Al van oudsher vormt het winnen van zwavel op het enkel aan de randen
vruchtbare, maar in het bergachtige binnenland kale en steenachtige
Sicilië een hoofdbron van bestaan en is dikwijls het eenige, waardoor
de bewoners in hun levensonderhoud voorzien. Door de concurrentie van
de zwavel van elders was op het laatst der vorige eeuw de opbrengst
wel tot op de helft verminderd en in de laatste jaren is het er niet
beter op geworden, zoodat men wel mag zeggen, dat de zwavelwinning op
Sicilië in een toestand van crisis verkeert. In den voor het eiland
buitengewoon strengen winter van 1906 op 1907 hebben heftige regens
de mijnen ten deele onder water gezet, zoodat duizenden arbeiders
broodeloos werden en de toch al noodlijdende provincie er droevig
aan toe was.
De zwavelgebieden liggen in het Oosten van Sicilië aan den Etna,
waar Catania de hoofdzetel is van den uitvoerhandel voor zwavel, en
dan in het Zuiden bij Girgenti. Daar deed in 1907 luitenant-generaal
Von Hoffmeister op zijn terugreis van Tripolis en Tunis een tocht,
om de ruïnesteden en de zwavelmijnen te bezoeken, terzijde dus van
den toeristenweg, die zich tot de kuststreken bepaalt. Van Porto
Empedocles, de tegenwoordige haven van Girgenti, reed hij onder het
geleide van een duitsch ingenieur, op een smalsporig spoorlijntje,
dat hier en daar door den regen onderwoeld en losgespoeld was,
naar de zwavelmijn Lucia. Ze gingen langs den berg, waar de ruïnen
van Akragas heerlijke bruingele tempelgebouwen vertoonden, die zich
scherp afteekenden tegen het donkerblauw van den italiaanschen hemel
naar de tweehonderd meter hoog gelegen mijn.
De geur van bloeiende amandelboomen hing in de warme Maartsche lucht,
en de arbeiders, die in de kleine haven met bloote beenen zware
manden met zwavel in kleine booten droegen, waarmee het product
naar de verderaf liggende schepen werd overgebracht, zongen eentonig
zwaarmoedige liederen.
Toen men de mijn naderde, deed zich een sterke zwavellucht bemerken,
en langs een zwavelmolen kwam men aan de Luciamijn in een kaal dal. Er
stegen aan de grijswitte berghellingen rookwolken omhoog uit de
smelthutten of zwavelhoopen, de calcarone, en in het lichte gesteente
zag men hier en daar donkere openingen, de ingangen tot de mijn. Om
die openingen bewogen zich eenige tot het middel naakte mannen, die
de zwavel uit het binnenste van den berg naar de bergplaatsen voerden,
in manden gedragen of langs kleine hulpspoortjes. Uit de bergplaatsen
wordt de zwavel in de calcarone of smelthutten, eigenlijk groote
trechters, gebracht, die gemetseld zijn en waar de stof in lagen
gebrand wordt. Langzaam gaat het verbrandingsproces, en de vloeibaar
geworden zwavelbrij wordt door een onder in den trechter aangebrachte
opening afgetapt in rechthoekige bakjes van verschillende grootte,
verdeeld in vakjes van den vorm van een baksteen, waarin de stof
stijf wordt.
De bezoeker verwisselde zijn kleeding met een mijnwerkerspak
en daalde met zijn geleider in een kleine lift 150 meter naar
beneden. Vochtigwarme lucht maakte het ademen moeilijk. Beneden ging
het over een natten, glibberigen grond 1200 meter ver door een smalle
gang, waar men alleen gebukt doorheen kon en waar de gipswanden van
zwavelwater dropen.
Aan het eind gingen ze langs steile, uitgetreden en gladde trappen
naar een lagere gang zestig meter in een holte, waaruit een heete
lucht hen tegensloeg, en waar arbeiders met ontbloot bovenlichaam
het zwavelgesteente onder dof klinkend gehamer lossloegen. Onder
het moeilijke dalen schoven zonder woorden steeds naakte knapen hun
voorbij met kleine mijnlantarens, welker door damp omhulde vlammetjes
op dwaallichten geleken en op en neer dansten. Op de gebogen ruggen
sleepten ze de ongeveer veertig pond wegende zwavelblokken met eronder
gekruiste armen. Het waren de carusi, de jongens van 13 tot 17 jaar,
die er zooveel gebruikt worden. Zij zwoegden met hun last tegen de
glibberige treden omhoog naar de lange gang, waar een spoortje door
liep. Daar werden de lasten door mannen in ontvangst genomen en door
de spoor verder vervoerd dan wel erlangs gedragen naar den uitgang.
De arbeiders zagen er oud en vermoeid uit, en de knapen boden soms een
deerlijken aanblik aan, armoedig en slecht gevoed, als ze waren. Er
werkten ongeveer duizend mannen en tweehonderd jongens voor anderhalf,
twee tot drie francs dagloon bij een werkdag van acht uren, van 's
morgens zeven tot 's middags drie uur. Het meegebrachte eten gebruiken
ze in de mijnen. De verhouding van de arbeiders tot de bazen leek
goed, en de directeur vertelde, dat hij door de menschen streng,
maar met welwillendheid te behandelen, nooit moeite met hen had,
want dat ze als kinderen waren. Toen de bezoeker vroeg, of men de
jongens niet door machines kon vervangen, omdat er zooveel aan een
dergelijken kinderarbeid waren verbonden, werd er geantwoord, dat de
gezinnen de inkomsten niet konden missen, die de jongens inbrachten,
en dat het, hoewel zeker voordeeliger voor de exploitatie, te veel
misnoegen zou wekken, als men de carusi naar huis zond.
Den volgenden dag toonde het bezoek aan de mijnen van Giovanella
bij Castel Termini al geen vroolijker toestanden. Van het station
Campofranco op de lijn Girgenti-Palermo heeft men een eind bergop te
wandelen naar de 400 meter hoog gelegen mijnen. Die behooren aan een
fransch-italiaansche maatschappij. Zij hadden toen juist veel geleden
door hevige regens, en het werk stond stil omdat alles onder water
stond, tot zelfs de pompen. Meer dan 1200 arbeiders waren zonder werk.
Het zwavelhoudend gesteente ligt hier dieper onder den grond, wat de
exploitatie moeilijker maakt en de temperatuur, waarbij gewerkt moet
worden, veel hooger. In de buurt was het landschap volkomen kaal
en zonder schaduw. Daar er in dit mijndistrict geen drinkwater te
krijgen is, heeft men er geen woningen gebouwd, en de arbeiders moeten
dagelijks anderhalf tot twee uur langs bezwaarlijke bergpaden loopen,
om eer het dagwerk begint, reeds een deel van hun kracht te hebben
verbruikt tusschen de plaats van hun werk en de plaatsen Campofranco of
zelfs Sutera, dorpen, die verweg, ten oosten van den spoorweg, als over
elkander geworpen steenhoopen tegen de berghellingen kleven. Voorwaar,
een zwaar leven, dat van de arbeiders in de zwavelmijnen van Sicilië.