Fritz Mielert, die in het jaar 1907 een reis door Servië deed, spreekt
in zijn reisverhaal van den grooten droom der Serviërs, om het oude
Servische czarenrijk uit de Middeleeuwen te herstellen. Den nooit
vergeten heldenkeizer, czar Stephan Doesjan, halen zij zich daarbij
voor den geest, den dappere, die van de twisten in Byzantium gebruik
maakte, om Zuid-Macedonië, Thessalië, Albanië en Epirus te veroveren en
die van 1331 tot 1355 regeerde. Een zoo uitgestrekt gebied, als Servië
toen besloeg, zouden de Serviërs weer het hunne willen zien, en daarom
is het hun een gruwel, dat de Donau-monarchie Bosnië en Herzegowina nu
wel voor goed in bezit heeft gekregen. Maar de nationale eerzucht van
het volk houdt in het geheel geen gelijken tred met hun ontwikkeling,
en er is weinig kans, dat de volksdroom ooit zal worden verwezenlijkt.
Toch is de beweging voor een groot zuid-slavisch rijk in den
allerlaatsten tijd weer veel levendiger geworden en de propaganda
ervoor is met kracht ter hand genomen in alle landen, die voor een
vereeniging tot zoo'n groot geheel in aanmerking komen, dat zijn de
streken, waar veel Serviërs wonen, namelijk niet alleen Servië, maar
ook Bosnië, Herzegowina, Montenegro, Dalmatië, Kroatië en Slavonië. Op
den 15den Januari van dit jaar is zelfs een proces wegens hoogverraad
begonnen tegen 55 aangeklaagden, voor welk proces niet minder dan
276 getuigen zijn opgeroepen. De aangeklaagden worden beschuldigd
van zoowel in het openbaar als in het geheim te hebben getracht,
door middel van een burgeroorlog of een omwenteling de koninkrijken
Kroatië, Slavonië en Dalmatië en de provincies Bosnië en Herzegowina
uit het verband der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie los te maken,
zoodat ze schuldig staan aan hoogverraad.
De Groot-Servische propaganda heeft den steun van kerk en
school in Servië. Zij schijnt zich te vereenzelvigen met het
Grieksch-Katholicisme, heeft de pers op haar hand en vindt geen
geringen steun bij het hof, zoodat door dit alles de zaak voor
Oostenrijk er niet rooskleurig uitziet. Door boeken en kleinere
geschriften en door lezingen maakt de vereeniging »Het Slavische
Zuiden« in de genoemde oostenrijksche provincies propaganda voor de
stichting van een nieuw groot servisch rijk en voor verjaging van
de Oostenrijkers.
Het omvangrijke bewijsmateriaal maakt, dat het proces waarschijnlijk
lang zal duren, en de openbare behandeling voor de rechtbank zal eerst
recht de aandacht van Europa op deze oostersche quaestie vestigen.
Intusschen mag Servië zelf wel ijverig zich inspannen, opdat de
beweging dat land niet over het hoofd groeie, want met Bulgarije en
Roemenië vergeleken, is Servië nog wel veertig of vijftig jaren ten
achteren, eigenlijk op alle gebieden. Het is op Montenegro na het aan
spoorwegen armste land van het Balkanschiereiland. Het is gebleven
bij de hoofdlijn Belgrado-Vranja-Konstantinopel met den zijtak naar
Ristovatz-Saloniki en de beide noordelijke lijntjes Lapovo-Kragoejewats
van 30 en Palanka-Semendria van 40 kilometer. Nog altijd blijven de
kleine harige paardjes en de zware, schrikkelijk knarsende ossenkarren
het eenige vervoermiddel voor groote vrachten. Personen worden door
huurrijtuigen of door de ouderwetsche wagentjes zonder veêren van de
Serviërs vervoerd.
Toch zijn er genoeg vruchtbare streken, die de openstelling
door spoorwegen waard zouden zijn; maar voorloopig moet men het
met gewone wegen en dan nog wel gebrekkige stellen. Industrie en
handel beteekenen zeer weinig, en zoo maakt het een dwazen indruk,
dat de trotsche Serviërs zoo vaak schouderophalend van die »domme
Duitschers« spreken, terwijl ze voor zoo'n groot deel van den invoer
uit Duitschland en Oostenrijk afhankelijk zijn. Voor het handwerk
trekt de echte Serviër den neus op en veel handwerkers behooren tot
andere volksstammen, zoo zijn er de metselaars allen Roemeniërs,
de smeden Zigeuners en zoo meer.
Wat de kleederdrachten aangaat, wordt men meer modern, vooral in de
hoogere standen en de rol, die de vrouwen in huishouding en staat
spelen, wordt ook minder turksch dan tot voor korten tijd nog het
geval was en krijgt, zooals trouwens ook in Konstantinopel, meer een
europeesch karakter.
Ook de landbouw is in Servië achterlijk, en de steden met de
slecht geplaveide straten en de lage huizen maken een indruk van
groote achterlijkheid. De dorpen munten daarentegen vaak uit door
schilderachtigheid met hun witgekalkte huisjes, de op palen staande
voorraadsschuren, de vele vruchtentuinen en de kerkjes in het groen.
In het bergland kan men stuiten op prachtige ruïnen van de burchten uit
den heldentijd, op oude en nieuwe kloosters te midden van heerlijke
bosschen en op de verrukkelijkste natuurtooneelen. Het dal van
de Idar is daarvoor niet ten onrechte beroemd. Van de kloosters
is Studenitza bekend, waar de groote czar der Serviërs, Stephan,
Doesjan, in een zilveren sarcophaag rust, en Zica, waar de czaren
werden gekroond. Thans wonen in die kloosters eenige monniken, die
den roem van hun gastvrijheid en van hun uitstekende pittige dranken,
die ze zelf bereiden, handhaven.