van belang, en zij
kan enkel daar goed geschieden, waar water aanwezig is. Lucerne wordt
op alle struisenhoeven verbouwd, en de vogels weiden erin, waarna het
hooi in den drogen tijd, als de vogels geen voedsel meer vinden, als
voeder wordt gegeven. Ook maïs en twee soorten van cactussen worden
voor hetzelfde doel gebruikt.
Het is in Oudtshoorn duidelijk te merken, dat water de eerste
voorwaarde is voor de struisenteelt, want langs de Olifantsrivier staat
de eene farm naast de andere, alle met aanleg van waterleidingen,
door de rivier gevoed, en als men er een oogenblik vertoeft, krijgt
men duizenden vogels te zien. Voor het land daar worden de hoogste
prijzen betaald. Aan de hoeven grenzend, ligt aan den rechterkant
van de rivier een golvend terrein, waar men tot nog toe geen water
heeft geboord. Het ligt verlaten en ongebruikt en is voor den verkoop
waardeloos. De boeren, die de teelt ter hand hebben genomen, zijn
bijna allen rijk geworden.
Gemiddeld worden de vogels alle zeven of acht maanden geplukt. Ze
worden in een hoek gedrongen, tot ze zich niet meer bewegen kunnen;
dan wordt hun een soort van kous over den kop getrokken en het plukken
der staart- en buikveeren kan gebeuren. Daar men de veeren goed laat
uitrijpen, zitten ze betrekkelijk los. De vleugelveeren echter laat
men niet rijp worden, daar de vleugels dan te stevig zouden worden,
en de vogel, als hij zich neerzet, de stijve veeren aan de punten
zou beschadigen. Ze worden daarom halfrijp afgesneden.
Van het tweede jaar af draagt de mannelijke struisvogel zijn zwart en
wit kleed, terwijl het wijfje grijs blijft. Tot op dien leeftijd zijn
de dieren teer en gevoelig en er sterven veel jonge dieren. Gemiddeld
worden de vogels twintig jaar; van het tweede jaar af is de waarde der
veeren, die van een goeden vogel bij elk plukken worden verkregen,
80 tot 100 mark, dus ongeveer 140 mark per jaar. Port-Elisabeth,
dat men van Oudtshoorn uit met den spoorweg in achttien uren bereikt,
is de grootste uitvoerhaven van veeren en wol.
Bij het koopen van struisveeren moet men erop letten, dat de
veeren mooi breed zijn en van boven niet te spits toeloopen. Goede
veeren moeten aan den top breed wezen en daar zich iets naar beneden
buigen. Als er lichte strepen door de veeren loopen, zijn ze beschadigd
en de afzonderlijke veertjes zullen op die plaatsen licht afbreken.
De kiel mag niet te dik, maar moet wel veerkrachtig zijn, en de
afzonderlijke veertjes moeten dicht naast elkaar langs de kiel staan
en met dicht dons zijn bedekt. Ook op den graad van witheid moet bij
de veeren worden gelet. Grijze veeren zijn gemiddeld half zooveel
waard als witte van dezelfde qualiteit.
In het groot worden de veeren alleen naar het gewicht verkocht. Voor
een veer op een dameshoed, zooals ze wordt gedragen, gebruikt men
gewoonlijk twee veeren. De prijs in het groot is twaalf tot vijftien
mark per stuk, maar van tweede qualiteit, die ook nog zeer mooi zijn,
worden voor zeven of acht mark verkocht. Uit Gobabis in Duitsch
Zuidwest-Afrika worden veeren van wilde struisen naar Port-Elisabeth
geleverd.
In den laatsten tijd is de prijs der veeren sterk gedaald evenals
met de wolmarkt het geval is. De amerikaansche geldcrisis moet er de
oorzaak van wezen; in alle werelddeelen bespeurt men de gevolgen. De
duitsche schrijver wijst er aan het slot van zijn artikel op, dat men
in de duitsche kolonie alleen daar de teelt met succes zal kunnen
beginnen, waar voldoende water ter beschikking is, en dat men er
vooral geen te groote verwachtingen van moet hebben.
Het verbruik van struisveeren is beperkt en is afhankelijk van
de mode. Drie vierden der consumptie wordt nu al gedekt door
de engelsche koloniën in Zuid-Afrika en de overproductie evenals
wisseling in de mode zullen altijd van tijd tot tijd dalingen van
de prijzen bewerken. De struisenteelt is zoo eenvoudig, dat ze zich
onwillekeurig steeds uitbreidt, zoolang de markt goed is, wat ten
slotte spoedig tot overproductie leidt.