DE MAMBÈRAMO.

In de jongste aflevering van het Tijdschrift v/h. Aard. Gen. trekt

vooral de aandacht het artikel van den afgetreden secretaris, den heer

G. P. Rouffaer, over de rivier de Mambèramo op Nieuw-Guinea, die aan

de noordkust uitmondt. De opvaringen van 1884, 1900 en 1906 worden er

in behandeld aan de hand van rapporten en bescheiden van deelnemers

aan die expedities, en aan het slot wordt de hoop uitgesproken,

dat er niet lang meer worde gewacht met een ernstig onderzoek van

den bovenloop, waar men op moeilijkheden stuit, die waard zijn,

met kracht en macht te worden overwonnen.

De eerste bevaring en verkenning had plaats in 1884 door het

gouv.-stoomschip Havik met den resident van Ternate van Braam Morris

aan boord; voor de tweede maal geschiedde een verkenning in 1900

door het s.s. Camphuys van de Paketvaart en eindelijk in 1906 door

het gouv. s.s. Brak met den resident Roos en kapitein Colijn aan

boord. Ieder maal echter stuitte een verder onderzoek van de rivier

af op de groote snelheid van den stroom, die boven een bepaald punt,

Havik-eiland, de pogingen om haar op te varen verijdelde.

De merkwaardige rivier doet ten volle haar naam Mambèramo of

"Grootwater" eer aan. Ondanks het vrij sterke verval en de massa water,

die zij aanvoert, wijzigt zij zich, in tegenstelling met andere groote

indische rivieren, al zeer weinig. Een tweede belangrijk punt is,

dat de stroombedding in hoofdzaak bestaat uit grint of hard zwart

zand; de Mambèramo is geen modderrivier zooals de meeste stroomen,

die naar de Z.-kust afvloeien, en slib is afwezig. De stoffen, die

van boven worden aangevoerd, zijn niet sterk verweerd, en pleiten

voor kristallijne moedergesteenten. Een onderzoek door een geoloog

van dit door den stroom medegesleurde materiaal is dringend noodig,

opdat men ten minste vooraf eenigszins wete wat er, zuidelijker op,

verwacht kan worden als formatie.

De stroom zelf is snelvlietend en beheerscht zoozeer met zijn zoet

water zijn eigen bedding, dat tot dicht bij den mond geen brak water

voorkomt; vandaar de sago-bosschen, die geen zilt kunnen velen,

tot dicht bij zee.

Bij het verst bereikte punt loopt de stroom met een snelheid van circa

4-1/2 mijl in het uur. Zoo sterk was hij, dat de barkas der Camphuys

alleen als ze voor een oogenblik goed stoom had, iets vooruitkwam;

zakte de stroom maar even, dan bleef de barkas op dezelfde plaats. Met

de Brak gebeurde hetzelfde.

De heer Rouffaer komt door samenvoeging der verschillende bestaande

gegevens tot de conclusie, dat de overgroote hoeveelheid regen en

sneeuwwater van het Sneeuwgebergte niet naar de Zuidkust afvloeit,

maar om de Noord en wel door den eenigen grooten stroom aldaar, de

Mambèramo. Deze is een zéér groote constante stroom, de "Rijn" der

Centrale Nieuw-Guineesche Alpen. Het heele jaar door gaat een constante

hoeveelheid water door een in hoofdzaak steenachtig bed. Neemt men

verder de breedte van de rivier in aanmerking, welke bij de monding

800 M. en bij het verst bereikte punt nog 400 à 500 M. bedraagt, dan

begrijpt men, dat de Mambèramo op zich zelf het ideale "groote water"

is om tot in het binnenland door te dringen.

Bij vele belangrijke voordeelen biedt het opvaren der Mambèramo echter

ook zeer ernstige nadeelen. Fnuikend op den lust om langs dien waterweg

te reizen, werkt het gevaar voor malaria en beri-beri, want de streek

is boven mate ongezond en alle drie de expedities hadden zeer veel

van deze ziekten te lijden. Zoo kreeg de kapitein der Camphuys er

beide ziekten, evenals de meeste inlandsche opvarenden, terwijl ook

stuurman en machinisten alle moesten worden vervangen, het schip moest

worden gedesinfecteerd. Ook de Brak deed soortgelijke ondervindingen

op, zoodat van de 27 man equipage er slechts 13 geschikt bleven, om

den dienst waar te nemen. De ongezondheid der streek schijnt ook te

blijken uit de buitengewone schaarschte der bevolking, welke laatste

gedurig afneemt.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 71 / 353 题